Streektaalsymposium

Streektaalliefhebbers komen aan hun trekken want naast het symposium van de Stichting Nederlandse Dialecten (SND), afgelopen 13 oktober, organiseert ook het Ministerie van Binnenlandse Zaken (BZK) op 7 november een streektaalsymposium in de schouwburg in Deventer.

De SND programmeerde taalkundigen die zich over de vraag bogen of een streektaal talig te definiëren is. Het antwoord op deze vraag is een academische discussie: het is taalkundigen nooit gelukt om voor welke taal dan ook unieke verschijnselen te achterhalen die niet gedeeld worden met andere (buur)talen. Het Nederlands en het Duits als talen zijn ontstaan door eerst nationale grenzen te trekken die het territorium van Nederland en Duitsland vaststellen. Die nationale grenzen zijn het gevolg van machtsstructuren van overheden. Door nieuwe nationale grenzen promoveerde bijvoorbeeld het Lëtzebuergs van een (Moezel-Frankisch) dialect tot de nationale taal van Luxemburg. Daarna beleven mensen die territoria cultureel, sociaal, economisch of talig als een eenheid. Nederland ervaren we cultureel als een eenheid omdat we feesten als Sinterklaas herkenbaar Nederlands vinden en niet Duits. Zo zien we Nederland ook als een talige eenheid die zich van het Duits onderscheidt. Maar de talige werkelijkheid is oneindig complex. Het Duits kent drie lidwoorden: mannelijk der, vrouwelijk die en onzijdig das en het Nederlands twee: onzijdig het en niet-onzijdig de. Maar Brabantse en Limburgse dialecten onderscheiden eveneens drie lidwoorden en lijken daarin op het Duits.

Het onderscheid tussen een taal, streektaal of dialect is een zaak van sprekers zelf. Vinden sprekers dat het Nederlands een andere taal is dan het Duits? En ervaren zij het spreken van het Nederlands als cruciaal onderdeel van hun Nederlandse identiteit? Zo ervaren streektaalsprekers dat hun taal zich van het Nederlands onderscheidt en identificeren zij zich met die taal als authentieke Friezen, Nedersaksen of Limburgers. Uit recent onderzoek van deze krant en het Limburgs Museum blijkt dat 53 procent van de ondervraagden in een enquête van bureau Flycatcher invult dat de Limburgse identiteit bedreigd wordt: 73 procent van hen wijst verwatering van de dialecten als oorzaak aan. Zulke gevoelens zijn ook landelijk te vinden aangaande de verdringing van het Nederlands door het Engels. De verhitte debatten over de invoering van het Engels in het Nederlands hoger onderwijs is daar slechts een klein voorbeeld van.

De erkenning van streektalen is dan ook geen taalkundige kwestie maar een van politieke wil en politieke ondersteuning om aan identificaties van sprekers recht te doen. Immers, sprekers van dialecten en streektalen én van het Nederlands in de landranden zijn niet gelijkwaardig aan de sprekers van het ‘goede’ Nederlands uit de Randstand. Vandaar dat zij en de Randstedelijke sprekers altijd in politieke machtsverhoudingen verwikkeld zijn.

Het doel van het symposium van BZK is na te gaan welke beleidsafspraken er nodig zijn om het gebruik van de erkende streektalen te stimuleren. De gedeputeerde Koopmans spreekt over het Limburgs dat in zijn ogen mooi is en belangrijk voor een eigen culturele identiteit. Eveneens presenteren zich daar jonge onderzoekers die met inspanning een vertrouwensband met sprekers van het Limburgs hebben opgebouwd. Jolien Makkinga (Meertens Instituut/UM) vertelt hoe het gebruik van het Limburgs al dan niet kan bijdragen tot het zich thuis voelen in een verzorgingstehuis. Diana Camps (Oslo) vertelt welke waarden mensen hechten aan bepaalde spellingsregels van het Limburgs. Het BZK-symposium verdiept zich dus in de sprekers zelf en de sociale betekenis van streektaal in zorg en onderwijs. Zij komen met adviezen hoe aan die belevingen, ervaringen, ideeën en emoties van sprekers recht te doen in streektaalbeleid. Die streektaal geeft immers een gevoel van eigenwaarde, zelfbewustzijn en zelfredzaamheid en is een belangrijk houvast in een complex gevoelde samenleving.

Column 103 in De Limburger/Limburgs Dagblad, 30 oktober 2017.

‘Straattaal in Nederland’ 1997-2017

Door Leonie Cornips & Vincent de Rooij

Eind 1997 brak er in Nederland een moral panic los over de vermeende verloedering van het Nederlands van jongeren van vooral Surinaamse, Turkse, Marokkaanse of Antilliaanse afkomst. In een artikel van Frans van Deijl in Het Parool van 24 december 1997, werd dit taalgebruik door middelbare schooldocenten aangeduid als ‘smurfentaal.’ Met deze benaming wilden ze aangeven dat het hier ging om een lexicaal verarmde variant van het Nederlands. Een variant die bovendien voor buitenstaanders onverstaanbaar was door het mengen van Nederlands, Arabisch, Turks, Surinaams, en garant zou staan voor achterblijvende leerprestaties. De docenten in van Deijl’s artikel legden verder een sterk verband tussen het spreken van ‘smurfentaal’ en gewelddadig gedrag. Sociolinguïst René Appel bestreed deze negatieve beeldvorming rondom het gemengde taalgebruik van jongeren. Het voor de buitenwacht vaak grove en beledigende van ‘straattaal’uitingen had volgens Appel vaak het karakter van ‘ritual insult’ en was dus eerder speels en gespeeld dan echt gewelddadig. In de media en in wetenschappelijk onderzoek legde hij uit dat een gebrekkige kennis van het Nederlands niet de enige verklaring is voor deze nieuwe manier van spreken. De soepele, vloeiende manier waarop jongeren Nederlands mengen met woorden uit andere talen maar ook vorm en betekenis van Nederlandse woorden veranderen, veronderstelt juist een solide kennis van het Nederlands. Appel introduceerde ook – met succes – de term ‘straattaal’ als alternatief voor het denigrerende ‘smurfentaal.’
De term ‘straattaal’ vond vlot ingang, ook bij de sprekers ervan. En we hoorden ook steeds meer ‘straattaal’ op tv en op de radio, vooral van bekende hiphopartiesten. Veel mensen, niet alleen jongeren, wilden meer weten over ‘straattaal’ en gingen zelf woorden afkomstig uit ‘straattaal’ gebruiken. Ook veel witte Nederlandse jongeren gingen ‘straattaal’ begroetings- en afscheidsformules gebruiken (‘fa(wa)ka G’ hoe gaat het man/vriend? G is een afkorting van gangster). Meerdere websites, aosl http://straatwoordenboek.nl en straattaal.com, begonnen ‘straattaal’woorden te verzamelen waardoor deze voor iedereen toegankelijk werden.
‘Straattaal’ brak als het ware uit de negatieve beeldvorming en werd tot op zekere hoogte genormaliseerd. Zo inspireerde het vrijelijk mengen van talen door ‘straattaal’ sprekers Dichter des Vaderlands Ramsey Nasr in 2009 tot zijn gedicht ‘mi have een droom’ waarin een 66-jarige Rotterdammer in het jaar 2059 tot ons spreekt in het ‘Rotterdams van de toekomst’ (NRC Handelsblad, 25 september 2009):

“wullah, poetry poet, let mi takki you 1 ding: di trobbi hier is dit
ben van me eigen now zo 66 jari & skerieus ben geen racist, aber
alle josti op een stokki, uptodate, wats deze shit? ik zeg maar zo
mi was nog maar een breezer als mi moeder zij zo zei: “azizi
doe gewoon jij, doe je gekke shit genoeg, wees beleefd, maak geen tsjoeri
toon props voor je brada, zeg ‘wazzup meneer’, ‘fawaka’ – en duh
beetje kijken op di smatjes met ze toetoes is no trobbi
beetje masten, beetje klaren & kabonkadonk is toppi
aber geef di goeie voorbeeld, prik di chickies met 2 woorden”

Youth for Christ, het Nederlands Bijbelgenootschap en Ark Mission kwamen zelfs met een vertaling, of beter een adaptatie, van het evangelie van Mattheus in straattaal om jongeren te bereiken voor wie gewone bijbelvertalingen ontoegankelijk zijn: De torrie van Mattie (2011):
“De gewoonte was toen om geen seks voor het huwelijk te hebben. Maar Maria bleek ineens pregno te zijn. Jowie kwam er achter en hij was omin depressed, want hij dacht dat ze met een ander gebald had.”
Zelfs minister Edith Schippers die in haar H.J. Schoo-lezing van 2016 stelde dat de westerse Nederlandse cultuur met haar normen en waarden superieur zijn aan alle andere, sprak haar positieve waardering uit voor de uitkomsten van contacten tussen ‘oude’ en ‘nieuwe’ Nederlanders en voegde daaronder ook ‘straattaal’:
“In heel veel zaken ontstaan nieuwe vormen, nieuwe muziek, nieuwe keukens, mode, nieuwe straattaal. Dat is mooi en voegt veel toe aan de samenleving.”
Naast wat je een positieve herwaardering van ‘straattaal’ zou kunnen noemen, bestaat het negatieve beeld waarin een direct verband gelegd wordt tussen het spreken van ‘straattaal’ en deviant, gewelddadig gedrag ook nog steeds. Veel middelbare scholen voeren een anti-‘straattaal’-beleid gemotiveerd door socioloog Ilias el Hadioui’s die stelt dat met ‘straattaal’ de gewelddadige cultuur van de straat de school binnendringt. Er zijn natuurlijk ‘straattaal’sprekers die het schoolklimaat verzieken maar dat wil niet zeggen dat dat geldt voor alle ‘straattaal’sprekers. En daar zit gelijk het probleem met het label ‘straattaal’: het verwijst niet zoals vaak gedacht wordt naar één specifieke variant van het Nederlands met een eigen woordenschat en grammatica die door één specifieke groep jongeren wordt gesproken. ‘Straattaal’ is beter op te vatten als een vrije en creatieve manier van omgaan met de talige middelen die sprekers tot hun beschikking hebben. De functie en waarde van ‘straattaal’ als middel tot identificatie met wisselende groepen mensen en veranderlijke lifestyles zorgt ervoor dat ‘straattaal’ in vele vormen opduikt en steeds in flux is. Wat ‘straattaal’ genoemd wordt is dus niet een taal, of taalvariant in de traditionele zin zoals een dialect, ethnolect of sociolect.
Sinds de nuanceringen die Appel en latere onderzoekers aanbrachten in het negatieve beeld van ‘straattaal’ leiden negatieve en positieve waarderingen van ‘straattaal’ min of meer parallelle levens in de Nederlandse samenleving. Mensen in het onderwijs en gezagdragers die geconfronteerd worden met grensoverschrijdend gedrag van jongeren die ‘straattaal’ spreken houden vaak –begrijpelijk maar ook onnodig – vast aan een uitsluitend negatieve beeld, terwijl mensen die alleen het positieve benadrukken uit het oog kunnen verliezen dat ‘straattaal’ verbonden kan zijn met een lifestyle die grensoverschrijdend is.

Verschenen op Neerlandistiek.nl, 11 oktober 2017.

Ich en zaen dat neet

De Maastrichtse Pieter Willems uit 1885 is een van de eerste dialectologen geweest die de zuidelijke Nederlandse dialecten niet alleen op uitspraak maar ook op zinsbouw wilde onderzoeken. Willems verstuurde een grootschalige vragenlijst aan personen in Zuid-Nederland, België, Luxemburg, Duitsland en Frankrijk. Hij vroeg meestal in het Frans aan een notabele welk dialect uit naburige dorpen of steden volgens zijn beleving op het eigen dialect leek. Vaak hebben een onderpastoor, pastoor, onderwijzer of directeur deze enquête schriftelijk ingevuld. De hoofdonderwijzer in Beek (Jan Louis Nubert Roebrack, geboren in 1851) antwoordt in zijn vragenlijst dat het dialect van Beek waar hij opgegroeid is, lijkt op dat van Meerbeek, Geverik, Kelmond, Geul, Geleen, Stein, Grootgehout en Elsloo.

Willems vermoedde dat sprekers bepaalde zinnen in het dialect niet meer zo vaak zeiden. Zo’n verschijnsel is bijvoorbeeld het kleine woordje en als in ‘ich en lier neet’ dat in 1885 nog ‘hij leert niet’ betekent, net als in het Franse ‘je ne sais pas’ (ik weet het niet) waarin ook het woordje ne voorkomt. In het oud-Nederlands van voor de dertiende eeuw was alleen het woordje en al voldoende om een ontkenning uit te drukken. Men zei en schreef toen: ‘ik en was siec’ voor het huidige ‘ik was niet ziek’. Gaandeweg kreeg het woordje en meer en meer versterking van niet omdat de betekenis van en voor sprekers afzwakte en er niet meer toe deed.

Ook in het Middelnederlands van Vlaanderen en Holland en Drenthe kwam het woordje ne of en voor gecombineerd met niet om de zin ontkennend te maken. Ergens tussen 1600 en 1800 verdwijnt het woordje en volledig uit het Nederlands en blijft alleen niet over. Taalkundig is het heel interessant dat het woordje en in het noordoosten eerst uit de hoofdzin (Ich en leer niet) verdwijnt en pas later uit de bijzin (dat ich niet en leer), misschien omdat het onderwerp (ich) en de persoonsvorm (leer) in de hoofdzin steeds strikter naast elkaar moesten voorkomen. Deze taalverandering zonder en/ne met alleen nog niet begint in het noorden en de rest van het Nederlandse taalgebied volgt min of meer deze taalverandering. Het ene dialect verandert wat later dan het andere.

Ook uit de antwoorden op de vragenlijst van Willems blijkt dat in Limburg en enkele aangrenzende plaatsen in België en Duitsland het gebruik van en/ne in 1885 op zijn retour was. Dit is een late taalverandering vergeleken met Holland. In Heerlen heeft de leraar Jozef Houbert, geboren in 1848, de vragenlijst van Willems ingevuld met ‘ich en zaen dat neet’ maar in Arcen vult onderwijzer P. Timmermans, geboren in 1869 al in dat ‘geen ontkenning met en’ in de hem bekende dialecten te beluisteren valt. De student Cam Pattijn (geboortejaar onbekend) vult fier voor het dialect van Hooghlede in West-Vlaanderen in dat en volkomen gebruikelijk is ‘‘k en kan’t nie lien’ (Ik kan het niet lijden). Nog steeds is en te beluisteren bij sprekers van het West-Vlaams.

De dialectsprekers in Limburg passen zich dus rond 1885 aan het Nederlands en de noordelijke dialecten aan. Dit is dus een talige verandering in het dialect dat de oudere generaties van nu doorvoerden toen zij jong waren. Dat en van hun vader en moeder en opa en oma had voor hen geen betekenis meer. Ouderen kunnen zich nog goed herinneren dat hun (groot)ouder en zei en kunnen ook spontaan voorbeelden van die zinnetjes geven.

Op zijn beurt verzwakt momenteel in gesproken taal ook het woord niet in betekenis. Kinderboeken dragen titels als ‘Ik ben nooit niet bang’ waarin nooit de ontkenning duidelijker moet maken.

Column 102 in De Limburger/Limburgs Dagblad, 2 oktober 2017.

Dialectwoordenboeken

Het begeleiden van studenten als stagiaires aan het Meertens Instituut is inspirerend omdat zij met het Limburgs als onbekende taal in aanraking komen. Brenda Assendelft definieert zich als Randstedeling. Zij is summa cum laude afgestudeerd aan de Universiteit Leiden maar daarvoor heeft zij onderzocht welke motivaties mensen hebben om over een dialect in Limburg te schrijven en te publiceren.

Brenda heeft daartoe 186 geschreven bronnen onderzocht zoals woordenboeken, spreekwoordenboeken, scheldwoordenboeken, grammatica’s, spellingvoorschriften of aanwijzingen, uitspraakvoorschriften of aanwijzingen, leesplankjes, lesmethodes (cursussen, schoolboekjes), plaatsnaambordjes, dialectliteratuur en vertalingen van bekende stripverhalen zoals als ‘Ne gansen toer van Asterix, De bokkeriejersj van Suske en Wiske, Bompa en Bomma Pluis van Nijntje en Iech bin Kwakker van Kikker. Ook leesplankjes en plaatsnaambordjes horen tot geschreven bronnen omdat zij, net als lesmethodes, woorden in een bepaalde spelling vastleggen. Brenda heeft alle voorwoorden, verantwoordingen, inleidingen en flapteksten bestudeerd om de motieven, doelen en functies van die bronnen te achterhalen, en de verwachtingen van de schrijver of samensteller bij het uitgeven ervan.
De redenen om bijvoorbeeld een woordenboek samen te stellen zijn talrijk. Brenda kwam tegen: uit eigen interesse of plezier van de schrijver; een bijdrage leveren aan de wetenschap; het eigene van het dialect typeren; een grotere waardering voor en het gebruik van het dialect stimuleren; de belangstelling voor het dialect vergroten; het dialect doorgeven aan het nageslacht, het dialect willen behouden; ondersteuning bieden om het dialect correct of beter te spreken, lezen of te schrijven; verwerving van het dialect als tweede taal; het uit elkaar houden van het Nederlands en het dialect, en het niet eens zijn met eerdere publicaties over een bepaald dialect of deze juist aanvullen.
Jongeneel (1884), Robroek (2004) en Kars (2005) zijn voorbeelden van interesse en plezier in het dialect hoewel Jongeneel (1884) en Kars (2005) zelf niet uit Limburg komen. Kars (2005) schrijft: ‘Toen ik in 1987 als Hollandse immigrant in Limburg probeerde te integreren, had ik geen flauw vermoeden dat het merkwaardige buitenlands dat ik alom om mij heen hoorde, mij zo zou gaan bezighouden dat er een woordenboek uit zou voortkomen.’
Vooral publicaties uit de negentiende en begin twintigste eeuw willen een bijdrage leveren aan de wetenschap zoals Franquinet (1851-1852), Mertens (1885), Simons (1889) en Endepols (1924). Jongeneel (1884) schrijft: ‘Voor de uitgaaf pleitten m.i. de toenemende belangstelling in de studie der inheemsche tongvallen, welke zich in ons vaderland begint te vertoonen, en het nut, dat zulk een onderzoek voor de taalwetenschap hebben kan.’
Na de Tweede Wereldoorlog dringt het behoud van het dialect zich op de voorgrond. Het dialect raakt onder invloed van het Nederlands en verandert ook door immigratie en mondialisering. Een aantal publicaties is daarom bedoeld voor niet-dialectsprekers die het dialect willen leren, met name het Valkenburgs (Ubaghs 1937), Maastrichts (Bovens (1986), Coumans (1992), Aarts (2001), Weerts (Hermans 1994, 1998) en het Heerlens (Prickaerts 2000). Hermans stelt een werk alleen voor nieuwkomers samen: ‘Voor mensen van buiten Weert die toch iets meer willen weten van ons dialect omdat ze zich hier hebben gevestigd.’ Overigens is Huntjens (1990) vooral humoristisch bedoeld: ‘voor Engelsen zodat zij zich in Heerlen kunnen redden.’ De motivaties in de geschreven bronnen veranderen dus in honderd jaar tijd en tonen overduidelijk een veranderende samenleving waarin behartigers van het dialect proberen mee te bewegen.
Tijdens het onderzoek naar het Limburgs realiseerde Brenda zich dat haar overgrootmoeder, Hubertina Pijnappel-Thomas (1904-1981) geboren en getogen was in Kerkrade. Haar familie spreekt weleens over haar en vooral dat zij Kerkraads sprak. Brenda is blij dat ze door dit onderzoek iets meer te weten is gekomen over de taal die haar overgrootmoeder moet hebben gesproken.

Column 101 in De Limburger/Limburgs Dagblad, 18 september 2017.

Taalhiërarchie

Net ben ik begonnen aan de Universiteit Maastricht als een ongeruste moeder me opbelt om te vertellen dat zij haar kind ’s ochtends dialectsprekend naar de peuterspeelzaal brengt om het ’s avonds Nederlandssprekend mee naar huis te nemen. Met studente Vivianne Smeets van de Universiteit Utrecht spreek ik hierover tijdens het jaarlijkse DRONGO-Talenfestival en vervolgens kiest zij dit onderwerp uit voor haar scriptie: welke talen spreken leerkrachten tijdens de alledaagse praktijk in de peuterspeelzaal?

Om die vraag te beantwoorden, observeert Vivianne kinderen tussen twee en vier jaar oud in vier verschillende kinderopvangcentra in midden-Limburg. Al zittend op een bank op een afstand van de kinderen en de leerkrachten let ze op hoe en in welke situatie leerkrachten al dan niet wisselen tussen Nederlands en dialect of andere taal. Haar observaties schrijft ze meteen op in een notitieblok. Ze observeert zoveel mogelijk zonder verwachtingen en zo onbevooroordeeld mogelijk.

In de vier peuterspeelzalen spreken de leerkrachten dialect tegen de kinderen die dialect spreken en Nederlands tegen de uitsluitend Nederlandstalige kinderen. Zij doen dit wanneer de kinderen vrij spelen en/of individueel met een kind spreken. De leerkrachten weten precies welk kind welke taal spreekt en zij wisselen snel tussen de twee talen. Dialect maakt dus deel uit van het talige repertoire. Maar de ongeschreven regel is dat de leerkrachten en kinderen Nederlands spreken tijdens groepsactiviteiten. Tijdens een kringgesprek plaatst de leerkracht voertuigen op tafel waarover een deken ligt. Na het Nederlandse ‘Hocus pocus pilates pas, ik wou dat er iets weg was’ raden de kinderen in het Nederlands welk voertuig er verdwenen is. Soms spreekt de leerkracht tijdens het kringgebeuren incidenteel dialect tegen een kind maar wisselt snel terug naar het Nederlands. Bij het fruitmoment klinkt het Nederlandse: ‘Wat wil jij graag eten?’ en na het eten reikt de leerkracht de kinderen een washandje aan met de woorden: ‘Eentje voor Esther’ en ‘eentje voor…’ met de namen van alle aanwezige kinderen. Voor het boterhammen eten, zingen de kinderen een Nederlands liedje. De kinderen horen ook uitsluitend Nederlands tijdens het smeren van de boterhammen.

Bovendien zijn alle instructies in het Nederlands evenals de liedjes die vaak een instructie bevatten: ‘Wij gaan aan tafel. Komen jullie aan tafel?’ Na het vrij spelen zeggen de leerkrachten in het Nederlands tegen de kinderen om op te ruimen of om de laarzen aan te trekken voor het naar buiten gaan. Ze spreken Nederlands tijdens het uitdelen van tractors en fietsen buiten op de speelplaats. Op een van de peuterspeelzalen smeren de leerkrachten de kinderen in met zonnebrand voordat zij buiten gaan spelen. Tijdens het insmeren spreken de leerkrachten Nederlands of dialect al naar gelang wat het kind spreekt, evenals tijdens het aantrekken van de schoenen. De leerkrachten spreken de hele tijd onderling dialect met elkaar.

Het is duidelijk dat de taalkeuze, hoe onbewust ook, wel duidelijke signalen afgeeft aan de kinderen die daardoor diverse activiteiten met Nederlands of dialect leren associëren. Op de peuterspeelzaal is het Nederlands gereserveerd om kennis over te dragen (kringgebeuren), en wel over het Nederlands (voorlezen) en om een hiërarchie vast te stellen: de leerkracht bepaalt in het Nederlands en niet in dialect welke activiteit op welk moment gebeurt (fruit kiezen, opruimen, laarzen aantrekken). De liedjes in het Nederlands bevestigen deze rolverdeling. De kinderen leren zo het Nederlands, anders dan het dialect, te associëren met de meest belangrijke activiteiten in een hiërarchische rolverdeling. Het dialect dient om ‘onder ons’ te spreken tijdens het ‘onbelangrijke’ vrij spelen. Geen wonder dat die peuters van volwassenen heel snel leren ontdekken dat het spreken van Nederlands belangrijker is dan dialect.

Column 100 in De Limburger/Limburgs Dagblad, 4 september 2017.

Limburgs als taal bij Microsoft

Hoe een dialect in Limburg te spellen levert altijd discussie op. De ouderen schrijven en ondersteunen vaak de Veldeke 2003 of Raod veur ’t Limburgs-spelling in meer conventionele media. De jongeren vertonen veel variatie in hun schrijven op sociale media – Whatsapp, Snapchat, Twitter en Facebook. Hoe aan vele manieren van schrijven tegemoet te komen, inclusief die van Veldeke 2003, is vanaf eind augustus opgelost. Want dan is Microsoft voor nu het eerste grote IT bedrijf dat het Limburgs als taal toevoegt voor mobiele applicaties.

Hun afdeling Swiftkey stelt de Beta (of test-)versie beschikbaar in de nacht van 17 op 18 augustus voor het Limburgse keyboard en spellingschecker voor alle mobiele Android applicaties. Bij elk Microsoft Swiftkey keyboard komt het Limburgs dan als taalkeuze voor. Uiteindelijk is het de bedoeling dat het intikken van de vele diakritische tekens zoals ë, ò, é, äö, oë, oeë, àè, ieë, ieè, eë, ië, aeë, èë, èw, àèë, àèw, aoë geen probleem meer oplevert. Gebruikers kunnen snel blijven tikken.Elke gebruiker kan vanaf 18 augustus gedurende twee weken deze testversie testen en feedback sturen aan Microsoft Swiftkey. Daarna wordt, waarschijnlijk begin september, de definitieve versie gelanceerd, die dan ook voor mobiele iOS (Apple) applicaties beschikbaar is (te downloaden via de App store).

Het Limburgse model voor het toetsenbord en de spellingschecker bij de Microsoft Swiftkey Beta app heeft een grote verzameling van Limburgse woorden. De woorden komen in de spelling van veel dialecten voor op basis van de Veldeke 2003-spelling, maar daarnaast zijn ook Limburgse spellingsvarianten van internet en sociale media toegevoegd. Niet alle spellingsvariatie kon worden opgenomen, maar de bestaande spellingsvariatie zal nog verruimen, omdat iedere individuele gebruiker altijd zijn/haar voorkeursspelling kan toevoegen.

De software dat het taalmodel levert, leert van de spellingsvoorkeur van de individuele gebruiker. Als deze gebruiker vaker een bepaalde spelling van een woord intikt, wordt zijn/haar spellingsvoorkeur na verloop van tijd aan de schrijver aangeboden. De software voegt ook nieuw toegevoegde woorden en spellingsvoorkeuren aan de collectieve woordenlijst voor het Limburgs toe. Hoe meer gebruikers een bepaald woord op een specifieke wijze spellen, hoe meer waarschijnlijk het wordt dat dit woord bij individuele gebruikers als mogelijkheid geopperd wordt.

Het voorspellingsmodel van het Limburgse toetsenbord en de spellingschecker werkt als volgt. Aan de hand van de eerste letters die getypt worden, voorspelt de software welk woord en in welke spelling de gebruiker typt. Het intikken van bijvoorbeeld sto roept stoon (staan) als voorspelling op of het intikken van sjta voorspelt sjtaon. Daarnaast voorspelt de software welk woord in alle waarschijnlijkheid op het vorige woord volgt en geeft hiervoor verschillende mogelijkheden aan.

Limburgs wordt dus ook als taal toegevoegd bij Microsoft. Je kunt bij Microsoft Swiftkey verschillende talen instellen. Op Android applicaties een maximum van 5 talen en op iOS applicaties een maximum van 2. Het toetsenbord zal weten in welke taal getypt wordt en woorden (en spellingen) uit die taal als mogelijkheden aanbieden.

De grote trekker achter dit resultaat is Dr. Yuri Michielsen-Tallman. Yuri is al heel lang actief als voorzitter van de Stichting Limburgse Academie en sinds de zomer projectcoördinator voor het Limburgs Corpus Woordenboek. Beide activiteiten vallen onder de Leerstoel Taalcultuur in Limburg bij de Universiteit Maastricht.​

Na Microsoft veroverd te hebben, is Yuri ook met de andere IT giganten bezig om hen zover te krijgen. Bij op zijn minst één andere lijkt dat te gaan lukken. Hierover op termijn meer. Dit resultaat is volledig tot stand gekomen door liefde voor het Limburgs, er is geen budget aan te pas gekomen maar wel internationale samenwerking met Dr. Ligeia Lugli (King’s College Londen), Michael Anthony Schuler, BA (Harvard) en Dr. Jean Robert Opgenort in San Francisco.

Wat deze digitale middelen voor het schrijven in het Limburgs voor gevolgen hebben, laat zich goed raden. Een nieuwe impuls om Limburgs vooral op digitale media te schrijven en veel spellingsvariatie. De norm van Veldeke 2003 zal bekender worden maar daarnaast zullen de gebruikers op het net ook zelf een consensusspelling weten te creëren. Microsoft goes Limburgs is voor deze regionale taal een revolutie.

Verschenen op Neerlandistiek online op 11 augustus 2017.

Dialect App: Eèsjdes en Mestreechs

Een wens is eindelijk in vervulling gegaan. Zo’n drie jaar geleden spraken Lukas van der Hijden (Bureau Interactieve Communicatie) en ik met elkaar af hoe we een Dialect App zouden kunnen realiseren, een idee dat al langer leefde bij streektaalfunctionaris Ton van de Wijngaard. Het ontwikkelen van zo’n (web)App door een bureau kost geld, er is technische kennis voor nodig en het moet zich lenen voor wetenschappelijk onderzoek. Het lukte niet om het benodigde budget bij elkaar te krijgen.

Na drie jaar na veel overleg met veel diverse wisselende mensen, verzinnen van plannen en bureaucratische hobbels is de Dialect App er toch gekomen! De (web)App voor smartphones en computers komt eind augustus uit en is bedoeld voor iedereen die dialect wil leren, zijn/haar dialect wil laten horen en plezier wil beleven aan dialect. De App bevat zo’n vijftig zinnen in het Eèsjdes en Mestreechs (aangeboden in dialect, Nederlands en Engels) die handig zijn voor iedere toerist of bezoeker. Met hulp van de App kan iedereen de weg vragen in het Eèsjdes en Mestreechs, een biertje bestellen in het café, naar de menukaart in het restaurant vragen en informeren waar een geldautomaat te vinden is. De zinnetjes zijn zo gekozen dat ze niet alleen handig zijn voor de toerist, maar ook dat ze een aantal taalkundige eigenschappen bevatten die interessant zijn voor onderzoek. Hoe meer mensen de zinnetjes inspreken in hun vorm van het Maastrichts en Eijsdens, hoe meer individuele verschillen er zijn om te onderzoeken. Zo krijgen we een schat aan taalkundige informatie hoe het huidige Maastrichts en Eijsdens gesproken wordt: door mannen en vrouwen, door ouderen en kinderen, door oudkomers en nieuwkomers, door sprekers van wie de ouders al dan niet een ander dialect of taal spreken. Ik vind het belangrijk dat iedereen kan meedoen ongeacht hoe hij/zij het Eèsjdes en Mestreechs spreekt.

De Dialect App heeft drie doelen. Inspreken: iedereen die Maastrichts of Eijsdens dialect spreekt, in welke vorm dan ook, kan de dialectzinnetjes inspreken en opnemen voor anderen. Leren spreken: toeristen, nieuwkomers, (im)migranten en andere lang- of kortblijvers kunnen via deze App horen hoe het dialect klinkt en kunnen daardoor zelf het dialect proberen te spreken en opnemen. Onderzoek: de App verzamelt zo veel mogelijk uitspraken van hopelijk heel veel sprekers van dezelfde zinnetjes in Eèsjdes en Mestreechs voor taalkundig onderzoek.

Mijn wens is dat veel meer dialecten en veel meer zinnen in de App terechtkomen maar daarvoor is natuurlijk een groter budget nodig. Het is gelukt om deze App te realiseren door goede wil, excellente samenwerking en kwaliteit. Huub Hamers van de Faculteit Psychologie en Neurowetenschappen van de Universiteit Maastricht wist een excellente BA student (Programmeur en ICT Ontwikkelaar) genaamd Somtochukwu (Somto) Enendu. Somto is afkomstig uit Nigeria, verstaat en leest een beetje Nederlands en nu ook dialect. Hij begrijpt alles van meertaligheid want hij spreekt van huis uit Engels, Igbo en Frans. De gemeente Eijsden-Margraten bood aan om te sponsoren, het Meertens Instituut heeft Somto een stageplek aangeboden met coaching van Antal van den Bosch en mijzelf en vooral Henk van den Heuvel en Wessel Stoop van de Radboud Universiteit (Centrum voor Taal en Spraaktechnologie) hebben Somto begeleid. Veel vrijwilligers hebben de App ingesproken en Laurent Rutten en Roger Weijenberg hebben de zinnen vertaald in het Eijsdens en Maastrichts. En bovenal, Somto’s inzet en kunde maakte dit project tot een succes.

Het dialect is nu digitaal: het Limburgs als taal bij Microsoft en een heuse Dialect App! Begin september is de Dialect App op het web te vinden onder Maasgeluide.nl.

Column 99 in De Limburger/Limburgs Dagblad, 21 augustus 2017.

Actie voor het Limburgs

De Taalunie, samen met het Meertens Instituut en Universiteit Gent publiceren het onderzoeksrapport Staat van het Nederlands. Over de taalkeuzes van Nederlanders en Vlamingen in het dagelijks leven (8 mei 2017). In dit rapport is het dialect in Limburg als Nederlands geteld. Deze methode maakt alle personen die in Limburg dialect en Nederlands spreken tot eentalige sprekers van het Nederlands. In die visie zijn de dialecten gesproken in Limburg een variant op het Nederlands, gelijk een Nederlands uitgesproken met een zachte –g of een Gooise ‘kinderen voor kinderen’ –r.

Verloop
Een online-brief is geplaatst (16 mei) op de website http://www.petitie24.nl/petitie/1013/wij-spreken-limburgs waarin initiatiefnemers Leonie Cornips en Joep Leerssen afstand nemen van bovenstaand rapport van de Taalunie en van de methode gehanteerd door de betrokken taalkundigen. In een kort tijdsbestek ondertekenen vele prominente Limburgers de online-brief getiteld: ‘Wij spreken Limburgs maar de Taalunie wil dit niet weten’ onder wie politici als Minister Ploumen, gedeputeerde Koopmans, musici als André Rieu en Gé Reinders, schrijvers als Connie Palmen, Wiel Kusters, Ton van Reen en Jacques Vriens, filmregisseur en Gouden Kalf-winnaar Remy van Heugten, gezaghebbende hoogleraren als Dekkers, Corbey, Mathijsen, Nissen, Roebroeks en Tummers, taalkundige hoogleraren als Backus, Kroon, Vallen en tientallen andere academici, museumdirecteuren zoals Schatorjé en pers/media professionals van De Limburger en L1 tv/radio.
Ondertussen stromen de handtekeningen binnen. De limiet van vijfhonderd wordt opgehoogd naar duizend en dan naar tweeduizend. Op 22 mei is het beoogde resultaat van tweeduizend ondertekenaars bereikt. De tweeduizend handtekeningen in zeer korte tijd van prominente Limburgers en andere betrokkenen laten zien dat de initiatiefnemers een goed beeld hebben van breed gedragen gevoelens en ervaringen van dialectsprekers als tweetalige sprekers in Limburg.

Eindresultaat
De Secretaris van de Taalunie heeft in een mail aan mij en Joep Leerssen laten weten dat de Taalunie het in oudere stukken vanuit een breder perspectief op taalvariatie het onwenselijk vindt dat het Limburgs erkend is als regionale taal maar dat de Taalunie die erkenning (wenselijk of niet) wel vanzelfsprekend overneemt. De Secretaris stelt in deze mail dus expliciet aan de orde dat de Taalunie het Limburgs als regionale taal erkent. De Taalunie bericht dat zij met de betrokkenen in gesprek wil over het Limburgs om tot een nieuwe visie van de Taalunie te komen. Bovendien hebben de ‘onderzoekers van het Meertens Instituut en de Universiteit Gent in overleg met de Taalunie besloten om te kijken of ze bij de volgende aflevering (over 2 jaar) dialectsprekers en sprekers van regionale talen op kunnen nemen in de enquête.’

Stemmen voor het Limburgs: tot ver buiten Limburg
De meerderheid van de ondertekenaars woont in Limburg maar ook velen zetten New York, Los Angeles, Baskenland, Duitsland, België, Zwitserland, Amsterdam en plaatsen in het oosten van Nederland onder hun naam. De meer dan tweeduizend ondertekeningen en alle publiciteit eromheen leidt ertoe dat de stemmen voor het Limburgs de publieke opinie bereiken. Daardoor kan het spreken van Limburgs en tweetaligheid in Limburg in vervolgrapportages van Staat van het Nederlands niet langer genegeerd en doodgezwegen worden.
Aan iedere ondertekenaar (de petitie website staat me niet toe om emailadressen in te zien) bedankt voor alle steun!

Column 98 in De Limburger/Limburgs Dagblad, 29 mei 2017.

Staat van het Nederlands

Het omvangrijke onderzoeksrapport Staat van het Nederlands. Over de taalkeuzes van Nederlanders en Vlamingen in het dagelijks leven van de Nederlandse Taalunie, het Meertens Instituut en Universiteit Gent is zojuist verschenen. De Nederlandse Taalunie is het officiële orgaan van de Nederlandse en Vlaamse overheden dat over taalbeleid adviseert. De Taalunie met de betrokken taalkundigen onderzochten via een online enquête wanneer en hoe vaak mensen het Nederlands gebruiken en wanneer andere talen.

Ruim 6.500 mensen hebben deze enquête ingevuld: 3.003 Nederlanders (133 Friezen) en 3.419 Vlamingen (113 Brusselaars). Het resultaat van het onderzoeksrapport: het Nederlands denkt men een sterke positie toe in het dagelijks leven hoewel het Engels het Nederlands verdringt in de ICT-, lucht-, zeevaarten onderzoeksector.

Een betrokken taalkundige vroeg mij om Limburgers op te roepen mee te doen. Of mijn oproep via sociale media geholpen heeft, weet ik niet maar op pagina 13 van het rapport vertoont Limburg uiteindelijk het dichtste netwerk aan respondenten. Achteraf gezien heb ik grote spijt van mijn oproep. De enquête zelf en de resultaten zeggen niet zoveel over het Nederlands in relatie tot het Limburgs en andere diversiteit in meertaligheid, behalve dan tot het Engels (en Frans in Vlaanderen/ Brussel). Hoe kan dat nu?
Aan sprekers van een dialect is gevraagd om dialect te beschouwen als Nederlands. Dus als iemand vindt dat hij thuis altijd dialect spreekt, dan moest hij als antwoord invullen dat hij thuis altijd Nederlands spreekt. Dat is absurd want veel dialectsprekers ervaren dat zij tweetalig zijn of in ieder geval dat het verschil uitmaakt wanneer je dialect/Limburgs of Nederlands spreekt.

Nu hebben de taalkundigen in deze enquête het Fries wel als aparte taal gerekend. De Taalunie antwoordt op de vraag van Paul Weelen hierover: ‘het Limburgs [wordt] door de Taalunie niet als een aparte taal beschouwd, maar als een grensoverschrijdende streektaal van het Nederlands.’ Ik kan alleen maar concluderen dat de Nederlandse Taalunie hierin lijnrecht indruist tegen de Nederlandse overheid die het Limburgs en het Nedersaksisch evenals het Fries als regionale talen onder het Europees Handvest erkend heeft in respectievelijk 1997 en 1996. Vervolgens antwoordt de Taalunie: ‘Door het Limburgs als een aparte minderheidstaal te erkennen, zou de sprekers van het Limburgs in feite de status van moedertaalsprekers van het Nederlands worden ontzegd en daar is de Taalunie geen voorstander van.’ Door dit standpunt van de Taalunie is een Fries wel tweetalig Fries-Nederlands, maar een Limburger die dialect/Limburgs-Nederlands spreekt niet. Dat is taalkundig en politiek een volstrekt arbitraire beslissing.

Daarnaast is de top vijf aan andere talen in Nederland in de uitkomsten erg ‘Europees’ voorspelbaar: Fries, Tamazight (=Berbers), Engels, Duits en Spaans. Dat roept de vraag op wie de respondenten precies waren, want waar is het Turks of Arabisch? In de enquête antwoordt 0,6 procent van de respondenten moslim te zijn. Dit is erg weinig vergeleken met de enquête van het CBS over 2015 waarin 5 procent zich moslim noemt op de vraag naar kerkelijk gezindte. Dit laat zien dat sommige groepen sprekers nauwelijks bereikt zijn met de Staat van het Nederlands-enquête.

De enquête zal zich over twee jaar weer herhalen. Dan verwacht ik wel een echte inspanning om een grotere diversiteit aan tweetalige sprekers te vinden, dus een representatieve steekproef. Bovendien naast Brussel ook een focus op de Randstad. Tenslotte doen alle regionale minderheidstalen mee, ook het Limburgs en Nedersaksisch. Of men komt uit voor het echte doel van dit onderzoek: de positie van het Nederlands naast het Engels (Nederland/Vlaanderen) en Frans (Brussel/Vlaanderen), het spreken over alle andere talen is gewoon opsmuk.

Column 97 in De Limburger/Limburgs Dagblad, 15 mei 2017.

Een eigen giraf

In een verzorgingstehuis observeert stagiaire Sophie Martini van het Meertens Instituut gesprekken tussen zorgmedewerkers en bewoners. Sophie studeert dan aan de Universiteit Leiden; momenteel werkt ze aan haar proefschrift aan de Universiteit van Luxemburg.

Op een dag zit ze in de ouderwets aangeklede huiskamer die de sfeer van een ver verleden ademt. Sophie vindt het er gezellig en ook huiselijk. Mevrouw Limburg (pseudoniem) is net gearriveerd en ontvangt net als de andere al aanwezige vijf bewoners een kopje koffie. Ze is 104 jaar oud, behoorlijk doof en bijna blind.

De zorgmedewerkster Marion (pseudoniem) loopt voorbij de huiskamer, ziet mevrouw Limburg en komt binnen om een praatje te maken. Zo te horen kennen ze elkaar erg goed en mogen ze elkaar graag. Marion houdt de hand vast van mevrouw Limburg, buigt voorover zodat ze in het oor van mevrouw Limburg kan spreken en neemt het initiatief tot een gesprek. Ze stelt vragen en moedigt mevrouw Limburg aan die te beantwoorden. Ze start het gesprek: ‘Vertel eens over de giráf in het Krúgerpark.’ Marion begint dus niet zomaar een praatje. Ze vraagt naar een specifieke giraf want ze gebruikt het bepaald lidwoord de – de giraf – in een specifieke plek, het Krugerpark in Zuid-Afrika. ‘Hè?’ zegt Marion om mevrouw Limburg aan het praten te krijgen: ‘Dat was uw eígen giráf?’ ‘Ja tuurlijk’, zegt mevrouw Limburg. ‘Vertel eens over de giraf, hoe ging dat? ‘Nou niks’, antwoordt mevrouw Limburg. Een andere zorgmedewerker lacht nu hard en zegt erg luid: ‘O da’s nie veel’. Daarop begint mevrouw Limburg te praten: ‘Ik gaf ’m gewoon’. ‘Ja’, maakt Marion de zin af: ‘U gáf ’m een áppel’

Mevrouw Limburg vertelt ook: ‘dan kreeg je een mooie diamanten ring (Marion moedigt aan: hmm) en als je een baby krijgt wordt-ie groter en groter en dan wordt ’t ’n…’ Mevrouw Limburg lacht zachtjes. ‘O ja?’ moedigt Marion aan. ‘Als je vijf kinderen hebt dan krijg je zóó’n diamant,’ vertelt mevrouw Limburg. ‘Zóóóó’, zegt Marion ‘Had u ook zo’n ring?’ ‘Neeeeeh, ik had geen vijf kinderen’, gniffelt mevrouw Limburg. ‘Hoeveel kinderen had u?’ ‘Twee, een jongen en een meisje.’ Marion herhaalt zachtjes: ‘een jongen en een meisje. Alle smaakjes die er zijn’. ‘Jaaah’, zegt mevrouw Limburg ‘Ze zijn in Australië, de dochter is in Australië (Marion: hmm) en ik ben in Holland’. ‘En uw kléinzoon is nog in Afrika’, vraagt Marion. ‘In Afrika ja, al d’r kinderen zijn daar’ vertelt mevrouw en ze weeft vervolgens Engels door haar Nederlands ‘Ennik, I still lopen rond’. Marion echoot haar: ‘I still lopen rond, ja’. Mevrouw: ‘I can lachen’. Marion: ‘Goed hè?’ Mevrouw lacht zachtjes. ‘U bent de oudste in het hele huis’ informeert Marion ‘and you still walk around.’

De zorgmedewerkster Marion gebruikt verschillende middelen om het gesprek met mevrouw Limburg te laten slagen. Ze houdt haar hand vast, schreeuwt niet in haar gezicht maar spreekt wat luider in haar oor en accentueert de lettergrepen die klemtoon krijgen nog nadrukkelijker zodat de bijna dove en blinde mevrouw Limburg toch de woorden en uiting van de zin kan raden die Marion zegt. Bovendien herhaalt Marion af en toe woorden en zinsdelen van mevrouw Limburg; ze gebruikt ‘hmm’ en ‘ja’ als aanmoediging. Zo weet mevrouw Limburg dat Marion geïnteresseerd is. Op het moment dat mevrouw Limburg Engels door haar Nederlands mengt, zegt Marion daar niets van maar imiteert die uiting en gaat mee in de Engels-Nederlandse taalkeuze. Mevrouw Limburg eindigt een goed gesprek: ‘Hier is het leuk, hier zijn de meisjes aardig en jij bent allemaal aardig, jullie zijn lief allemaal.’

Column 96 in De Limburger/Limburgs Dagblad, 1 mei 2017.