Achterhaald

Afgelopen week was een turbulente week voor het Limburgs, streektaal, dialect of plat. Maar liefst drie keer was taal prominent aanwezig in de media. En al dit moois bevatte elementen die bij verschijnen al achterhaald waren.

Heeft u op televisie Sprekend Nederland gezien? Zo gezellig voor de tv om te genieten van en te lachen over de vele vooroordelen die we over elkaars accent koesteren. Ik heb tandenknarsend toegekeken hoe mijn collega’s taalkundigen niet in staat bleken om ook maar iets van vakkennis over het voetlicht te krijgen: waarom hebben we die vooroordelen over elkaars’ accent, hoe zijn die vooroordelen ontstaan en hoe worden ze doorgegeven, kunnen ze veranderen? Kortom hoe werkt zo’n proces nu precies waarbij talige verschillen sociale verschillen tussen (groepen) mensen kunnen afbeelden? Niets daarover viel te beluisteren. Ik lees in Wim Kuipers’ Veldgewas over de winnaar van het sterkste accent: “Nummer drie, brons dus: Rotterdams. Het zilver was voor… het Surinaams. En de winnaar was… Juist. Maar wat stelt dat helemaal voor als het Fries een-na-laatste wordt, net voor het Drents? Ik heb geen idee.” Dit is raak, ik kan dit raadsel ook niet ontsluieren. De aanduiding het sterkste accent is al een vraag waard. Sterkste accent ten opzichte van wat of wie? Dat moet wel haast het zogenaamde ideale Nederlands zijn dat we vroeger ABN noemden. Maar wie spreekt dat en hoe is dat gemeten en waarom konden we daar niet om lachen in Sprekend Nederland of over het accent van de presentatoren. En dan: waarom zijn accenten ook ingedeeld per provincie? Een accent staat toch niet stil bij de provinciegrens. Oké, genoeg over een televisieshow van anderhalf uur over taal met daarin alleen stereotype en dus achterhaalde vooroordelen die mensen elkaar toeschreeuwen.

Een tweede mediaspektakel: het uitkomen van de lang verwachte erfgoednota van de gedeputeerde Koopmans. Geen bezuiniging maar herschikking van de erfgoedgelden valt er te lezen. Een erfgoednota waarin op elke bladzijde te lezen valt dat digitaliseren al het Limburgs cultureel erfgoed naar grote hoogten zal stuwen, opgesteld door een commercieel bedrijf dat leeft van grote, juist ja, digitaliseringsprojecten en dat in een halve pagina in deze krant schrijft dat het digitaliseren van kentekenplaten het grote voorbeeld is van hoe met Limburgs erfgoed om te gaan. Digitaliseren an sich is achterhaald. Niemand binnen de academische wereld krijgt subsidie voor digitaliseren zonder visie en vernieuwende ideeën. En die visie moet juist van archiefexperts komen, kortom van specialisten die vakkennis hebben. Maar die specialisten kunnen we wel vergeten. Als de bezuiniging van vijftig procent op de provinciale subsidie doorgaat, moet het Sociaal Historisch Centrum voor Limburg juist die mensen ontslaan die de parels in de archieven weten op te duiken. Stel je een gerenommeerd orkest voor dat moet bezuinigen door herschikking van subsidie. De instrumenten komen in het zonnetje te staan want daar is geld voor. De instrumenten flonkeren opgepoetst en glimmend in een tentoonstellingsruimte waar iedereen gratis naar binnen kan. Met de vingers over de glanzende knoppen van de saxofoon aaien, mag. De muzikanten zitten ontslagen thuis. Hoe ze die instrumenten bespelen en hoe die instrumenten (samen) klinken, horen we op een begeleidende cd. Dus altijd dezelfde muziek.

Uit de Limburgse dialectenquête in deze krant van afgelopen week: jonge dialectsprekende ouders willen hun kinderen niet meer in het dialect opvoeden. Het idee dat het tweetalig opvoeden van je kind van jongs af aan in bijvoorbeeld dialect en Nederlands schadelijk is voor de Nederlandse taalontwikkeling is achterhaald. Zo’n Limburgs kind tussen de vijf en acht jaar scoort namelijk ietsje hoger dan het landelijk gemiddelde in de beheersing van de Nederlandse woordenschat.

Column 77 in De Limburger/Limburgs Dagblad, 30 mei 2016.

Limburg twittert

Limburgers twitteren meer in dialect dan Friezen in Fries. Dat blijkt uit onderzoek met collega’s onder wie Theo Meder van het Meertens Instituut en Dong Nguyen en Dolf Trieschnigg van de Universiteit Twente. In dat onderzoek vergelijken we Friesland met Limburg. In het Fries twittert iemand: ‘Ik twitterje yn it Frysk.’ en in het Limburgs zo: ‘Waarsjienlik noe al in Sjpanje, de kroenekrane die v’r höbbe zeen vlege op weeg daonaotoe’.

Tussen januari 2013 en juli 2014 heeft de Universiteit Twente een uitvoerige databank met tweets aangelegd van twitteraars in Nederland. Het is niet echt eenvoudig om na te gaan welke tweets uit die verzameling uit Friesland en Limburg komen want tweets zijn in principe niet plaatsgebonden. Gelukkig gebruiken sommige twitteraars zelf plaatsaanduidingen. Dit is uitgezocht voor Venlo waar bijna 2.000 gebruikers aangeven dat Venlo hun twitter thuisbasis is. Het is grappig om te zien welke naam zij aan hun Venlo geven: naast het gewone V/venlo (ruim meer dan de helft), komt Venlo voor in combinatie met (the) Netherlands, of met Blerick en anderen benoemen Venlo eenmalig en zeer creatief als ‘about 500k from Paris’, ‘Venlo, ja toch’, ‘venlo netuurlik’, ‘Venlocity’, ‘Venlo-Zuud’, ‘Upper E-side venlo’, ‘hartje Venlo’, ‘VenloOw’, ‘oet ut stedje venlo’, ‘earth venlo’ en ‘venlo wao anders?’. In deze beschrijvingen komt dus Engels voor (about 500k from Paris), dialect (oet ut stedje venlo) en Nederlands (hartje Venlo).

Een andere veel nauwkeuriger manier om te achterhalen waar iemand vandaan twittert, is de GPS coördinaten van de twitteraar achterhalen. Maar die GPS coördinaten vertellen ons niet of de twitteraar daar woont, werkt of op bezoek of op doorreis is. In de onderzochte periode zijn er 9.843 twitteraars actief in Limburg en 11.304 in Friesland. De twitteraars in Friesland gebruiken in ruim vijf procent van hun tweets Fries en Limburgse twitteraars in bijna acht procent dialect. En Limburgers schrijven ook veel meer Engels dan dialect en ook meer dan de Friezen doen: bijna zeventien procent in Limburg laat Engels in hun tweets zien tegen ruim negen procent in Friesland. Maar het is wel knap lastig om automatisch te zoeken naar Limburgs dialect in een tweet. Limburgers schrijven veel Nederlands en dialect door elkaar: in ‘Met 32 graden toch maar vol gaas werke aan mien stageopdracht! #onderzoek’ staan ‘gaas’ en ‘werke’ tussen een volledig Nederlandse zin en ‘werke’ kan ook Nederlands zijn. In ‘Toch best prima een weekendje niks! Lang geleeje!’ verraadt alleen ‘geleeje’ dialectgebruik. Veel twitteraars in Limburg gebruiken weinig dialect tussen veel Nederlands en er is slechts een kleine groep die uitsluitend in dialect schrijft.

Het twitter-onderzoek geeft een goed beeld van de talige rijkdom in een gemeente als bijvoorbeeld Horst aan de Maas. Tweets die vanuit Horst verstuurd zijn, misschien vanaf een attractiepark of benzinestation, zijn ook in het Duits ‘die drittsemester des #jmw studiengangs der #fhkiel sind auf dem weg nach #brüssel’, Frans ‘dire que je suis pas loin de stro’, Belgisch Nederlands ‘keiplezant! @ attractiepark toverland’, Arabisch en Surinaams Nederlands. Twitteraars die aan Horst gebonden zijn, twitteren alleen in het Nederlands, dialect en Engels maar niet in het Pools. Dat is best een verrassing gezien de vele Polen die in Horst wonen en werken. Dat kan omdat de databank van de Universiteit Twente niet compleet is of omdat Polen niet twitteren. Voor de gemeente is dit hoe dan ook een belangrijk resultaat. Er is immers geen garantie dat voorlichting en informatie getwitterd door de gemeente hun Poolse inwoners ook echt weet te vinden.

Column 76 in De Limburger/Limburgs Dagblad, 10 mei 2016.

Koningsdag 1874

Overmorgen is alweer de derde keer dat er een Koningsdag te vieren valt in plaats van Koninginnedag.

De twintigste eeuw kende alleen koninginnen, de negentiende eeuw koningen. Hoe keek Limburg in de negentiende eeuw tegen de Nederlandse koningen aan? Al in 1845 bezocht Koning Willem II Rolduc in Kerkrade hoewel het koningshuis in die tijd, zo schrijft historica Karen Arijs, niet erg populair was. Volgens Arijs – die net gepromoveerd is op het proefschrift Regionaal bewustzijn en nationale identiteit. Vieringen, herdenkingen en optochten in Belgisch- en Nederlands Limburg, 1866-1938 – was Rolduc wel erg koningsgezind. Vanaf 1850, dus net na de inhuldiging van koning Willem III in 1849, vierde men op Rolduc de geboorten en huwelijken in de koninklijke familie met Oranjefeesten. Men zong het Wilhelmus en van ‘Wien Neêrlandsch bloed’ tijdens diners en bijzondere gelegenheden. Rolduc liet de Nederlandse vlag wapperen en bezorgde telegrammen aan het koningshuis.

Het koningshuis werd in heel Limburg wel populairder toen Limburg in 1866 uit de Duitse Bond stapte en een volwaardige Nederlandse provincie werd. Karin Arijs onderzocht voor haar onderzoek krantenberichten en vond dat op 10 mei 1866 de Maastrichtse sociëteit Momus een ‘Groote Historische Optogt’ organiseerde. Voor de optocht paradeerden militairen en deelnemers verkleed als Eburonen, Romeinen en Franken door de straten van een tot middeleeuws omgetoverd Maastricht. De optocht sloot af met een praalwagen om Koning Willem III te eren. Die wagen stond symbool voor de rooskleurige toekomst van Limburg die toen, volgens het programmaboekje van die dag, een volwaardige Nederlandse provincie vormde.

Maastricht liep in 1873 al warm om op 9 mei 1874 het 25-jarig jubileum van Willem III als koning te vieren met een feestdag die volgens de Courrier de la Meuse – de toenmalige krant in Maastricht – ‘ongezien in Maastricht’ zou worden. De burgemeester Willem Hubert Pyls stond garant voor goed georganiseerde koningsfeesten die een week duurden van 10 tot en met 17 mei. Op het programma stonden bals, concerten, schutterswedstrijden, toneelvoorstellingen, concerten, een landbouwtentoonstelling en een jaarmarkt. En op donderdagavond een groot vuurwerk.

Alle stadsbewoners en verenigingen zouden meewerken om te bewijzen dat Maastricht niet zou achterblijven bij de andere grote Nederlandse steden. Limburgse gelegenheidsliederen moesten er te horen zijn om te laten weten dat ook Limburgers geestdriftig waren voor het koningsjubileum. Arijs citeert: ‘In het Noorden des lands denkt men Limburg weinig Nederlandsch gezind: laten we blijk geven niet minder dan de meest patriottische Hollander aan Vaderland en Koning gehecht te zijn. Dat kunnen we doen door afzonderlijke betuigingen van onze deelneming aan het feest, door onze eigene, door Limburgsche feestgezangen.’

Net als het befaamde koningslied, gecomponeerd voor de inhuldiging voor kroonprins Willem-Alexander, drukte de feesteditie van de Courrier de la Meuse een volkszang af, gecomponeerd door priester Everts om Willem III te loven. Volgens Arijs verwees Everts expliciet naar de trouw van de Limburgse katholieken. En kinderen zongen een koningslied, een cantate, gecomponeerd door Van Helden met tekst van Franquinet. Maar net als het koningslied voor Willem-Alexander in 2013 kwam er kritiek, hoewel subtiel, op het koningslied van toen en de koningsfeesten. Bekrompen, kleinsteeds, niet genoeg gericht op de wensen van het volk en te zeer beheerst door de sociëteiten klonk het. Het kost te veel geld en het is saai, en ook het waarom van de viering zelf kreeg kritiek. De burgerij viert de koning maar het gewone volk heeft daar geen boodschap aan! Blijkbaar moest dat gewone volk dus nog even wennen aan Koningsdag in die negentiende eeuw!

Column 75 in De Limburger/Limburgs Dagblad, 25 april 2016.

Streektaalbeleid

Binnenkort verschijnt de erfgoednota van de Provincie die het beleid voor de komende jaren voor het (im)materieel cultureel erfgoed presenteert. Taal valt onder cultureel erfgoed en kent veel verschijningsvormen in Limburg. Diverse vertegenwoordigers, betrokken bij de streektaal, schreven onlangs het visiedocument ‘Sjiek is miech dat’ als input voor de nieuwe erfgoednota. In dit visiedocument staat dat de regionale taal in Limburg mensen mobiliseert in hun gevoel van eigenwaarde, zelfbewustzijn en zelfredzaamheid. Taal is onmisbaar om regionale identiteiten te creëren: ze leidt tot sociale binding en herkenbaarheid van de provincie.

De ambities van de erfgoednota zijn duidelijk: dialecten hebben een digitaal platform nodig om ze vitaal te houden. Talentontwikkeling is een uitdaging: Limburg heeft een blijvende diversiteit aan podia nodig waar jongeren zich cultureel en literair kunnen manifesteren. Kennis over hoe de jeugd zich organiseert is urgent om streektaalbeleid te kunnen continueren. Kennisverspreiding over meertaligheid naar leerkrachten in het onderwijs (van kinderopvang tot middelbare school) is hard nodig. Limburgers zijn vaak van huis uit meertalig. Naast het Nederlands spreken zij dialect; een buurtaal zoals Duits of Frans, een lingua franca als Engels of een andere veel voorkomende taal zoals het Arabisch/Berbers, Turks en Spaans. Deze meertaligheid is niet alleen een cognitieve, sociaal-culturele kracht in Limburg maar zeker ook een economische. De kunst is om die meertaligheid te bevorderen en in te zetten waar dat nodig is (bijvoorbeeld in grensoverschrijdend werkverkeer en toerisme).

Maarten Boots, bachelor-student Nederlandse Taal en Cultuur aan de Universiteit Utrecht, verdiepte zich voor zijn stage aan het Meertens Instituut in het streektaalbeleid. Het Limburgs is sinds 1997 als streektaal en later als regionale taal erkend onder Deel II van het Europees Handvest voor Regionale Talen en Talen van Minderheden. De Raad van Europa heeft dit Handvest opgesteld en erkent 79 talen, gesproken door 203 nationale minderheden of taalgebonden groepen in Europa. Deze Raad kent 47 lidstaten maar kan een lidstaat niet wettelijk dwingen om het Handvest na te leven. De Nederlandse overheid wijst de uitvoering van het streektaalbeleid toe aan de Provincie maar is wel eindverantwoordelijk. De overheid stuurt elke drie jaar een rapport aan de Raad van Europa. In een eerder rapport staan uiteenlopende streektaalgerelateerde activiteiten genoemd zoals televisieprogramma’s, theaterproducties, een kindercarnavalsliedjeswedstrijd en muzikale festiviteiten.

De Provincie ontwerpt het streektaalbeleid en investeert sinds 2007 structureel 150 duizend euro per jaar in streektaalactiviteiten en organisaties, exclusief subsidies. De uitvoering van het streektaalbeleid besteedt de Provincie uit aan de streektaalfunctionaris, de Raod veur ’t Limburgs en Veldeke. Die uitvoering is alleen mogelijk door betrokken vrijwilligers met liefde voor dialect.

Maarten heeft diverse betrokkenen in de landelijke en provinciale politiek, media en streektaalorganisaties geïnterviewd. Veel politici (statenleden) wilden helaas niet meedoen. Uit de interviews blijkt dat het Handvest in de landelijke politiek vrij onbekend is, en ook in de Limburgse politiek niet echt (meer) leeft. Voor de media is nooit vanuit de Provincie een taalbeleid ontwikkeld. Volgens geïnterviewden koppelt L1 TV uitzendingen in streektaal vooral aan carnaval en sommigen zien liever meer nieuwsreportages in streektaal, evenals kinderprogramma’s. Vroeger leerde ook iedereen spontaan Duits door naar tv te kijken; misschien een manier om meertaligheid te stimuleren? Maar ja, de media is nu naar de nationale overheid overgeheveld.

Helpt beleid om de dialecten in de toekomst vitaal te houden voor degenen die dat willen? Serieuze politieke aandacht is onmisbaar om het imago van het dialect boven het niveau van het anekdotische en carnavaleske te tillen. Meertaligheid en verhoogd taalbewustzijn in Limburg zijn belangrijke instrumenten om te kunnen profiteren van een globaliserende wereld. Het spreken van dialect vormt daarin een cruciaal onderdeel.

Column 74 in De Limburger/Limburgs Dagblad, 11 april 2016.

Mislukt gesprek

Ik was nieuwsgierig om te weten hoe bewoners in een verzorgingstehuis in de Randstad gebruik maken van dialect (plat Haags, Rotterdams of Amsterdams) in hun interactie met elkaar en met de staf. Sophie Martini, studente Taalwetenschappen in Leiden, voerde een onderzoek uit in een klein tehuis. Al snel blijkt dat de bewoners geen opvallende lokale talige elementen gebruiken en hoe dan ook nauwelijks met elkaar spreken. Juist in dit tehuis zijn veel bewoners hardhorend en ondervinden zij moeite om te spreken; vooral de staf is aan het woord. Maar hoe leg je aan een bewoner met gehoorproblemen uit dat er iets gaat veranderen aan de zorg die ze ontvangt? Sophie was getuige van een volkomen mislukt gesprek tussen een staflid en een bewoonster.

Op een middag speelt Sophie scrabble in de gemeenschappelijke zaal (eet-, speel- en bezoekerszaal bij de receptie) met bewoners aan een tafeltje. De opnamerecorder ligt voor haar. Naast haar spelen twee vrouwen Rummikub. Aan de overkant van de gang probeert een staflid Betty (B) aan mevrouw de Graaf (G) (de namen zijn fictief) nieuwe regels uit te leggen over huishoudelijke hulp. Het gesprek tussen B. en G. is duidelijk hoorbaar voor iedereen in de zaal hoewel het gesprek best wel privé is: hoe wil G. haar huishoudelijke hulp inrichten en betalen aangezien sommige diensten niet langer in het standaardpakket zitten zoals haar bed verschonen en het huisvuil ophalen. Die taken nemen drie minuten per dag in beslag – dat is 21 minuten per week – en vijftien minuten extra kost 7,85 euro. Een gek bedrag! Die boodschap probeert B. over te dragen. B. spreekt hard in het gezicht van G. als G. het niet onmiddellijk begrijpt. B. zegt luid: “JA, NEE, DAT IS ZEG MAAR DIT IS VOOR DE EXTRA DIENSTEN, kijk dit heeft uw zoon ingevuld voor de extra diensten, bed dagelijks opmaken. Hij geeft aan dat er het vriesvak ontdooid moet worden.” G. antwoordt: “Maar ik krijg maar 30 minuten”. B: “Nee het wordt niet van uw 30 minuten afgehaald. DIE 30 MINUTEN HEEFT U SOWIESO. HET IS NU DIT LIJSTJE is wat u dan extra krijgt bovenop die dertig minuten dus het is niet zo dat u dan die 30 minuten min die 21, dat niet… MAAR SNAPT U NU wel een beetje het idee erachter? DUS DIE 30 MINUTEN, DIE BLIJFT GEWOON. G. vraagt: “Dan snap ik dan niet dat dat bed opmaken er niet bij zit”. Betty probeert toenadering en overeenkomsten te zoeken door het woord gewoon te gebruiken en herhaalt telkens de boodschap. B: “Dit is gewoon extra. U houdt gewoon uw 30 minuten schoonmaak, er wordt gewoon gestofzuigd, er wordt gewoon gestoft. Dit gaat u dan extra, want hier betaalt u dan voor. Dus bovenop uw gewone schoonmaak, gaat u dan die uh komt de hoteldienst uw bed gewoon dagelijks opmaken. (…). Het is niet zo dat die 21 minuten hier vanaf gaan, dat is niet zo. Dit is gewoon. Er wordt gewoon gestoft, stofzuigen, dweilen, badkamer wordt gedaan, bed wordt verschoond, was wordt meegenomen en de keukenkastjes uh de keuken wordt schoongemaakt. Dus gewoon dertig minuutjes dat is gewoon blijft gewoon.”

De nieuwe regels zijn ingewikkeld en het vele gebruik van ‘gewoon’ maakt onduidelijk wat er nu wel of niet verandert. Sophie heeft dan ook de volgende aanbevelingen voor het verzorgingstehuis. Als een gesprek meer privé is, neem de tijd om een plek te zoeken waar niet iedereen (bewoners, staf en bezoekers) het gesprek kan volgen. De bewoners weten immers niet van tevoren welk karakter het gesprek zal dragen. Een staflid kan beter niet luid in het gezicht van een bewoner spreken in steeds dezelfde en vage bewoordingen. Wissel de bewoordingen af, moedig de bewoner aan vragen te stellen of de boodschap zelf samen te vatten.

Column 73 in De Limburger/Limburgs Dagblad, 14 maart 2016.

Taalbarrières

Limburg is bij uitstek een grensregio waar (samen)werken over de grenzen heen in de praktijk vaak lastig is vanwege cultuur- en taalverschillen, andere wet- en regelgeving en bevoegdheden. Verleden jaar is daarom het expertisecentrum ITEM opgericht, een acroniem voor de heel lange benaming ‘Expertisecentrum Internationale, Transnationale en Euregionale Mobiliteits- en Grensoverschrijdende’ vraagstukken in de regio. De bedoeling van het onderzoek binnen ITEM is om met praktische oplossingen te komen voor de politiek en diverse adviesorganen. Iedereen die over de grens werkt, ook al is dat in Limburg soms maar een afstand van een paar kilometer, komt voor allerlei problemen te staan. Hoe ziet straks mijn pensioen in Nederland eruit als ik in België werk? Hoe is de vergadercultuur in Duitsland? Wat zijn de knelpunten in grensoverschrijdende arbeidsbemiddeling? Hoe zit het met diploma’s: een Vlaamse verzorger mag bijvoorbeeld geen verpleegtechnische handelingen uitvoeren terwijl een Nederlander daar wel voor opgeleid is. Hoe zit het mijn hypotheek in Nederland als ik in Duitsland werk?

ITEM is een mammoet samenwerkingsverband tussen de Universiteit Maastricht (initiatief vanuit de Rechtenfaculteit), het Expertise Centrum Demografische krimp (NEIMED), Zuyd Hogeschool, de Gemeente Maastricht, de Euregio Maas-Rijn (EMR) en de Provincie Limburg (NL). Binnen ITEM heeft Daria Boruta, studente interculturele communicatie, een stageonderzoek van drie maanden uitgevoerd naar communicatieproblemen tussen de grote aantallen Polen in Horst en de lokale bevolking. De Poolse werknemers steken niet elke dag de grens over maar hun aanwezigheid in Horst is wel het effect van nieuwe migratiestromen door de uitbreiding van de Europese Unie in 2004. Vrij verkeer van werknemers tussen de EU-landen zorgt voor groeiende mobiliteit, ook in Limburg. Daria ontmoet op het station van Horst een Nederlands meisje dat privé geen Polen kent hoewel ze wel samen met Polen in een champignonkwekerij werkt. Ze vertelt dat Polen en Nederlanders in die kwekerij nooit met elkaar spreken: de taalbarrière is simpelweg te groot.

Polen en Nederlanders spreken elkaar wel met hulp van tolken en soms in wat Engels, Duits en Russisch in het ‘Koempel-project’ in Horst (Het Poolse kumpel betekent ‘maatje’). Dit project is een initiatief van een Poolse en Nederlandse moeder die bevriend raakten omdat hun dochters naar dezelfde school gingen. Ze wilden elkaar graag leren kennen. Dit project bereikt Polen die graag aan Nederlanders gekoppeld willen worden (en omgekeerd) om de taal en cultuur van de ander te leren.

Poolse seizoensmigranten hebben geen tijd om op hun werk of in Horst te integreren; na de zomer gaan zij weer terug naar huis en leven zo voortdurend tussen Polen en Nederland. Tijdelijke migranten weten vaak niet of ze ooit vast naar Polen teruggaan: teruggaan naar Polen ‘zjeżdżać do Polski’ zeggen ze onder elkaar.

Werk heeft veel prioriteit voor alle Polen in Horst. De geïnterviewde Poolse jongeren maken lange werkdagen. Velen maken zich zorgen over hun baan en hebben het idee dat hun werkgever snel andere Poolse arbeidskrachten kan vinden. Een doorsnee werkdag begint vroeg, meestal rond zes uur en kan – wanneer nodig – wel twaalf uur duren. Bovendien zijn de werkuren flexibel en onvoorspelbaar. Een werknemer in de tuinbouw moet bijna altijd beschikbaar zijn. Die lange werkdagen maken dat zij de bibliotheek in Horst niet vaak kunnen bezoeken. Dat is jammer, want die bibliotheek beschikt over een collectie van ruim honderd boeken in het Pools. Ook heeft de bibliotheek het meest dikke en gezaghebbende woordenboek Nederlands-Pools/Pools-Nederlands in bezit. Juist dit specifieke woordenboek is in Polen schaars, duur en begeerlijk voor studenten die daar Nederlands studeren.

Door die lange werkdagen zitten Polen ook niet snel op een terrasje. Ook dat is jammer want de horeca spreekt wel een mondje Pools: smacznego ‘eet smakelijk’ en dwie gałki ‘twee (ijs)bolletjes’.

Column 72 in De Limburger/Limburgs Dagblad, 29 februari 2016.

Zachte g

Een medeklinker als de ‘zachte (g)’ heeft geen enkele betekenis; het verwijst niet naar ‘iets’ in de wereld. Bij een woord als boom zien we een stam en takken met groene bladeren voor ons, bij een zachte (g) helemaal niets. Maar toch kent dit kleine klankje vele sociale betekenissen. Voor Limburgers is de zachte (g) een echte achilleshiel. Deze krant staat vol met columns als van Gé Reinders en ingezonden brieven over hoe Limburgers zich tot de zachte (g) verhouden. ‘Mensen met een zachte (g) kunnen een softe en onzekere indruk maken op mensen uit bijvoorbeeld de Randstad’, schrijft Pascal Cuijpers. P. Bors uit Venlo laat weten: ‘Enige tijd geleden verliet ik het station van Eindhoven, met een klant overleggend aan de telefoon. Iemand hoorde dit en liet onmiddellijk weten te horen dat ik uit Limburg kwam.’ Ad Canters uit Tegelen: ‘Vaak heb ik voor mijn werk cursussen gevolgd in Amsterdam, Utrecht en Rotterdam. Steeds maar weer dat genöäl: ‘Uw komp saekuh oit Limburch, dat hoar ik oan u accint.’

Natuurlijk is het niet alleen de zachte (g) waardoor veel Limburgers aan hun Nederlands te herkennen zijn maar ook aan hun melodieuze wijze van spreken, de huig (r) en noem maar op. Maar de zachte (g) is wel het kenmerk dat de essentie van de Limburger afbeeldt met alle bijbehorende stereotypen – ze vieren allemaal carnaval, zijn katholiek, frauduleus, gezellig, incompetent – en bijbehorende emoties. En dat terwijl de zachte (g) volgens de Dialectatlas van het Nederlands ook elders voorkomt: in Brabant, het oostelijk deel van Gelderland, een beetje in Overijssel tot gedeeltes in Drenthe toe en een klein stukje Zuid-Holland.

Mensen van buiten typeren de Limburger aan de zachte (g), maar Limburgers identificeren zichzelf ook met deze klank. De Facebook pagina Nine-gag Op Zn Limburgs toont dat Limburgers zich schamen voor die zachte (g) op nationale tv of radio. De zachte (g) hoort tot de lokale norm in het zuiden maar niet tot de nationale norm. Daarom heeft de Brabantse dj Domien Verschuuren van afgelopen Serieus Request in Heerlen zijn zachte (g) afgeleerd evenals Chantal Janzen voor haar carrière buiten Limburg. De uitspraak van de harde (g) daarentegen maakt tegelijkertijd deel uit van de lokale norm in bijvoorbeeld Alkmaar en de nationale norm.

De zachte (g) buiten de provincie is confronterend, maar omgekeerd is de harde (g) dat binnen de provincie ook. Justine van Beek als geboren en getogen Limburgse: ‘Het Maastrichtse dialect beheers ik niet en ook de zachte G verloor na enkele jaren zijn kracht. Elke keer als ik iets wilde afrekenen en de caissière vroeg: “En keend hubse nog vieftig centjes veur miech?”, moest ik haar teleurstellen met mijn gebrek aan beheersing van de volkstaal en kreeg ik gelijk de afkeurende ach-daar-heb-je-weer-een-Hollander-blik.’

Dus in Limburg voelt die de zachte (g) juist prettig. Vandaar dat een lezer mij schrijft: “De keiharde Hollandse ‘keel’-G (vaak in combinatie met een wat pesterige, bijna sarrende Randstedelijke tone of voice) van veel radio-en televisie-commercials. Bekijk – of beter beluister – eens enkele willekeurige reclameblokken en u begrijpt wat ik bedoel. Wij verzuchten dan: zouden die reclamejongens nou echt niet beseffen dat zo’n beetje iedereen beneden de rivieren, én ook de meeste mensen in het Noordoosten dit uitgesproken vervelend vinden om naar te luisteren? En dat het echt niet aanzet tot het kopen van producten en/of diensten? Ik noem een Delta Loyd (CHlashelder), Kruidvat (Steeds verrassend, altijd voordeliCH), ZiCHCHo etc etc”.

Ik doe een voorspelling. Als we de nationale tv en radio en YouTube bombarderen met de zachte (g), zo vaak en zo veel mogelijk, dan wordt die zachte (g) voor iedereen en overal in Nederland doodgewoon. Dan kunnen sprekers het ongemakkelijke gevoel dat zij over de zachte (g) buiten de provincie ervaren, loslaten.

Column 71 in De Limburger/Limburgs Dagblad, 15 februari 2016.

Zingen in dialect

Begin januari is Louis Grijp overleden. Louis was 22 jaar lang mijn collega aan het Meertens Instituut. Hij was hoogleraar en succesvolle onderzoeker ‘Nederlandse liedcultuur in het heden en verleden’ en de grote spil achter het ensemble Camerata Trajectina (Latijn voor ‘Utrechts muziekgezelschap’) dat liederen vanaf de middeleeuwen tot de Gouden Eeuw speelt.

Hij is lange tijd mijn buurman in het instituut geweest. Vaak hoorde ik hem in zijn kamer neuriën, zingen of luitspelen. Hij onderzocht zoveel, te veel om in deze column kwijt te kunnen. Over al dat onderzoek vertelde hij boeiend: over de liederen die de bouwvakkers vroeger zongen bij het heien in Amsterdam, over vrouwenrollen die door mannen gespeeld en gezongen moesten worden in het historisch theater, over schunnige liedjes en zeker ook over zingen in dialect. Louis schreef als eerste over zingen in dialect, al in de jaren negentig van de vorige eeuw. Hij signaleerde dat Friesland in de negentiende eeuw met het Friese Liedboek (1876) voorop liep en Groningen later met het Grunneger zankbouk (1930). Het wonderlijke is, zo schrijft Louis, dat het plattelandsvolk dat gewoon was in dialect of streektaal te spreken, voornamelijk in het Nederlands zong! De echte doorbraak van de streektaalmuziek in de jaren tachtig is vooral te danken aan de regionale omroepen.

Louis was vooral geïnteresseerd in de Groningse liedzanger Ede Staal, die hij in één adem noemde met Jo Erens en Rowwen Hèze. Ede Staal werd landelijk bekend door een documentaire (1996) en de film de Poolse bruid (1998) die zich op het Groningse platteland afspeelt. In die film is Staals’ lied ’t Hoogelaand in het Gronings te beluisteren.

We kwamen over Ede Staal te spreken omdat de Heerlense liedschrijver en zanger Paul van Loo in 2003 de cd Ede Staal uitbracht. Die cd met Ivo Rosbeek als begeleider bevat van Loo’s hertalingen van Staal’s Groningse dialectliedjes in het Heerlens. Het Groningse ’t Het nog nooit zo donker west werd in het Heerlens ’t Is nog noëts zoë donker geweës. Paul van Loo kan zich makkelijk met Ede Staal identificeren: Ede was leraar Engels aan een middelbare school, Paul leraar Aardrijkskunde.

Zo reden we in 2004 naar Rimburg waar Paul woont om een middag over Ede Staal te spreken en over het tumult dat de Heerlense hertaling in Groningen ondervond. Ede Staal is immers van de Groningers en dat moet zo blijven! Louis vond Heerlen mooi, ik zorgde ervoor dat we even bij het Aambos pauzeerden, en hij was vooral onder de indruk van het gerenoveerde boerderijtje van Paul en dat we vanuit zijn achtertuin zo Duitsland zagen liggen.

Volgens Louis is een deel van het succes van Ede Staal te danken doordat hij actuele muziek met het dialect verbond waardoor zijn lied tot een nieuw soort volkslied werd. Bovendien komt Ede Staal authentiek over in zijn artistieke overtuigingskracht: de echtheid van zijn stem samen met de poëtische en muzikale kwaliteit van zijn liederen. Daardoor kunnen zijn liederen de eigen regio overstijgen en succesvol zijn in hertalingen in andere regio’s zoals Limburg. Bovendien geloofde Ede Staal in waarover hij zong: de eigen streek, het Groningse landschap, zijn jeugdherinneringen en de lokale gebruiken. Dat is ook te beluisteren in van Loo’s hertalingen in het Heerlens. Waar Ede Staal zingt over ‘garnalenvangst’, zingt van Loo over ‘waar mensen van leven’ want garnalen vangen in Heerlen is ongeloofwaardig. Ede Staal zingt over dijkhuisjes, Van Loo over vakwerkershuisjes. Beiden zingen over uiterlijkheden die naar eigenheid, vertrouwdheid en de eigen kindertijd verwijzen; over symbolen van vroeger die streekgebonden zijn.

Louis met zijn Meertens collega’s van het Lied hebben me vaak geholpen om vragen te beantwoorden van lezers over dialectliedjes in het Limburgs. Met deze humorvolle en laconieke collega is ook enorme vakkennis verloren gegaan.

Column 70 in De Limburger/Limburgs Dagblad, 25 januari 2016.

Kinderpoëzie

Het is zelden dat ik als taalkundige een proefschrift onder ogen krijg dat in het Nederlands geschreven is. Maar afgelopen december verdedigde Annette de Bruijn aan de Universiteit Maastricht haar in het Nederlands geschreven proefschrift Zin in Poëzie over kinderpoëzie. Haar schrijven is verrukkelijk om te lezen en laat overtuigend zien dat het Nederlands (nog steeds) een volwaardige wetenschapstaal is. Vooral het deel waarin ze pleit dat poëzie voor leerlingen op de basisschool belangrijk is, verdient een dunne handelseditie voor een breed geïnteresseerd publiek. Maar daarvoor ontbreekt meestal de tijd; net gepromoveerden bevinden zich in een competitiestrijd om een volgende tijdelijke onderzoekaanstelling binnen te halen.

De vraag die Annette stelt, is of we door onderzoek kunnen achterhalen welke teksten geliefd zijn bij kinderen met verschillende culturele achtergronden van vijf en acht jaar en waarom? Dat is een belangrijke vraag want de school kan dan voortborduren op wat kinderen thuis al als vanzelfsprekend leren en leuk vinden. De school neemt dan verworven kennis van huis uit serieus. Dit is niet vanzelfsprekend want kinderen die thuis bijvoorbeeld andere talen spreken zoals Berber, Turks, Farsi, Japans en dialect kunnen en mogen vaak hun kennis van die talen, net als hun kennis over andere culturen dan de dominante ‘Nederlandse’ niet gebruiken op school.

Kinderen krijgen thuis te maken met, zoals Annette het formuleert, ‘cultuur-in-brede-zin’ doordat zij ouders, verzorgers en andere familieleden van alles zien doen en zeggen: het maken van een boodschappenlijstje, voorlezen, schrijven op computer en tablet, lezen in een boek en daarover vertellen. Op deze wijze krijgen kinderen vanaf geboorte al mee dat er een relatie is tussen geschreven en gesproken taal. Vervolgens ontdekken kinderen dat er een relatie is tussen allerlei soorten teksten en de wereld. Het zingen van ‘er is er een jarig’ is uitermate betekenisvol in de context van iemands verjaardag maar niet zozeer met Pasen of tijdens het Suikerfeest. Het lezen en begrijpen van poëzie en verhalen laat een kind kennis maken met de culturele wereld(en) en alle diversiteit daarin waarin het opgroeit.

In kinderpoëzie komen klanken zonder inhoudelijke betekenis veelvuldig voor ‘Daar was een smid – attivit/ Die had een kat – attivat’ en allerlei genoemde zaken en personen die niets met elkaar te maken hebben ‘Zwarte zwanen/witte zwanen-/wie wil er mee naar Engeland varen?’. Het zijn vooral vreemde mededelingen of grappige schetsen die onverwachts zijn: ‘Wippel Wappel/zat op een appel/en wiegde zich zachtjes wat/heen en weer’. Kinderen verwerven die teksten door er van alles mee te doen zoals ze na te vertellen, te zingen, erop te dansen en in spelletjes te gebruiken. Het idee is dat kinderen die al jong met een waaier aan verhalen en tekstsoorten opgroeien, een hoge mate van taalvaardigheid opbouwen waarmee ze zich beter kunnen uitdrukken en anderen beter begrijpen, hoe verschillend die ander dan ook is. De onderzoekgroep waar Annette bij hoort, heeft om dit idee te testen op elf basisscholen in Limburg en Brabant, voor de groepen twee en vier, een leeskalender met diverse tekstsoorten en een toets ontwikkeld. De toets laat echter onvoorspelbare resultaten zien. Het effect van een wekelijks kwartiertje poëzie is niet terug te vinden in de toets die wil meten of kinderen een beter begrip van en kennis krijgen over poëzie. Wel is duidelijk door het observeren in de klas, gesprekken met de leerkrachten en hun logboeken dat kinderen intens plezier kunnen beleven aan poëzie in de klas. Ze zingen, dansen, wiegen en stampen, filosoferen en voelen zich erkend als ze een verjaardagliedje in het Berbers of Arabisch mogen zingen. Een vervolgonderzoek kan de toets door ontwikkelen, voortbordurend op de inzichten van Annette’s proefschrift. Of misschien moeten we zoiets als plezier en pret in de klas niet willen meten met een rationele toets maar gewoon lekker laten gebeuren.

Column 69 in De Limburger/Limburgs Dagblad,11 januari 2016.

Ontheemde talen

Begin jaren tachtig vertrok ik voor mijn studie naar Amsterdam. In de eerste week verloor ik al meteen mijn paspoort. Bij de balie van het politiebureau waar ik aangifte doe, luistert een meneer aandachtig naar mijn verhaal. Hij vertelt me dat ik voor aangifte naar boven moet. Ik loop naar de eerste verdieping en wacht in een lange rij. Net als ik het juiste kantoor binnenloop, zie ik vanuit mijn ooghoek het bordje vreemdelingenpolitie hangen. Ik ben erg verbaasd, maar ja, net in Amsterdam. Ik vertel mijn verhaal aan de dienstdoende agent en tot mijn verrassing zegt hij: ‘Je kan geen aangifte doen want je zal eerst moeten bewijzen dat je Nederlander bent want met zo’n afwijkend accent ben je eerder een Duitser of Belg.’ Achteraf denk ik dat hij een Amsterdams grapje met me uithaalde maar in die tijd begreep ik dat niet.

Nu is dit verhaal natuurlijk niet uniek. Veel meer mensen hebben het gevoel dat ze talig ‘tussen plekken’ zweven. In het noorden vertellen ze me na vijfendertig jaar dat ik in het zuiden thuishoor en in het zuiden plaatsen ze me in het noorden. Blijkbaar is hoe we spreken direct aan een plek verankerd en hoort Nederlands thuis binnen de grenzen van Nederland, Frans binnen de grenzen van Frankrijk en Wieërts in Weert. Maar hoewel we de relatie tussen taal en plek als permanent ervaren en als natuurlijk en vanzelfsprekend, is het idee dat een taal gekoppeld is aan een plek nog niet zo oud. Het idee krijgt vaste vorm na 1848 wanneer in Europa de moderne natiestaten ontstaan: Duitsland en Italië en centralisatie van Nederland en Frankrijk. Een van de belangrijkste argumenten in die tijd voor een eigen staat is dat volkeren wezenlijk van elkaar verschillen en dat taal die verschillen weerspiegelt. In die tijd krijgt het idee vaste vorm dat er zoiets als het Nederlands of het Frans of het Duits bestaat. Het Nederlands vatten we vanaf die tijd op als een taal die geen variatie kent en niet verandert – dus iedereen spreekt gelijk aan elkaar en altijd hetzelfde – en dat Nederlands is haarscherp van andere talen zoals het Duits te onderscheiden. Vanaf die tijd kunnen we talen tellen: Nederlands, Engels, Duits… Dit idee zien we ook terug in gedachten over dialecten. Leerlingen met hun profielwerkstuk vragen altijd hoeveel dialecten er in Limburg zijn. Het idee dat we dialecten net als talen in talige kenmerken probleemloos van elkaar kunnen onderscheiden, is dus nog niet zo oud maar wel erg diep ingesleten.

Maar het idee van een vaste verbinding tussen taal en plek begint flinke scheuren te vertonen. In het verleden was dit idee goed te handhaven omdat in taalkundig onderzoek de aandacht uitging naar mensen die in één plek opgroeien en wonen. Maar mensen zijn altijd mobiel geweest en nu valt die mobiliteit niet meer te negeren. Mensen zijn gedwongen hun land te verlaten of verplaatsen zich voor werk, scholing en liefde. Mensen die circuleren brengen nieuwe manieren van spreken voort. Het Nederlands veranderde altijd al, maar het valt nu op. Een alternatief om met het veranderende Nederlands om te gaan, is het idee van een vaste relatie tussen taal en plek los te laten. Taal is niet het bezit van een land maar aan sprekers en de betekenissen die ze uitdrukken in verschillende situaties. Die sprekers kunnen woorden en andere talige bouwstenen eindeloos met elkaar combineren. Wij doen dat net als onze voorouders. In deze zin staan zes woorden die vroeger uit andere talen ontleend zijn: Ik wil een kamer reserveren via mijn computer op mijn buro. Ik betaal met doekoe. Zijn die zes woorden nog te herkennen?

Column 68 in De Limburger/Limburgs Dagblad, 28 december 2015.