Spelling

Een lezer schrijft me ‘dat er nooit veel verschil is tussen het gesproken en geschreven woord.’ Is het zo dat we spellen zoals we spreken, dus dat iedere letter (grafeem) een klank vertegenwoordigt? Wie kan lezen en schrijven heeft dat meestal als klein kind op school geleerd. Als volwassene staan we later niet meer stil waarom we zo spellen als we doen want door schrijfervaring zijn we vertrouwd geraakt met woordbeelden.

Alleen daar waar regels aan te pas komen zoals in ‘verhuisd’ versus ‘verhuist’ blijft het oppassen geblazen. Maar we schrijven zeker niet zoals we spreken: letters drukken geen een op een relatie uit met klanken. Een klank als de lange ‘ee’ verschilt op papier: beek versus cake, de ‘n’ in ‘oranje’ klinkt echt heel anders dan de ‘n’ in ‘nep’ evenals de letter ‘k’ in ‘zakdoek’ en in ‘koe’.

Het Nederlands kent daarnaaast twee verschillende schrijfwijzen om één klank te schrijven: de lange ‘ij’ in wij en de korte ‘ei’ in rein. In het vroegere Nederlands was dat verschil te horen, net als in de Limburgse dialecten van nu. Een ‘ij’-klank sprak de Middelnederlander uit als ‘ie’: wij was wi(e) en pijp is piep in veel Limburgse dialecten. Door de ‘ij’/’ie’ correspondentie moet het verschil tussen de lange ij en korte ei in het Nederlands voor dialectsprekende kinderen een peule(n)schil zijn. Ik durf te wedden dat zij hierin een voorsprong vertonen op eentalig Nederlandssprekende kinderen.

Terwijl de Limburgers keurig een ‘ei’ laten horen, spreken de Amsterdammers meer een ‘ai’ uit: ‘een ai hoort er bai’. Ook de twee schrijfwijzen ‘au’ in blauw en ‘ou’ in goud stellen nu één klank voor maar vroeger was er wel degelijk verschil: de ‘au’ was meer een ‘aaw’ en de ‘ou’ een ‘oow’-klank. Nu hoor je, zeker in de Randstad, veel vaker een ‘auw’-klank: ik haaw van jaauw.

Meer afwijkingen van het idee dat we spellen zoals we iets uitspreken, zijn zelfstandig naamwoorden als hond en bed en een werkwoordsvorm als ‘ik word’. Iedereen in Nederland zegt hond en bed met een ‘t’ op het eind: ‘hont’, ‘bet’ en ‘wort’. Maar de spelingsregel schrijft voor dat we hond met een ‘d’ spellen omdat het meervoud een ‘d’- klank heeft. Het is ‘honden’ en niet ‘honten’. In een woord als werknemer geven de drie e’s alle een andere klank weer. De ‘e’ in werk is een korte ‘e’, de eerste ‘e’ in de eerste lettergreep van ‘nemer’ is een lange ee en de ‘e’ in de laatste lettergreep klinkt meer als een ‘uh’-klank die taalkundigen een ‘stomme-e’ noemen.

Waar ik als Limburgs kind absoluut moeite mee had, was het spellen van de verleden tijd als in ‘bakte’ met een ‘t’ dat ik, ook nu nog, uitspreek met een ‘d’ (bakde). Datzelfde gold als kind voor woordcombinaties als ‘hij liep de trap op’ dat ik uitspreek als ‘hij liep de trab ob’.

Bovendien schrijven we een heleboel letters die we niet uitspreken. In ‘zij wordt’ horen we geen dubbele ‘t’ maar we schrijven ‘dt’ vanwege de regel dat een verbogen werkwoord in de derde persoon enkelvoud een ‘t’ heeft, net als in ‘zij loopt’. We zeggen ‘lope’ maar schrijven ‘lopen’ in ‘wij lopen naar huis’.

Dan is het opmerkelijk dat we met de laatste wijziging van de spellingsregel letters zijn gaan toevoegen die we absoluut niet uitspreken. De zogenaamde tussen-n is een lege letter. In ‘peulenschil’ en ‘pannenkoek’ is geen n te horen, maar we moeten zo’n stille n wel schrijven. Volgens socioloog Wilterdink is hoe we schrijven een vorm van taalcultuur. Het voorschrift voor zo’n stille tussen-n in ‘peulenschil’ en ‘pannenkoek’ is gevoed door een onbewuste wens om terug te keren naar goede manieren van vroeger. Het spellen van letters die we niet horen, staat dan gelijk aan ‘verzorgd schrijven’, beschaving en ‘hogere’ cultuur. Een dergelijke wens leidt tot verdere verwijdering tussen schrijftaal en spreektaal. Het kan zelfs een toekomstige klankverandering in gang zetten. Wellicht gaan kinderen in de toekomst zo’n stille tussen-n in panneNkoek wel uitspreken vanuit het idee dat we spreken zoals we schrijven.

Column 84 in De Limburger/Limburgs Dagblad, 31 oktober 2016.

Spijt-Limburgers

De leerstoel Taalcultuur in Limburg heeft de eerste Dr. Lou Spronck-lezing georganiseerd, gehouden door Petra Stienen. Stienen is opgegroeid in Roermond, is Arabist, werkte bij Nederlandse ambassades in Caïro en Damascus en is nu senator. Ze adviseert over mensenrechten, persoonlijk leiderschap en diplomatie. Stienen is regelmatig te horen en te lezen op en in de landelijke media. Ze kreeg in 2012 de Vrouwen in de Media Award, de Prins Bernhardcultuurfonds Limburg inspiratieprijs in 2013 en in 2016 de Aletta Jacobsprijs toegekend.

Een van de doelen van de Dr. Lou Spronck-lezing is een dialoog te starten over hoe Limburgers naar elkaar kijken in en buiten de provincie. Daarin is de lezing van Petra Stienen uitstekend geslaagd. De Turnzaal van mijn Faculteit Cultuur- en Maatschappijwetenschappen barstte uit zijn voegen met tweehonderd luisteraars; sommigen stonden in de deuropening of moesten zitten op tafeltjes achterin. Stienen’s lezing sloot feilloos aan bij het onderzoek van de leerstoel naar ‘lokale identiteitsconstructie in Limburg door taalcultuur’. Mensen voelen zich vervreemd en bedreigd omdat onze wereld in een snel tempo verandert. Ook Limburgers moeten zich aanpassen en zich verhouden tot nieuwkomers, tot mensen die vertrekken of mensen die kortstondig verblijven. Zij moeten voortdurend beslissen met wie zij zich wel willen en kunnen identificeren in Limburg en met wie niet en dat zijn emotionele processen.

Twee ingezonden stukken in deze krant van Paul Weelen en Sjef Stijnen laten zien welke tegenstellingen in Limburg in dit tijdsgewricht van belang zijn. Paul Weelen maakt en beleeft zelf een tegensteling tussen achterblijvers in Limburg en succesvolle Limburgers als Petra Stienen, die hij een spijt-Limburger noemt. In zijn tegenstelling is een achterblijver iemand die in Limburg opkomt voor de Limburgse taal en cultuur. Een achterblijver noemt hij een dom gansje. Een spijt-Limburger is iemand die door vertrek naar Holland pure afbraak pleegt aan die Limburgse taal en cultuur. Weelen is een bekende Limburger aan wie de Jo Hansenprijs voor Volkscultuur 2016 is uitgereikt en gerespecteerd is om zijn literaire activiteiten, zijn Limburgstalige muziek en zijn Limburgstalige uitgeverij. Vanuit die positie heeft zijn gevoel dat hij een achterblijver is en een ‘dom gansje’ iets wrangs. Ook omdat hij zich te onmachtig voelt, zo schrijft hij, de gedeputeerde erop te wijzen iets substantieels te doen voor het Limburgs. Hij hoopt dat spijt-Limburgers dit wel bereiken.

Sjef Stijnen spreekt zijn ergernis uit over het Randstedelijk accent van Petra dat volgens hem haar geloofwaardigheid aantast als zij over ‘diversiteit’ spreekt. Stijnen was projectleider van het immens belangrijke sociolinguïstische Kerkrade-project waaruit bleek dat dialectsprekende kinderen zich in de klas in hun Nederlands onzeker voelden, stil waren en faalangst hadden. Ook beoordeelden leraren deze dialectsprekers minder competent dan hun eentalige Nederlandssprekende klasgenoten. Het Kerkrade-project wilde de houding van leerkrachten en andere volwassenen ombuigen zodat dialectsprekende kinderen zichzelf meer zouden respecteren, mondiger zouden worden en taalvaardiger.

De succesvolle Petra Stienen is het schoolvoorbeeld van alles waar het Kerkrade-project voor stond. Ongerijmd dus dat hier een projectleider en hoogleraar zich uitsluitend irriteert aan het landelijk prestigieuze accent van en de mondigheid van de adviserende en zeer taalvaardige Stienen die tot haar zesde vooral dialect sprak.

Aanwezigen lieten mij in e-mails weten dat de lezing van Petra Stienen een groot succes en inspirerend was. Iemand schrijft: ‘De lezing heeft me geroerd: de taal van het hart en de parallellen met mijn eigen ervaringen als Limburger in het “Hollensj”’. Ikzelf was ook ontroerd omdat Stienen in haar lezing in het Remunjs, in haar Nederlands en Arabisch, in plaats van het makkelijke veroordelen van anderen, juist mensen van allerlei herkomst op integere wijze samenbracht in hun liefde voor taal, welke dan ook.

Column 83 in De Limburger/Limburgs Dagblad, 17 oktober 2016.

‘Lager loon voor platprater’

Vorige week verscheen er een opmerkelijk krantenbericht in het Algemeen Dagblad met als titel ‘Lager loon voor platprater’ met als vervolg ‘Mensen die dialect praten verdienen aanzienlijk minder dan degenen die Algemeen Beschaafd Nederlands spreken. Dat geldt zeker voor mannen, hogeropgeleiden en mensen uit de verste “uithoeken” van het land. Het verschil in salaris tussen mensen die dialect en Standaardnederlands spreken bedraagt 5 tot 15 procent. Dat blijkt uit onderzoek dat Jan van Ours, hoogleraar arbeidseconomie aan de Universiteit van Tilburg, deze week heeft gepresenteerd op een congres.’

Het is opmerkelijk hoe Van Ours en zijn promovenda Yuxin Yao het verschijnsel ‘dialect’ en ‘Algemeen Nederlands’ (AN) in hun berekeningen opvatten. Ze beweren: ‘Zelfs onder taalkundigen is er geen algemene definitie over hoe dialect en Algemeen Nederlands (AN) van elkaar verschillen’. De economen zijn hier abuis. Dialectologen hebben boekenkasten vol geschreven over hoe dialecten en AN grammaticaal van elkaar verschillen in bouwstenen zoals klanken en woorden én regels om die bouwstenen te vervoegen en te verbuigen, aan elkaar vast te plakken tot zinnen en grotere gehelen. Wat de economen niet begrijpen, is dat taalkundigen benadrukken dat dialecten in grammaticale rijkdom niet verschillen van het AN en andere talen en dat vanuit die definitie geen onderscheid tussen dialect en AN mogelijk is.

Vervolgens schrijven Van Ours en Yao zonder enige gêne dat veel dialectspreken tot een slechte beheersing van het spreken van het AN leidt. Ook een hoogleraar Economie is dus een gewoon mens met gewone vooroordelen zoals iedereen die niet thuis is in het taalkundig onderzoek van de laatste twintig jaar naar hoe kinderen hun talen verwerven. Dat onderzoek toont aan dat kinderen zich niet alleen één taal eigen maken maar dat zij tevens prima in staat zijn om twee talen als twee moedertalen te leren beheersen ook als ze dialect en AN veel spreken. Onzin dus van de economen.

Welke vergelijkingen vormen nu de basis voor de statistische bewerkingen van de economen? De sociale wetenschappen verzamelen op internet gegevens van mensen die vragenlijsten invullen. Iedere invuller geeft bijvoorbeeld aan wat hij/zij maandelijks verdient, welk type werk hij verricht, waar hij woont enzovoorts. Van Ours en Yao hebben bijna zevenduizend invullers onderzocht op hun antwoord Ja, dagelijks, Ja, regelmatig, Ja, soms en Nee, nooit op de vraag ‘Spreek je dialect’. Deze vraagstelling is problematisch als een onderzoeker daaruit wil concluderen dat dialectsprekers minder verdienen dan AN-sprekers. Het grote probleem is dat de antwoorden nauwelijks analyseerbaar zijn. Sprekers uit de Randstad zijn niet gewend om zichzelf als dialectsprekers te zien maar zij zijn dat natuurlijk wel. Zij hebben een stemloze (z) ‘de son in de see’ en zeggen ‘hij legt op bed’. Dus als een respondent Nee, nooit invult dan wil dat nog niet zeggen dat iemand automatisch AN spreekt. Bovendien hebben mannen en ouderen een ander beeld van ‘dialect’ dan vrouwen en jongeren en beantwoorden zo’n vraag naar dialectspreken verschillend. Vervolgens is niet duidelijk wanneer iemand dialect of AN spreekt. Iemand die dagelijks dialect spreekt, kan prima AN op zijn/haar werkplek spreken of omgekeerd. Het spreken van dialect sluit het spreken van AN niet uit. Ten slotte denken de economen zelf ook dat sprekers die dicht bij de Randstad wonen geen dialectsprekers zijn of omgekeerd; dialectsprekers wonen in hun optiek ver van de Randstad.

In feite hebben ze gemeten dat als iemand ver van de Randstad woont, hij ook per uur minder salaris krijgt en dat is precies wat het CBS ook vermeldt. Inkomensongelijkheid, armoede, werkloosheid, demografische krimp, ondervertegenwoordiging van de hoogste opleidingen en bijbehorende banen in Nederland kent een geografische spreiding: hoe verder weg van de Randstad hoe meer dit samenvalt. Dit heeft echter niets met dialectspreken te maken.

Column 82 in De Limburger/Limburgs Dagblad, 3 oktober 2016.