“Kind moet over op het ‘plat’”

“Kind moet over op ‘plat’”, kopt De Limburger afgelopen week boven een artikel van verslaggever Jule Peeters. Waarom besteedt De Limburger juist nu aandacht aan Limburgs op de peuterspeelzaal en waarom op deze wijze? Waarom ik namens de leerstoel Taalcultuur in Limburg pleit voor meertalige peuterspeelzalen schreef ik in twee eerdere columns (hier en hier), en over de urgentie om aandacht te besteden aan de toekomst van het Limburgs (het Limburgs is de officiële benaming volgens het Europees Handvest voor regionale talen of minderheidstalen hoewel de Provincie Limburg de noemer streektaal hanteert en sprekers in Limburg dialect of plat) schreef ik hier en hier.

Het verslag in De Limburger bevat dus niets nieuws. De Gedeputeerde van Cultuur van de Provincie Limburg zei in november 2017 al toe op basis van onderzoek door mijn leerstoel een taalbeleid te ontwikkelen voor de peuterspeelzalen in Limburg. De organisaties in Limburg die zich bekommeren om de toekomstige vitaliteit van het Limburgs delen in oktober 2015 dit pleidooi in het visiestuk ‘Sjiek is miech dat!’ dat als belangrijke input diende voor de Erfgoednota van de Provincie Limburg.

Expertise
Er is dus niets nieuws onder de zon behalve dat dezelfde Limburgse organisaties samen met het Huis van de Kunsten op verzoek van de Provincie Limburg afgelopen juni de kadernota ’n Laeve lank Limburgs hebben ingediend met daarin een herhaalde oproep voor taalbeleid op de peuterspeelzaal. De organisaties in Limburg staan hierin niet alleen. De groei van meertalige sprekers in Nederland dwingt schoolbestuurders langzamerhand na te denken en te investeren in oude en nieuwe vormen van tweetaligheid. De samenstellers van het onlangs verschenen KNAW rapport “Verkenning Talen in Nederland – Talen voor Nederland” geven zelfs toe dat onderwijs in Nederland naast bestuur en politiek de grote veranderingen in talen en culturen en de groeiende meertaligheid in Nederland niet meer kan bijbenen. Om het taalbeleid op de peuterspeelzalen in Limburg in het kader van toekomstige beleidslijnen in Nederland te zien is ook in Limburg een mentaliteitsomslag nodig om taaldiversiteit niet als achterstand maar als rijkdom te zien.

De kadernota ’n laeve lank Limburgs met daarin een pleidooi voor taalbeleid voor de Limburgse peuterspeelzalen roept nu reacties op, ook omdat het verslag van Jule Peeters in De Limburger wel erg bezijden de waarheid is. Het kind op de peuterspeelzaal moet helemaal niet “over op het plat” en het Nederlands wordt zeker niet ingeruild voor het Limburgs. De bedoeling van een taalbeleid is dat de peuterspeelzalen die dat willen en zich daarmee in kwaliteit gaan onderscheiden het Limburgs gelijkwaardig aan het Nederlands aanbieden.

Voor de benodigde expertise heb ik gesprekken gevoerd met collega’s van de Sintrum Frysktalige Berne-opfang (SFBO) in Friesland die sinds de jaren tachtig leidsters in de voorschoolse opvang ondersteunen bij het vormgeven van beleid en praktijk van Fries-Nederlandse tweetaligheid in de peuterspeelzalen. Voor een dergelijk beleid is betrokkenheid van ouders en leidsters cruciaal evenals budget van de Provincie om kwaliteitscertificeringen voor de peuterspeelzaal/kinderopvang uit te kunnen reiken en educatiemateriaal te ontwikkelen. Bovendien zal in het curriculum voor kinderopvang/peuterspeelzaalleidsters kennisontwikkeling over meertaligheid aangeboden moeten worden met aandacht voor Limburgs als regionale taal.

Hokje van achterstandsdenken
Uit het redactioneel commentaar van De Limburger blijkt dat ook de journalistiek een mentaliteitsomslag zal moeten doormaken. “Kinderen plat leren praten” is een zaak van hun ouders stelt de redactie. Ja dat is zo, maar kinderen gaan heel jong naar de kinderopvang/peuterspeelzaal waar leidsters en vrijwilligers, hoewel met liefde voor de kinderen en hun werk, niet geschoold zijn in talige en meertalige ontwikkelingen van peuters. Als uit onderzoek blijkt dat in heel Europa de peuterspeelzalen/kinderdagverblijven de doorgifte van lokale minderheidstalen de das om doen (De Houwer 2017) door onkunde over meertaligheid moet iemand ingrijpen. Bovendien valt een peuterspeelzaal niet onder het Ministerie van Onderwijs maar onder de gemeente.

Bovendien is De Limburger niet echt op de hoogte van actuele bevindingen van taalwetenschappelijk onderzoek. In 2015 legt dezelfde redactie een onjuist verband tussen dialectspreken, achterstandgezinnen (!) en laaggeletterdheid en in het commentaar van deze week lees ik: “Met enige regelmaat constateren onderzoekers taalachterstand bij kinderen in Zuid-Limburg.” Maar het tegendeel is het geval! Recent onderzoek toont dat dialectsprekende kinderen even snel of langzaam de Nederlandse woordenschat leren als eentalig Nederlandssprekende kinderen (Francot e.a. 2017), dialectsprekende kinderen laten hogere CITO-scores zien voor het spellen in Nederlands dan eentalige Nederlandstalige kinderen, dialectsprekende kinderen scoren significant hoger op taken die selectieve aandacht meten dan eentalig Nederlandssprekende kinderen in Utrecht (Blom e.a. 2018) en kinderen in Limburg uit groep 8 scoren sowieso hoger op de CITO-toets dan leerlingen uit de andere provincies (Hemker 2016).

Beste journalisten, kom uit het hokje van achterstandsdenken vandaan en ben bereid met frisse ogen over de talige ontwikkeling van dialectsprekende kinderen te schrijven.

Verwijzingen
• Blom, Elma, Tessel Boerma, Evelyn Bosma, Leonie Cornips, Emma Everaert. 2017. Cognitive advantages of bilingual children in different sociolinguistic contexts. Frontiers in Psychology: Cognition. 8:552, 1-12. Open-access article, doi: 10.3389/fpsyg.2017.00552
De Houwer, Annick. 2017. Minority language parenting in Europe and children’s well-being. In N. Cabrera & B. Leyendecker (Eds.), Handbook of Positive Development in Minority Children (pp. 231-246). Berlin: Springer.
• Francot, R.J., Kirsten van den Heuij, Elma Blom, Wilbert Heeringa and Leonie Cornips. 2017. Inter-individual variation among young children growing up in a bidialectal community: The acquisition of dialect and standard Dutch vocabulary. In Language Variation – European Perspectives VI. Isabelle Buchstaller and Beat Siebenhaar (eds.). Studies in Language Variation 19, pp. 85–98.
• Hemker, B. 2016. Jaarlijke meting Taal en Rekenen 2016: Peiling van de taalvaardigeid en rekenvaardigheid in jaargroep 8 van het basisonderwijs. Ongepubliceerd, CITO Arnhem.

Verschenen op Neerlandistiek.nl op 23 juli 2018.

Tooncontrast in woorden, en erbij horen in Roermond

Twee heel verschillende proefschriften zijn verschenen waarin Roermond de hoofdrol speelt. Stefanie Ramachers verrichtte fonologisch onderzoek met experimentele taken. Haar studie is belangrijk in een wereld waarin sprekers van het dialect zich meer en meer aanpassen aan het Nederlands. Haar onderzoeksvraag is hoe baby’s, opgroeiend in Roermond met dialectsprekende ouder(s), zich ontwikkelen in het waarnemen van een tooncontrast in woorden en of zij hierin verschillen van baby’s met uitsluitend Nederlandssprekende ouders? In het Roermonds kan een woord als knien enkelvoud of meervoud uitdrukken: met dalend-stijgende toon (sleeptoon of accent 2) uitgesproken betekent knien ’n konijn (enkelvoud), met een dalende toon (val- of stoottoon of accent 1) meerdere konijnen (meervoud). Dit tooncontrast werkt ook betekenis onderscheidend in een woord als haas: met een dalende toon bedoelt de spreker het snelle dier, met dalend-stijgende toon een handschoen. In een woord met twee lettergrepen wordt het nog complexer omdat het woordtooncontrast dan interfereert met zinsintonatie: zeeve met een dalende toon op de eerste lettergreep refereert aan het werkwoord zeven maar met een volledig vlakke toon op de eerste lettergreep aan het cijfer zeven. De complexiteit van dit tooncontrast stelt hoge eisen aan baby’s als toekomstige sprekers van het dialect.

Ramachers heeft voor haar onderzoek een kinderlab in Roermond moeten fabriceren. In totaal heeft ze 54 dialectbaby’s in Roermond met 126 eentalige baby’s in Nijmegen tussen ongeveer een half en een jaar oud, 41 dialect- en 40 Nederlandstalige peuters getest en bovendien nog 44 dialectvolwassenen tussen 23 en 72 jaar en 43 Nederlandssprekende volwassenen tussen 18 en 66 jaar met elkaar vergeleken.

Haar bevindingen zijn dat er tussen de dialect en uitsluitend Nederlandstalig opgroeiende baby’s geen verschil te constateren is in hoe zij het tooncontrast waarnemen. Ook de peuters verschillen niet van elkaar in waarneming van het tooncontrast terwijl de volwassenen dialectsprekers dit wel beter doen dan de uitsluitend Nederlandstalige volwassenen. Volgens Ramachers zijn deze resultaten vooral te verklaren uit de complexiteit van het tooncontrast in samenhang met zinsintonatie en het variabele taalaanbod waar baby’s en peuters in Limburg mee te maken krijgen.

Lotte Thissen voerde linguïstisch-antropologisch onderzoek uit om te achterhalen hoe mensen taal gebruiken om, in interactie met anderen, betekenis te geven aan de wereld om hen heen. Haar onderzoeksvraag is cruciaal in de wereld van vandaag waarin mensen houvast zoeken in een wereld die snel, ook talig verandert. Die houvast zoeken mensen in processen van insluiting en dus ook uitsluiting – het een kan niet zonder het ander – door taalgebruik. Mensen bepalen op basis van nuances in uitspraak of keuzes tussen bijvoorbeeld Roermonds of Maasniels of Nederlands of Turks of je erbij hoort of niet. Lotte verrichtte intensief veldwerk om zicht te krijgen op talige identificaties binnen de carnavalsvereniging De Katers en een supermarkt. Zij volgde De Katers vier maanden lang waarin zij gesprekken (44 uur) en videofilms (30 in totaal) opnam, 346 foto’s maakte en 55 pagina’s aan veldwerknotities volschreef. In de supermarkt heeft ze negen maanden lang bij de kassa gewerkt en producten in schappen gespiegeld en gesprekken tussen medewerkers en klanten opgenomen (74 uur).

Het Roermond dat in Thissens proefschrift naar voren komt, is anders dan in de studie van Ramachers, namelijk een zeer divers en onvoorspelbaar talig Roermond. De van origine Turkse slager spreekt Marokkaans-Arabisch om zijn vlees aan te prijzen en de Turkse eigenaar van de supermarkt spreekt dialect. Ook observeert Thissen een man in de trein naar Roermond die Arabisch, Engels, dialect en Nederlands met een zachte-g door elkaar mengt: ‘Wallah, vet grappig, ik steeds snooze, ineens is het tien voor zeven! (…) jalla… safi, Insha’Allah. Ich bin er zoe.’ Hoewel mensen denken dat een bepaalde taal aan een specifieke plek verankerd is, handelen zij daar niet naar in hun dagelijkse taalpraktijken.

Een belangrijke analyse van Thissen is dat mensen die zich uitgesloten voelen door anderen, zich juist in dat buitengesloten worden met elkaar verbinden. De slager van de supermarkt vraagt Lotte of zij ook buitenlander is? Lotte antwoordt met: ‘half’ waarop de slager antwoordt: ‘Half bestaat niet meer, dan ben je buitenlander’. Juist in dat gedeelde buitenlanderschap kunnen mensen elkaar vinden en zich thuis voelen, ook in Roermond en iedereen kan dit gedeelde gevoel ondervinden.

Droom
Zowel de studie van Ramachers als van Thissen maken gebruik van zeer tijdrovende methodes. Het is ongelooflijk knap dat zij hun studies succesvol hebben afgerond, ook in aanmerking genomen dat beiden zeer intensief college hebben gegeven aan de Radboud Universiteit en Universiteit Maastricht.

Soms droom ik van langdurig onderzoek dat gefinancierd kan worden: onderzoek dat zo’n acht tot tien jaar mag duren waarin de verschillende specialismen zoals die van Stefanie en Lotte aan elkaar te koppelen zijn. De methodologie en expertise van Lotte maakt het mogelijk om voor het onderzoek van Stefanie te achterhalen hoe ouders in Roermond het tooncontrast in woorden aanbieden aan hun baby’s en hoe peuters zelf het woordcontrast gaan gebruiken. Hoe vaak en in welke gebruikscontext moeten baby’s het tooncontrast horen om het te verwerven en actief te gebruiken? Hoe groeien baby’s en peuters in dialectsprekende gezinnen in Roermond talig op en wanneer en hoe vaak en in welke gebruikscontext met welke sociale betekenis spreekt de ouder dialect, Nederlands of anders met het kind, met broertjes of zusjes en met de andere ouder(s), grootouders, buren en vrienden?

De taalkundige theoretische kennis van Stefanie maakt het mogelijk om intrigerende vragen in de data van Lotte te beantwoorden: gebruikt de van origine Turkse eigenaar ook het zo complexe tooncontrast in woorden in zijn Limburgs en zinsintonatie in zijn Nederlands; gebruikt de vorst van de Katers in zijn Nederlands naast zinsintonatie ook een woordtooncontrast? Een langere onderzoekstijd met complementaire methoden en specialismen zou nog meer verdieping mogelijk maken maar de financiering ervan zal wel een droom blijven.

Stefanie Ramachers. 2018. Setting the tone. Acquisition and processing of lexical tone in East-Limburgian dialects of Dutch. Proefschrift Radboud Universiteit Nijmegen, Faculteit Letteren.

Lotte Thissen 2018 Talking in and out of Place. Ethnographic reflections on language, place and belonging. Proefschrift Universiteit Maastricht, Faculteit Cultuur- en Maatschappijwetenschappen.

Verschenen op Neerlandistiek.nl, op 18 februari 2018.
Verschenen op Veldeke.net in het Thoears, op 9 maart 2018.

Marianne van der Heijden

Voordat ik het proefschrift van kunsthistorica Lies Netel las, had ik nog nooit van de Limburgse kunstenares Marianne van der Heijden gehoord. Toch moet ik haar kunstwerken ongetwijfeld in gebouwen in de voormalige Oostelijke Mijnstreek tegengekomen zijn. Marianne van der Heijden is van de generatie van mijn ouders (geboren in 1922) en groeit op in Kerkrade. Ze volgt een opleiding aan de Rijksakademie van Beeldende Kunst in Amsterdam en maakt in de jaren vijftig en zestig in Limburg furore met haar monumentale wandkunstwerken voor de katholieke kerk. Wat ze maakt is zeer divers: van glas-in-lood ramen voor de Onze-Lieve-Vrouw van Lourdeskerk in de Kerkraadse wijk Gracht tot kleine houtsneden, wandkleden, grafiek en papiercollages.

Lies Netel probeert een antwoord te geven op de vraag waarom Marianne van der Heijden, in tegenstelling tot haar Limburgse generatiegenoten Jef Diederen, Ger Lataster en Frans Nols onzichtbaar is (gebleven) in overzichtsboeken van Nederlandse kunstenaars. Een reden is, volgens Lies Netel, dat Marianne een te veelzijdig kunstenaar was voor canonvorming. Het hielp waarschijnlijk ook niet dat Marianne in Zuid-Limburg woonde en werkte, zich niet volledig identificeerde met het kunstcircuit van toen en een vrouw was.

Het bijzondere aan het proefschrift van Lies Netel is dat zij in egodocumenten, dus in ‘ik’-gerichte teksten zoals brieven, reisverslagen en dagboeken heeft proberen te achterhalen in welke tijdgeest Marianne als zelfstandig kunstenares kon en moest werken. Zo zag zij bewust af van een huwelijk en moederschap omdat zij anders haar kunstenaarschap zou moeten opgeven. In 1970 schrijft zij met een rietpen met inkt en aquarelverf op papier de zinnen:

‘Ik zou zo graag
een zwerver willen
zijn
Maar ik heb
twee dingen tegen:
Ik ben een vrouw
en bovendien ..
ben ik te verlegen.’

En over het ongetrouwd zijn:

‘Een juffrouw is nog steeds niet met zekerheid thuis te brengen
Arme ziel of vrije vogel?
Dat is ons wel een zorg (of niet) soms.’

Lies Netel gaat uitgebreid in op de briefwisseling tussen Marianne en pater-karmeliet Bruno Borchert met wie ze later zal samenwonen. Die briefwisseling is voor mij als lezer vaak te intiem maar het laat wel goed zien hoe gelovige katholieken in het Limburg van de tweede helft van de twintigste eeuw dachten en voelden over de kerk, seksualiteit, huwelijk en maatschappelijke veranderingen. Die egodocumenten inspireren tot onderzoek. Volgens Jos Perry laten egodocumenten een historicus twijfelen over de betrouwbaarheid van wat er te lezen valt maar geven zij wel een goed inzicht in de belevingen van de ‘ik’-persoon. Zo komt de lezer te weten hoe Marianne haar tijd beleeft, interpreteert en welke kansen en hindernissen ze als kunstenares en vrouw tegenkomt.

Lies Netel stelt dat ‘Marianne zich niet met Limburg identificeert, ze spreekt geen dialect en had geen Limburgse vrienden’. Dat ben ik niet met haar eens. Vriendschappen met uitsluitend Limburgse vrienden zal in elk geval moeilijk geweest zijn in een tijd waarin de explosieve groei van de mijnindustrie ontelbare migranten van buiten Limburg en Nederland en grensarbeiders naar de Oostelijke Mijnstreek lokte. Bovendien verdrongen nieuwe vormen van meertaligheid het dialect uit de publieke ruimte.

Een van de reden waarom Marianne als kunstenaar van haar werk kon leven is dat de katholieke kerk grote sommen subsidies van de steenkoolmijnen ontving waardoor diezelfde kerk opdrachten verzorgde aan kunstenaars als Marianne. Volgens historicus Ad Knotter riepen de kerk en de geestelijkheid in Marianne’s bloeiperiode als kunstenaar vrome katholieken op om zich in denken en levensstijl af te keren van het moderne leven dat de Limburgse cultuur en tradities zou verdringen. In haar identificaties met de kerk als vrome katholiek, ook zichtbaar in haar religieuze werk heeft Marianne zich wel degelijk met Limburg geïdentificeerd.

Verschenen op Neerlandistiek.nl, 7 februari 2018.
Verschenen op Veldeke.net in het Kirchröadsj, op 1 maart 2018.

Nieuw Limburgs taalbeleid: Een convenant is drijfzand voor het Limburgs

Door Yuri Michielsen-Tallman

Sinds enkele maanden is er weer volop discussie over een nieuw Limburgs taalbeleid. De Provincie Limburg heeft de Raod van ’t Limburgs gevraagd een nieuwe visienota voor te leggen. De vraag is of er een verdere erkenning voor het Limburgs naar Fries model moet komen óf een taalbeleid op basis van een door de Nederlandse overheid aangeboden convenant? Welke weg biedt de meeste zekerheid voor een volwaardig taalbeleid voor het Limburgs?

Het Limburgs is sinds 1997 door de nationale overheid erkend als regionale taal onder het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden. Die erkenning geldt ook voor het Fries en het Nedersaksisch. De nadruk zal hier echter liggen op het Fries en het Limburgs.

Het Handvest is door de Raad van Europa in het leven geroepen om regionale talen te beschermen. Regionale talen zijn vaak in een achterstandspositie ten opzichte van nationale talen gekomen. Door wettelijke maatregelen, taalbeleid en financiering voor gebruik in het openbare leven, in het onderwijs en de media hebben nationale talen (zoals het Nederlands) een dominante positie verworven. Dat heeft onder andere geleid tot een afname in het gebruik van regionale talen en vaak een stigma voor de sprekers ervan. Er bestaan vooral ook wettelijke en financiële hindernissen, die het gebruik en de aanpassing van de regionale taal aan de moderne tijd belemmeren. Het Handvest beoogt regionale talen te beschermen door deze veel van de rechten en mogelijkheden te bieden die ook aan nationale talen ter beschikking staan.

Onder het Handvest is het Limburgs evenzeer een regionale taal als het Fries, zij het met minder rechten. Deel II Handvest met doelstellingen en beginselen is op beide talen van toepassing verklaard. Echter, alleen voor het Fries heeft de Nederlandse overheid zich gebonden aan de rechten en verplichtingen voortvloeiend uit Deel III ter bevordering van het gebruik in het openbare leven.

De Nederlandse overheid heeft vanaf het begin geweigerd haar verplichtingen voor het Limburgs onder het Handvest na te komen, terwijl zij die voor het Fries wel nakomt. De Raad van Europa, toezichthouder op de naleving van het Handvest, is het niet eens met de ongelijke behandeling van het Limburgs ten opzichte van het Fries. Alleen Deel II toepassen staat trouwens ook op gespannen voet met de geest van het Handvest, omdat Deel III de essentie van de bescherming biedt. In de praktijk hebben zeer weinig verdragspartijen voor alleen toepassing van Deel II gekozen en is de Nederlandse Staat hiermee een buitenbeentje binnen Europa.

Na twintig jaar druk door de Raad van Europa is de Nederlandse overheid nu wel bereid haar houding te veranderen, omdat Nederland is geïsoleerd binnen Europa. De nationale overheid schendt het Handvest door haar verplichtingen voor het Limburgs (en het Nedersaksisch) niet na te komen. Den Haag onderhandelt daarom met vertegenwoordigers van het Nedersaksisch over een ‘convenant’, een soort juridisch niet-bindende bestuursafspraak voor steun aan die regionale taal.

Sommigen binnen het Limburgse zien zo’n convenant ook voor het Limburgs wel zitten. Een zelfde wettelijke regeling zoals voor het Fries zou voor het Limburgs niet nodig zijn. Als jurist kan ik daarvoor alleen maar voor waarschuwen.
Zo’n convenant zet het Limburgse taalbeleid nog eens 20 jaar in de ijskast. Zonder juridische afspraken ontbreekt het bij zo’n convenant aan een afdwingmogelijkheid via het nationale recht om te zorgen dat de nationale overheid zich eraan houdt. Dit convenant is drijfzand, omdat Limburgs taalbeleid daarmee afhankelijk wordt van de politieke wil van wisselende regeringscoalities en de onvoorspelbare houding van de rijksoverheid en haar ambtenaren ten opzichte van het Limburgs.

Desastreus is dat zo’n convenant de Nederlandse overheid een argument verschaft om de Raad van Europa buiten spel te zetten. Een convenant is een puur binnenlandse afspraak. Over naleving ervan kan de Raad geen controle en druk op de nationale overheid uitoefenen. Een Limburgs taalbeleid heeft dan geen internationale bondgenoot en geen poot om op te staan.

De steeds grotere druk de afgelopen twintig jaar van de Raad van Europa werkt. Hiervan getuigen recente intitiatieven van de nationale overheid: het Streektalensymposium in Deventer in november van 2017, georganiseerd door het Ministerie van Binnenlandse Zaken, én de wil van BiZa te onderhandelen over een convenant. Een wettelijke regeling voor een regionale taal werkt ook. Het Fries heeft, juist door een juridische verankering in Deel III Handvest en nationaal recht, een duurzaam taalbeleid met de rijksoverheid kunnen ontwikkelen met miljoenen euros steun.
Zo’n juridisch kader voor het Limburgs is ook wettelijk vereist. De verschillende behandeling van Limburgs en Fries schendt enkele belangrijke juridische normen: het gelijkheidsbeginsel van de Grondwet, de geest van het Handvest en verschillende voor Nederland geldende internationale verdragen met een discriminatieverbod op grond van taal.
De Nederlandse overheid staat in het ongelijk. De juridische weg is een lange, maar de aanhouder wint. Vraag dat maar aan de Friezen. Een wettelijke basis gelijk aan die van het Fries is mogelijk. Zo’n wettelijke basis geeft de enige solide fundering voor een duurzaam taalbeleid voor het Limburgs.

Verschenen op Neerlandistiek.nl, 7 februari 2018.

Erbij horen of niet?

Column van mijn Ph.D Lotte Thissen, Taalcultuur in Limburg, die bij mij op 11 januari 2018 promoveerde:

“Waar kom je vandaan?” Wie deze vraag te horen krijgt, wordt gezien en bestempeld als ‘anders’ of afwijkend van een bepaalde norm. Mijn etnografische onderzoek in de Limburgse stad Roermond ontmoedigt de vraag “waar kom je vandaan?” en termen als ‘autochtoon’ en ‘allochtoon’.

De provincie Limburg wordt vaak geassocieerd met carnaval, katholieken en het gebruik van dialect en de zachte g. Mijn studie naar dagelijkse taalpraktijken van mensen in Roermond laat echter zien dat ‘de provincie’, net als de Randstad, een gebied is waar meertaligheid en culturele diversiteit bestaat. In Roermond vinden er interessante ontmoetingen en combinaties plaats tussen sprekers van wat we zien als dialect, Nederlands, een mondiale taal als Engels en migratie- en mobiliteitstalen als Arabisch en Turks. Daarbij is er een groot verschil tussen wat mensen zeggen dat ze doen en wat zij in werkelijkheid doen; de mede-eigenaar van een supermarkt vond dat het voor hem, als Turk, blöd is om plat (dialect) te praten, maar tijdens mijn veldwerk heb ik hem dagelijks dialect horen spreken met klanten, naast allerlei andere talen.

Mijn onderzoek geeft zo inzicht in de manieren waarop mensen talig met elkaar omgaan in het dagelijks leven in Limburg. Welke talige middelen gebruiken zij om elkaar aan te spreken en het gevoel te hebben er wel of niet bij te horen in een bepaalde plek? Deze kwesties zijn belangrijk in een meertalige en cultureel diverse wereld waarin we elkaar dagelijks bevragen op basis van taal en cultuur over wie dé Nederlander of dé Limburger is en wie niet. Mensen zijn in alledaagse en, op het eerste gezicht, onschuldige ontmoetingen voortdurend grenzen aan het trekken tussen ‘wij’ en ‘zij’ door talige gebruiken. De beschrijvingen van deze dagelijkse ontmoetingen leren ons dat iedereen zich buitenlands of out of place kan voelen, ongeacht of iemand (al generaties lang) uit Roermond komt, uit Den Haag of Marokko. Zo zouden twee mannen in mijn onderzoek, oorspronkelijk geboren in ‘Holland’, ‘autochtoon’ zijn, maar ze blijken zich ‘allochtoon’ te voelen in hun eigen land, in Limburg. Mensen zijn voortdurend bezig met talking in and out of place van zichzelf en anderen, ongeacht hun geboorteplek of achtergrond en wat en hoe ze spreken.

De vraag “waar kom je vandaan?” is daarom nietszeggend en zet een persoon weg als buitenstaander die er niet bij hoort, ook al voelt deze persoon juist het tegenovergestelde. De veldwerkbevindingen uit Roermond tonen dat gevoelens van er wel of niet bij horen sterk afhankelijk zijn van de plekken waarin we ons begeven. Dit maakt termen als autochtoon en allochtoon willekeurige containerbegrippen die mensen beperken en geen inzicht geven in de daadwerkelijke ervaringen en praktijken van mensen.

Het feit dat iemand er ‘anders’ uit ziet of buiten Limburg geboren is, wil niet zeggen dat deze persoon geen dialect spreekt. De vraag “waar kom je vandaan?” of het label “allochtoon” kan dan ook een pijnlijke ervaring opleveren. Ik pleit er daarom voor dat we tijdens ontmoetingen met nieuwe mensen open zijn door eerst te vragen welke taal we kunnen spreken in plaats van meteen Nederlands, Engels, dialect of welke taal dan ook te kiezen.

Verschenen op Neerlandistiek.nl op 25 januari 2018.

Nieuwjaarsboodschap Taalunie

Illustratie: Jochem Galama

Onder de ‘beste-wensen’-boodschappen kreeg ik ook de nieuwjaarsfolder Tal van Talen. In en Om het Nederlands van de Taalunie onder ogen. De folder visualiseert en verwoordt de boodschap van de Taalunie anno 2018: Nederland is rijk aan variatie en meertaligheid. Een strip, zoals op de voorkant van de folder te zien is, bevat noodgedwongen een dosis versimpeling in de poging om de complexiteiten van taalvariatie en meertaligheid als een soort netwerk van knooppunten in kaart te brengen.

Meer precies beeldt de strip uit dat talen aan plekken en zelfs heel expliciet aan gebouwen in Nederland en België verankerd zijn. Nederlands, Duits, Engels en Frans vormen een talig knooppunt binnen de schoolmuren; Nederlands, Arabisch, Turks, Hebreeuws en Tamazight (plus een hokje met daarop ‘andere talen’) in moskee- en kerkgebouwen; streektalen vormen een talig knooppunt binnen een veestal met koeien ervoor; Engels, Fries en Nederlands verkeren in een monumentaal schoolpand; Fryslân is ‘het land van taal’ en ‘meng-variëteiten’ (?) verkeren in wolkenkrabbers. In het knooppunt sociale media is Tamazight, Nederlands, Russisch, Italiaans en Turks geplaatst; op een cv mag Nederlands, Frans, Duits en Hindi; in de bouw en in het modevak is Nederlands toereikend.

Nu kan een bijbehorende tekst de stereotypen in de strip – taal als een statisch verschijnsel verankerd aan plekken/gebouwen – zo loszingen dat hij de noodzakelijke verwondering bij de lezer oproept. Deze verwondering biedt dan ruimte om de visie van de Taalunie over taalvariatie en meertaligheid anno 2018 uit te dragen en welk beleid zij gaat inzetten. Maar de kabbelende tekst vermijdt hete hangijzers voor dat beleid. Zo’n heet hangijzer is of het Nederlands in Nederland en Vlaanderen wel bij uitstek de voertaal is in sociaal verkeer zoals de folder suggereert. Ik zou de schrijver graag willen uitnodigen in mijn huizenblok waar Tamazight de dagelijkse voertaal is, de Oude Hoogstraat in Amsterdam waar Engels de voertaal in de horeca is en in Geulle waar het Limburgs de voertaal is. Is het Tamazight dan nog wel een vreemde taal?

Nog een heet hangijzer: de folder informeert uitvoerig in welke landen het Nederlands over de wereld voorkomt, waar het wel of geen erkenning heeft, en hoe belangrijk zo’n erkenning is voor de sprekers ervan. Welnu, dit Nederlands elders divergeert in taalkundig opzicht aanzienlijk, maar wat onduidelijk blijft, is hoe de Taalunie de spanning tussen het label Nederlands en de aanzienlijke taalkundige verschillen ziet. Want het zijn juist die ongedefinieerde ‘varianten’ waar de Taalunie het moeilijk mee heeft. Hoewel de folder met graagte informeert over de erkenning van het Nederlands elders, kan het niet uit de pen krijgen dat de Nederlandse overheid eind jaren negentig het Fries, het Nedersaksisch en het Limburgs als streektalen onder het Europees Handvest voor Regionale Talen en Minderheidstalen erkend heeft. Deze politieke erkenning betekent dat de Taalunie het Limburgs in Nederland niet als quasi-Nederlands mag wegcijferen; in België mag dat echter wel, omdat België dit handvest nooit heeft willen ratificeren. In Nederland zijn sprekers van Limburgs niet alleen in hun eigen taalbeleving, maar ook wettelijk meertalig; in België ligt dat minder duidelijk: wettelijk gezien is hun Limburgs gewoonweg (afwijkend) Nederlands. Dat is voor een bi-nationale instantie als de Taalunie lastig maar de werkelijkheid is nu eenmaal niet anders. In zijn poging om verhullend met die problematiek om te gaan, is de folder krampachtig en inaccuraat. Het Brabants wordt een streektaal genoemd, Fries als taal lijkt los te staan van erkenning onder datzelfde Europese Handvest en het Limburgs krijgt hoogstens de status van dialect mee.

Anderzijds suggereert de folder dat stileringen in het Nederlands zoals omgangstaal, straattaal en etnolecten aparte talen zijn, want anders dan de streektaal-koeienstal krijgen zij ieder een knooppunt in de strip.

De internationale sociolinguïstiek beziet taal al lang niet meer als een bezit van een land of van een plek of van een groep sprekers maar als een praktijk, een activiteit tussen taalgebruikers waarin dingen gebeuren zoals taalkeuze, code-mixen, luistertalen, het gebruik van een lingua franca, de taal van de ander of wat dan ook om een bepaald iets te bereiken en/of om sociale betekenis aan de wereld om ons heen te geven zoals vriendschap, autoriteit, legitimiteit, authenticiteit, herkomst, familie, erbij horen, gender, leeftijd, intimiteit, sociale klasse, ontwikkeling kennis. Bij deze analyse hoort het inzicht dat ‘taal’ gekoppeld aan nationale, provinciale of gemeentelijke administratieve grenzen een politiek construct is en dat taal daarnaast ook een taalkundig, cognitief, sociaal en cultureel construct is. In die visie zou het geen enkele verwondering wekken om Tamazight in een veestal te horen en een streektaal in een wolkenkrabber. Het afbakenen van taalvariatie en van meertaligheid is afhankelijk van de actoren en de context en het doel waarbinnen dit gebeurt en de identificaties die sprekers beogen. De gelegenheid om de relaties van de Taalunie te informeren over deze gangbare inzichten in taalvariatie en meertaligheid is hier jammer genoeg niet benut.

Verschenen op Neerlandistiek.nl, 2 januari 2018,
en in het Mestreechs op Veldeke.net

Gebarentaal

Mijn laatste column in De Limburger wijd ik graag aan meertalige kinderen die extra zorg in het onderwijs nodig hebben. Dove en slechthorende kinderen, net als kinderen met autisme of kinderen met een taalontwikkelingsstoornis (TOS) communiceren op meerdere manieren om hun boodschap over te brengen. Vaak ontbreekt een perspectief op deze manieren, evenals op de kwetsbaarheid en cognitieve, sociale en emotionele ontwikkeling van deze kinderen.

Met Anja van Schijndel, docent Opleidingscentrum Speciale Onderwijszorg, en nog vele andere collega’s van Fontys, Campus Sittard en LBRT organiseerden we begin november een interactieve taalthemamiddag waarin we actief in gesprek gingen met ouders, kinderen en jongeren zelf, opvoedings- en onderwijsprofessionals, studenten en onderzoekers. Het doel van de workshop was ideeën als ‘kinderen met autisme hebben geen gevoelens’ of ‘communicatie vindt altijd plaats door gesproken taal’ de wereld uit te helpen en onderzoekers uit te dagen de dagelijkse leefwereld van kinderen die zij bestuderen in te stappen.

Beppie van de Bogaerde, Hoogleraar Nederlandse Gebarentaal, benadrukt dat dove en slechthorende kinderen vaker leerkrachten aanraken en dat dit voor hen een overlevingsstrategie is. Met aanraken krijgt een leerling de visuele aandacht die noodzakelijk is om te kunnen communiceren in gebarentaal. Gebarentalen zijn net als het Limburgs of Engels echte talen met een eigen woordenschat en grammatica, alleen zijn bij deze taal ook je handen, en ook de stand van je hoofd en gezichtsuitdrukking cruciaal.

95 procent van dove kinderen is geboren in gezinnen met horende ouders en dove kinderen komen nooit of pas later, vaak na of rond de leeftijd van vier in aanraking met gebarentaal. Deze kinderen zijn dus extra kwetsbaar in hun taalontwikkeling omdat zij meestal geen gebarentaal en gesproken taal (door hun doofheid) goed aangeboden krijgen tot hun vierde. Ouders kunnen best gebarentaal leren maar zij neigen, net als professionals, toch naar gesproken taal om met dove kinderen te communiceren.

Volgens Beppie zijn er 125 tot 135 gebarentalen in de wereld gevonden. Taal is een expressie van een gemeenschap en gebarentaal verschilt dus ook per gemeenschap. Meestal ontstaan dovengemeenschappen daar waar kinderen langere tijd bij elkaar moeten verblijven voor hun onderwijs zoals in internaten. In Nederland zijn er vijf dovenscholen geweest waarvan drie internaten in Voorburg, Groningen en st. Michielsgestel en daar is inderdaad een specifieke gebarentaalcultuur ontstaan. In Voorburg stond het internaat positief tegenover gebarentaal, in st. Michielsgestel kreeg vooral het spreken en liplezen de voorkeur terwijl Groningen meer voor een meertalige communicatie was.

Gebarentaal is net zo rijk als gesproken taal: er bestaan dialecten, er is onderscheid in formele en informele gebarentaal en er is jongerengebarentaal. Een kind dat met gebarentaal in Hong Kong opgegroeid is, moet zeker hier de Nederlandse Gebarentaal leren. De Nederlandse gebarentaal kent dialectverschillen in woorden en in het equivalent van klanken, de kleinste samenstellende delen van gebaren, zoals handvorm en plaats in de ruimte. Het Groningse gebaar voor jarig vindt plaats door een gebaar op de bovenarm te maken omdat kinderen daar vroeger koek opgebonden kregen als zij jarig waren; elders in Nederland wordt het gebaar voor jarig voor de buik gemaakt. Alleen in Amsterdam is het werkwoord verhuizen uit te drukken door een takelbeweging te maken.
Het wordt tijd dat de Nederlandse Gebarentaal ook door de Nederlandse overheid erkenning krijgt onder het Europees Handvest voor Regionale talen en Minderheidstalen.

In deze laatste column bedank ik iedereen die mij de afgelopen jaren geschreven, gebeld of gesproken heeft om mij kennis, ideeën, gevoelens, wensen en meningen over dialect en meertaligheid in Limburg duidelijk te maken. Ik hoop dat iedereen me straks nog kan vinden, of via mijn UM e-mail adres of via mijn Nederlandstalige website waar alle activiteiten die de leerstoel voor Limburg organiseert, te vinden zijn.

Column 106 in De Limburger/Limburgs Dagblad, 11 december 2017.

Interculturele communicatie

Een droomstage voor student en begeleider is het beantwoorden van vragen die de overheid stelt zoals het politieteam Horst aan de Maas en de gemeenten Horst en Peel aan de Maas. Zij willen weten of hun informatie Poolse arbeidsmigranten bereikt? De regio Noord-Limburg herbergt immers meer dan elders in Nederland, Poolse en andere Oost-Europese arbeidskrachten.

Paulina Wołoszyn, MA-student Interculturele Communicatie aan de Universiteit van Utrecht, studeerde Neerlandistiek aan de Universiteit van Wrocław en Wenen. Zij voerde stageonderzoek uit aan het Meertens Instituut om antwoorden te zoeken op de vraag of de interculturele communicatie tussen de gemeenten en Polen efficiënter kan? Ze observeerde daartoe in Horst aan de Maas en Peel en Maas, hield interviews met Polen en nam hen schriftelijke enquêtes af in winkels en supermarkten. Sommige Polen vonden Paulina maar een vreemde Poolse. De winkelmedewerker van ‘Polo-Smak’ in Horst zei, toen Paulina groetend binnenkwam met dzień dobry (goedendag): ‘Je ziet er niet uit als een Pools meisje. Je draagt andere kleren, je hebt een ander gezicht, je gedraagt je ook anders.’ Voor anderen was Paulina niet vreemd: een Poolse vrouw met haar vriendinnen nodigde haar uit om mee te gaan naar het café en de discotheek The Shuffle in Horst.

Voortdurend ontstaan er misverstanden onder (Poolse) arbeidsmigranten. De gemeente heeft daarom een informatiepunt opgericht zoals het Service Point in Meterik en geeft ook informatiebrochures uit in het Pools die Polen nodig hebben om in Nederland te kunnen functioneren. Een brochure legt bijvoorbeeld het onderwijssysteem in Nederland uit zodat ouders weten wanneer en welke school zij voor hun kind moeten kiezen. Voor Poolse ouder(s) is het volslagen nieuw dat zij de school moeten bellen als hun kind ziek is. ‘Mijn kind was een beetje ziek (…). Na een uur kreeg ik telefoontjes van de school van bezorgde leraren met vragen of ik wist waar mijn kind was. Ik wist niet dat ik al op die dag de school moest opbellen’, vertelt een jonge Poolse moeder in Sevenum. Andere brochures informeren over de Nederlandse gezondheidszorg en hoe het Poolse rijbewijs in te wisselen voor een Nederlandse. De gemeenten kunnen ook tolken leveren en zelfhulporganisaties ondersteunen. De workshop Kiwaczek ‘iemand die twijfelt’ adviseert Polen hoe en waar ze hun toekomst kunnen opbouwen. Er zijn eveneens brochures over taalcursussen Nederlands of ambtenaren leren zelf Pools om de communicatie te versoepelen zoals sommige teamleden van de politie in Horst aan de Maas.

Paulina kan door haar grondig onderzoek de gemeente inderdaad adviseren hoe de communicatie met Poolse arbeidsmigranten te verbeteren. Poolse arbeidsmigranten vragen vooral om concrete informatie hoe ze iets moeten regelen. Een Poolse vrouw in het adviesbureau in Horst vertelt: ‘Ik zou graag ergens informatie willen vinden maar dan in korte stappen, bondig en duidelijk’. Sommige brochures zijn te lang en overladen met tekst. Door de tekst in te korten en te ondersteunen met plaatjes wordt de informatie begrijpelijk. Sommige brochures hebben een betere vertaling in het Pools nodig en zouden moeten liggen waar Polen vaak komen: winkels, adviesbureaus, uitzendbureaus en campings. De informatiewebsite van de gemeente in het Pools zit nu te diep onder Nederlandstalige pagina’s verstopt; informatie in het Pools zou met een muisklik zichtbaar moeten zijn. Uit de interviews blijkt dat vaste migranten graag willen integreren in de Nederlandse samenleving en relaties met hun buren willen opbouwen. Maar ze weten niet hoe en schamen zich voor hun gebrekkige Nederlands en onkunde over de Nederlandse cultuur. Een intercultureel specialist zoals Paulina die het Poolse en Nederlandse perspectief beheerst kan deze culturele onzekerheden oplossen.

Column 105 in De Limburger/Limburgs Dagblad, 27 november 2017.

Taalbeleid peuterzalen

Tijdens het streektaalsymposium, georganiseerd door het Ministerie van Binnenlandse Zaken in Deventer, heb ik gepleit voor een taalbeleid voor peuterspeelzalen in Limburg. Hoe ben ik tot dit advies gekomen? (Groot)ouders vertellen: ‘Ons kind weigert sinds de peuterspeelzaal Limburgs te spreken, ook al houden we thuis Limburgs aan.’ Juist peuterspeelzalen, veel meer dan basisscholen, blijken het spreken van een regionale taal een halt toe te roepen. Ook elders in Europa is dat zo. Uit het onderzoek van Gino Morillo Morales, uitgevoerd aan het Meertens Instituut en Radboud Universiteit, is inmiddels wel duidelijk wat er aan de hand is.

Op de peuterspeelzaal leren peuters snel de sociale betekenis van het gebruik van Limburgs en Nederlands. Nederlands betekent dat je moet opletten als peuter, dat je instructie krijgt, dat je in een hiërarchische relatie staat met je leerkracht en dat je iets nieuws aan het leren bent wat belangrijk is. Het Nederlands heeft ook een centrale plek: in de kringgesprekken midden in het lokaal. Het Limburgs daarentegen legt een informele een-op-een relatie tussen peuter en leerkracht waarbij andere kinderen de leerkracht mogen negeren want het gebruik van het Limburgs is niet bedoeld om schoolkennis over te dragen. Het Limburgs heeft vaker een marginale plek: in de gang en op de speelplaats. Deze sociale betekenis van taalkeuze tussen Nederlands en Limburgs op de peuterspeelzaal, is funest voor de doorgifte van Limburgs aan de jongste generaties.

De interpretatie van het spreken van Limburgs en Nederlands is historisch bepaald. Vanuit een rationele visie zijn peuterspeelzalen instituties die het Nederlands verspreiden en voor kinderen mogelijkheden creëren om hogerop te komen. De peuterspeelzaal kiest voor Nederlands omdat het idee is dat communicatie in deze variëteit in het hele land met iedereen probleemloos verloopt simpelweg omdat het geografisch en sociaal een neutrale variëteit zou zijn. Volgens dit idee overkoepelt het Nederlands alle dialectgebieden en behoort het niemand toe. Door het Nederlands kan een peuter dus participeren met en zich emanciperen in de wereld van leren, politiek en hogere cultuur.

De romantische visie laat ons weten dat taalvariatie een realiteit is. Het Limburgs drukt rechtstreeks de essentie van een gemeenschap of van sprekers uit en met het spreken ervan laat iemand weten een authentieke Limburger te zijn.

Het wordt tijd om het goede van beide visies te behouden en datgene op te heffen dat belemmerend werkt voor de overdracht van het Limburgs aan de jongste generaties. Enerzijds kan dat door te beseffen dat het Nederlands helemaal niet zo geografisch neutraal is. Ook het Nederlands in Limburg is volgens velen niet het goede Nederlands zoals dat van de Randstad en belemmert het op nationaal niveau een soepele communicatie. Het Nederlands is ook sociaal niet neutraal want scholen bevorderen meestal die leerlingen die thuis al bekend zijn met het goede Nederlands. Anderzijds kan het spreken van Limburgs losgekoppeld worden van een claim op authentiek Limburgerschap. Ook nieuwkomers kunnen prima het Limburgs leren en spreken.

Wat L1 Nieuws verleden week meldde over de leerkrachten van de peuterspeelzalen klopt helemaal niet. De leerkrachten staan zeer positief tegenover het spreken van Limburgs in de peuterspeelzaal maar hebben hiervoor ondersteuning nodig. Voor de peuterspeelzaal is mijn advies, geïnspireerd door het taalbeleid in Friesland: voor iedere groep peuters staan twee gelijkwaardige leerkrachten. Een leerkracht spreekt altijd in elke activiteit Nederlands, de andere spreekt altijd in elke activiteit Limburgs. Deze gelijkwaardigheid in gebruik van beide talen moet de hiërarchie tussen Limburgs en Nederlands op de peuterspeelzalen doorbreken. Nog mooier zou het zijn als alle thuistalen van de peuters het leren van nieuwe kennis zouden (mogen) ondersteunen.

Column 104 in De Limburger/Limburgs Dagblad, 13 november 2017.

Streektaalsymposium

Streektaalliefhebbers komen aan hun trekken want naast het symposium van de Stichting Nederlandse Dialecten (SND), afgelopen 13 oktober, organiseert ook het Ministerie van Binnenlandse Zaken (BZK) op 7 november een streektaalsymposium in de schouwburg in Deventer.

De SND programmeerde taalkundigen die zich over de vraag bogen of een streektaal talig te definiëren is. Het antwoord op deze vraag is een academische discussie: het is taalkundigen nooit gelukt om voor welke taal dan ook unieke verschijnselen te achterhalen die niet gedeeld worden met andere (buur)talen. Het Nederlands en het Duits als talen zijn ontstaan door eerst nationale grenzen te trekken die het territorium van Nederland en Duitsland vaststellen. Die nationale grenzen zijn het gevolg van machtsstructuren van overheden. Door nieuwe nationale grenzen promoveerde bijvoorbeeld het Lëtzebuergs van een (Moezel-Frankisch) dialect tot de nationale taal van Luxemburg. Daarna beleven mensen die territoria cultureel, sociaal, economisch of talig als een eenheid. Nederland ervaren we cultureel als een eenheid omdat we feesten als Sinterklaas herkenbaar Nederlands vinden en niet Duits. Zo zien we Nederland ook als een talige eenheid die zich van het Duits onderscheidt. Maar de talige werkelijkheid is oneindig complex. Het Duits kent drie lidwoorden: mannelijk der, vrouwelijk die en onzijdig das en het Nederlands twee: onzijdig het en niet-onzijdig de. Maar Brabantse en Limburgse dialecten onderscheiden eveneens drie lidwoorden en lijken daarin op het Duits.

Het onderscheid tussen een taal, streektaal of dialect is een zaak van sprekers zelf. Vinden sprekers dat het Nederlands een andere taal is dan het Duits? En ervaren zij het spreken van het Nederlands als cruciaal onderdeel van hun Nederlandse identiteit? Zo ervaren streektaalsprekers dat hun taal zich van het Nederlands onderscheidt en identificeren zij zich met die taal als authentieke Friezen, Nedersaksen of Limburgers. Uit recent onderzoek van deze krant en het Limburgs Museum blijkt dat 53 procent van de ondervraagden in een enquête van bureau Flycatcher invult dat de Limburgse identiteit bedreigd wordt: 73 procent van hen wijst verwatering van de dialecten als oorzaak aan. Zulke gevoelens zijn ook landelijk te vinden aangaande de verdringing van het Nederlands door het Engels. De verhitte debatten over de invoering van het Engels in het Nederlands hoger onderwijs is daar slechts een klein voorbeeld van.

De erkenning van streektalen is dan ook geen taalkundige kwestie maar een van politieke wil en politieke ondersteuning om aan identificaties van sprekers recht te doen. Immers, sprekers van dialecten en streektalen én van het Nederlands in de landranden zijn niet gelijkwaardig aan de sprekers van het ‘goede’ Nederlands uit de Randstand. Vandaar dat zij en de Randstedelijke sprekers altijd in politieke machtsverhoudingen verwikkeld zijn.

Het doel van het symposium van BZK is na te gaan welke beleidsafspraken er nodig zijn om het gebruik van de erkende streektalen te stimuleren. De gedeputeerde Koopmans spreekt over het Limburgs dat in zijn ogen mooi is en belangrijk voor een eigen culturele identiteit. Eveneens presenteren zich daar jonge onderzoekers die met inspanning een vertrouwensband met sprekers van het Limburgs hebben opgebouwd. Jolien Makkinga (Meertens Instituut/UM) vertelt hoe het gebruik van het Limburgs al dan niet kan bijdragen tot het zich thuis voelen in een verzorgingstehuis. Diana Camps (Oslo) vertelt welke waarden mensen hechten aan bepaalde spellingsregels van het Limburgs. Het BZK-symposium verdiept zich dus in de sprekers zelf en de sociale betekenis van streektaal in zorg en onderwijs. Zij komen met adviezen hoe aan die belevingen, ervaringen, ideeën en emoties van sprekers recht te doen in streektaalbeleid. Die streektaal geeft immers een gevoel van eigenwaarde, zelfbewustzijn en zelfredzaamheid en is een belangrijk houvast in een complex gevoelde samenleving.

Column 103 in De Limburger/Limburgs Dagblad, 30 oktober 2017.