Nieuwe meertaligheid

De hele wereld lijkt wel in beweging te zijn. In de aandacht staan asielzoekers, vluchtelingen, statushouders en arbeidsmigranten die gedwongen hun plek verlaten door oorlog, geweld, ontbreken van rechtspraak, werk en honger. Baby’s reizen een halve wereld af voor adoptie, evenals vrouwen uit Nigeria die onder dwang hier in de prostitutie werken. Maar zij vormen slechts een zandkorrel in de woestijn aan mensen en talen in beweging.

Toeristen van elders overspoelen Maastricht en Amsterdam en wij overspoelen op onze beurt als toerist en reiziger de plekken elders. Onze sportsterren voetballen en coachen ergens anders, popgroepen en zangers spelen in het buitenland, we winkelen en werken over de grenzen in België of Duitsland, emigreren naar Canada of planten als ondernemers sperziebonen in Ethiopië en telen rozen in Kenia. Gepensioneerden vertrekken naar warmere oorden in Zuid-Frankrijk, soldaten naar Mali voor VN-operaties en een handvol jongeren vertrekt naar Syrië en Irak om zich bij IS aan te sluiten.

Maar mobiliteit is niet iets van deze tijd. Tijdens de Eerste Wereldoorlog vluchtten meer dan een miljoen Belgen naar Nederland, in de Oostelijke Mijnstreek arriveerden Polen, Belgen, Duitsers, Italianen en Slovenen als arbeidsmigranten, na de Tweede Wereldoorlog arriveerden de Indische Nederlanders en in 1956 Hongaren als uitgenodigde vluchtelingen. In de jaren zestig en zeventig viel het Marokkaans Arabisch, Berber, Turks, Sranantongo, Italiaans en Spaans van de arbeidsmigranten te beluisteren, in de jaren zeventig het Spaans van de Chilenen, in de jaren tachtig het Perzisch van Iran, in de jaren negentig het Servisch-Kroatisch van ex-Joegoslaven en nu vooral het Syrisch.

Op de bijeenkomst Limburg, mobiliteit en de wereld begin december in Fontys Hogescholen Sittard wisselden onderzoekers, leerkrachten en migranten zelf hun kennis en belevingen uit over meertaligheid op Nederlandse scholen. De directrice van de basisschool De Tovertuin (Mayke Zijlstra) in Sittard vertelt dat gespecialiseerde leerkrachten in schakelklassen in haar school Nederlands geven aan leerlingen die nauwelijks Nederlands beheersen. Het doel van zo’n schakelklas is om kinderen na een jaar op hun eigen niveau deel te laten nemen aan het reguliere onderwijs. Op dit moment heeft zij zestig leerlingen tussen de zes en dertien jaar die afkomstig zijn uit Polen, Kirgizstan, Syrië, Kenya, Irak, Albanië, Roemenië, Eritrea, Marokko, China, of stateloos zijn. Een greep uit de talen die deze kinderen meebrengen is: Koerdisch, Arabisch, Chinees, Swahili, Roemeens, Pools, Albanees en Russisch.

Maar een nationaliteit zegt te weinig over wat een leerling nu precies als thuistaal(en) spreekt. Khalid Mourigh van de Universiteit Leiden vertelt bijvoorbeeld dat Marokko een complexe taalsituatie kent. Mensen zeggen eerder dat ze Standaard Arabisch spreken dan Marokkaans Arabisch. Het Standaard Arabisch heeft prestige omdat religieuze teksten, (oude) poëzie, (formele) lezingen en literatuur daarin geschreven zijn en omdat Marokkanen het op school moeten leren. Bijna niemand spreekt dus Standaard Arabisch als moedertaal; het is een school- en schrijftaal. Het Marokkaans Arabisch is als een dialect dat zogenaamd niet bestaat. Ze noemen het ‘gecorrumpeerd’, ‘gebroken’ of ‘vulgair’. Bovendien spreken veel mensen iets tussen het Marokkaans en Standaard Arabisch in en vooral verschillende Berbertalen: Tashelhiyt (Agadir en Hoge Atlas), Centraal Marokkaans Berber en het Riffijns van het noordoosten. Daar komen de meeste Nederlanders met Marokkaanse herkomst vandaan. Ook is het Frans te beluisteren in de steden in Marokko.

Iemands nationaliteit zegt dus niet veel over iemands moedertaal/talen. In Nederland zijn helaas geen basisstatistieken bekend over thuistalen van leerlingen in het basisonderwijs en voortgezet onderwijs. Toch zijn deze statistieken broodnodig om goed beleid te kunnen ontwikkelen voor taaldiversiteit op schoolniveau en om te laten zien dat meertalige kinderen doodgewoon zijn op Nederlandse scholen.

Column 87 in De Limburger/Limburgs Dagblad, 12 december 2016.

Sinterklaos in Neel

De intocht van Sinterklaas in Limburg is complex omdat november ook de maand van de opening van het nieuwe carnavalsseizoen is. De Sint en carnaval moeten zich dus altijd tot elkaar verhouden. Afgelopen november ontvingen de Stadsschutterij Sint Sebastianus en de Blauwe Schuit Sinterklaas in Heerlen die Nederlands sprak met een westelijk accent. De Blauw Sjuut was voor die gelegenheid van een carnavalsschuit omgedoopt in het stoomschip Spanje met de schoorsteen in Spaanse kleuren. Vaak past het regionale carnaval zich aan de dominante, landelijke Sinterklaas aan. Maar soms ruimt de nationale Sinterklaas het veld voor het eigen carnaval zoals op 17 november 2012 toen de landelijke Sint in Roermond arriveerde.

Promovenda Lotte Thissen van de Universiteit Maastricht onderzoekt het effect van die komst van de Sint in 2012 tijdens de prinsenproclamatie van de carnavalsvereniging De Katers in Maasniel (Neel). De Katers verwelkomen een lokale Sint op de avond van de landelijke intocht in hun thuisbasis café De Ster. Bij de tonen van het eigen lied ‘Neel blief Neel’ valt het publiek stil en de kapel loopt vanaf de ingang van De Ster naar het podium achterin gevolgd door de vorst, de voorzitter en de raad van elf. Even later treedt de Sint binnen terwijl de kapel de gebruikelijke Nederlandstalige Sinterklaasliedjes speelt.

De vorst zegt, terwijl hij Sinterklaas de hand schudt, ‘Welkom Sinterklaas’ en na een lange pauze informeert hij het publiek in het Neels ‘Sinterklaos! Direk nao de intoch, geweun in os eige Neel.’ Hij spreekt Sint aan in het Nederlands, maar het publiek in het Neels. Hoe gaat dit verder? In een interview met Lotte laat de vorst weten dat hij zich dan pas realiseert dat hij zich in een taalconflict bevindt. Sinterklaas als nationale figuur verlangt dat hij Nederlands spreekt maar zijn eigen carnavalsachterban kan hij niet anders adresseren dan in dialect. De vorst improviseert ter plekke. Hij informeert het publiek ‘Ich hooj Sinterklaos vanmiddag nog aan de tillefoon, direk nao ziene intoch, in de sjtad. En toen heb ich mit ’m euverlag, Ich zegk, Sinterklaos, doon v’r det in ’t Nederlands of doon v’r det in ’t plat? Nou, zaet ’r, nou zik ’t zelf maar.’ De Sint antwoordt in het Nederlands: ‘Nou, we gaan over naar het plat.’ De vorst herhaalt dat heel langzaam in zeer bekakt Nederlands ‘We gaan over naar het plat. Nou dat is goed Sint Nicolaas, dan zou ik zeggen, neem plaats in… uw eigen stoel.’ Meteen loopt Sint naar de stoel en gaat zitten waarna de vorst de dialoog in het Neels voortzet met ‘en dan gaon v’r ech euver in ’t plat.’ En vanaf dat moment spreekt Sinterklaas als nationale figuur, dialect.

Deze ontmoeting tussen Sinterklaas en de carnavalsvorst is interessant omdat het de talige routine van carnaval en Sinterklaas doorbreekt, zo analyseert Lotte. Het geïmproviseerde overleg tussen vorst en Sint is nodig om eerst het talig verschil tussen hen beiden zichtbaar te maken. Het langzame praten van de vorst in bekakt Nederlands en het gebruik van het plechtstatige Sint Nicolaas zet Sint op afstand. De vorst geeft daarmee aan dat Sint en het spreken van Nederlands ‘niet iets van deze plek’ is en geen vanzelfsprekend onderdeel van de prinsenproclamatie. Lotte concludeert dat Sint pas na de onderhandeling en het plaatsnemen in de stoel ‘onder ons’ is en dialect kan gaan spreken. Het Sinterklaasfeest met het Nederlands ruimt dan het veld voor lokale carnavalspraktijken inclusief het spreken van dialect. De carnavalsvereniging De Katers zetten dus, zoals het hoort, de talige machtsverhoudingen tussen Sinterklaas en carnaval op hun kop.

Column 86 in De Limburger/Limburgs Dagblad, 28 november 2016.

Laaggeletterdheid

Iemand die laaggeletterd is, is geen analfabeet of ongeletterde. Volgens de definitie beschikt een laaggeletterde over een elementaire basiswoordenschat en kan hij/zij eenvoudige informatie uit korte zinnen en teksten halen. Deze krant rapporteerde onlangs over laaggeletterdheid: “De combinatie van dialect spreken, achterstandssituatie en gebrek aan stimulering thuis om te gaan lezen kan ervoor zorgen dat laaggeletterdheid in Limburg een structureel karakter krijgt.” Zo’n tekst alarmeert want hoezo speelt dialectspreken een rol in structurele laaggeletterdheid?

Ik weet uit eigen onderzoek dat dialectsprekende kinderen prima in staat zijn om net zo snel en accuraat – en soms zelfs sneller – dezelfde basiswoordenschat als eentalige Nederlandsprekende kinderen te leren, dus hoe komt deze krant aan bovenstaande informatie? Een rondvraag door Limburg leert dat de Stichting Lezen en Schrijven samen met Cubiss net een conferentie georganiseerd heeft waarin Maurice de Greef, gastprofessor Laaggeletterdheid aan de Vrije Universiteit Brussel, als inhoudelijk deskundig aanwezig was. Ik stel Maurice de vraag of hij van onderzoek af weet waaruit blijkt dat dialectspreken een verhoogd risico op laaggeletterdheid met zich meebrengt? Volgens Maurice bestaat dergelijk onderzoek niet. Hij schrijft me zelfs: “Wellicht kan juist het omarmen van het dialect ervoor zorgen, dat volwassenen een lagere drempel ervaren om de Nederlandse taal te gaan leren en maakt het de stap naar het lezen en schrijven van de Nederlandse taal makkelijker”.

Waarom denkt men toch altijd dat dialectspreken negatieve gevolgen heeft voor het spreken, lezen en schrijven in het Nederlands? Volgens onderwijssocioloog Paul Jungbluth zijn dialectsprekende kinderen in Zuid-Limburg (waar hij zijn grootschalig langdurig onderzoek uitgevoerd heeft) in de meerderheid in laagopgeleide gezinnen behalve in de voormalige Oostelijke Mijnstreek. Kinderen van laagopgeleiden presteren systematisch lager op toetsen dan kinderen van hoogopgeleiden waardoor onder leerkrachten (en ook leerlingen en ouders) de indruk kan ontstaan dat dialectspreken samengaat met zwakkere prestaties. Die indruk circuleert ook in Limburgse en Nederlandse media. Maar als onderzoekers het verband tussen zwakkere taalprestaties en dialectspreken controleren, dan blijkt dat verband helemaal niet te bestaan! Het is de ongelijkheid in sociaal milieu, dus de hoogte van de opleiding van de ouders die veel verklaart. Ook eentalige Nederlandssprekende kinderen vertonen een taalachterstand als zij opgroeien in laagopgeleide gezinnen. Een andere factor is bovendien het lage taalniveau van de leerkrachten in de voor- en vroegschoolse educatie (vve): in 2009 vertoont de helft van deze leerkrachten een taalachterstand.

Volgens Jungbluth doen dialectsprekers in alle milieus niet onder voor eentalige kinderen bij de Cito-toets. Dialect speelt dus geen rol in onderwijskansen maar wel het sociaal milieu waar kinderen in opgroeien. In het verlengde daarvan zou ik zeggen dat dialectspreken geen enkele rol speelt in laaggeletterdheid maar wel de afwezigheid van voorlezen in het gezin waarin de kinderen opgroeien. Kinderen die dagelijks minder dan vijf minuten per dag lezen, lezen in een jaar 21 duizend woorden. Dat lijkt veel maar kinderen die vijftien minuten per dag lezen, komen in aanraking met meer dan een miljoen woorden per jaar. Ouders die een kind vijftien minuten per dag voorlezen of een kind dat zelf vijftien minuten per dag leest, leert dus 55 maal zoveel woorden per jaar dan een kind dat vijf minuten per dag leest. Kortom een laag opleidingsniveau van ouders hoeft geen factor te zijn in laaggeletterdheid als moeder, vader, opa, oma, broer, zus of zelfs de buren het (klein)kind voorlezen of het kind stimuleren om zelf te gaan lezen. Dat kan in dialect, Nederlands of welke taal dan ook. Het is die investering waard, want mensen die beter kunnen lezen en schrijven voelen zich zelfredzamer, sociaal actiever en gelukkiger.

Column 85 in De Limburger/Limburgs Dagblad, 14 november 2016.

Spelling

Een lezer schrijft me ‘dat er nooit veel verschil is tussen het gesproken en geschreven woord.’ Is het zo dat we spellen zoals we spreken, dus dat iedere letter (grafeem) een klank vertegenwoordigt? Wie kan lezen en schrijven heeft dat meestal als klein kind op school geleerd. Als volwassene staan we later niet meer stil waarom we zo spellen als we doen want door schrijfervaring zijn we vertrouwd geraakt met woordbeelden.

Alleen daar waar regels aan te pas komen zoals in ‘verhuisd’ versus ‘verhuist’ blijft het oppassen geblazen. Maar we schrijven zeker niet zoals we spreken: letters drukken geen een op een relatie uit met klanken. Een klank als de lange ‘ee’ verschilt op papier: beek versus cake, de ‘n’ in ‘oranje’ klinkt echt heel anders dan de ‘n’ in ‘nep’ evenals de letter ‘k’ in ‘zakdoek’ en in ‘koe’.

Het Nederlands kent daarnaaast twee verschillende schrijfwijzen om één klank te schrijven: de lange ‘ij’ in wij en de korte ‘ei’ in rein. In het vroegere Nederlands was dat verschil te horen, net als in de Limburgse dialecten van nu. Een ‘ij’-klank sprak de Middelnederlander uit als ‘ie’: wij was wi(e) en pijp is piep in veel Limburgse dialecten. Door de ‘ij’/’ie’ correspondentie moet het verschil tussen de lange ij en korte ei in het Nederlands voor dialectsprekende kinderen een peule(n)schil zijn. Ik durf te wedden dat zij hierin een voorsprong vertonen op eentalig Nederlandssprekende kinderen.

Terwijl de Limburgers keurig een ‘ei’ laten horen, spreken de Amsterdammers meer een ‘ai’ uit: ‘een ai hoort er bai’. Ook de twee schrijfwijzen ‘au’ in blauw en ‘ou’ in goud stellen nu één klank voor maar vroeger was er wel degelijk verschil: de ‘au’ was meer een ‘aaw’ en de ‘ou’ een ‘oow’-klank. Nu hoor je, zeker in de Randstad, veel vaker een ‘auw’-klank: ik haaw van jaauw.

Meer afwijkingen van het idee dat we spellen zoals we iets uitspreken, zijn zelfstandig naamwoorden als hond en bed en een werkwoordsvorm als ‘ik word’. Iedereen in Nederland zegt hond en bed met een ‘t’ op het eind: ‘hont’, ‘bet’ en ‘wort’. Maar de spelingsregel schrijft voor dat we hond met een ‘d’ spellen omdat het meervoud een ‘d’- klank heeft. Het is ‘honden’ en niet ‘honten’. In een woord als werknemer geven de drie e’s alle een andere klank weer. De ‘e’ in werk is een korte ‘e’, de eerste ‘e’ in de eerste lettergreep van ‘nemer’ is een lange ee en de ‘e’ in de laatste lettergreep klinkt meer als een ‘uh’-klank die taalkundigen een ‘stomme-e’ noemen.

Waar ik als Limburgs kind absoluut moeite mee had, was het spellen van de verleden tijd als in ‘bakte’ met een ‘t’ dat ik, ook nu nog, uitspreek met een ‘d’ (bakde). Datzelfde gold als kind voor woordcombinaties als ‘hij liep de trap op’ dat ik uitspreek als ‘hij liep de trab ob’.

Bovendien schrijven we een heleboel letters die we niet uitspreken. In ‘zij wordt’ horen we geen dubbele ‘t’ maar we schrijven ‘dt’ vanwege de regel dat een verbogen werkwoord in de derde persoon enkelvoud een ‘t’ heeft, net als in ‘zij loopt’. We zeggen ‘lope’ maar schrijven ‘lopen’ in ‘wij lopen naar huis’.

Dan is het opmerkelijk dat we met de laatste wijziging van de spellingsregel letters zijn gaan toevoegen die we absoluut niet uitspreken. De zogenaamde tussen-n is een lege letter. In ‘peulenschil’ en ‘pannenkoek’ is geen n te horen, maar we moeten zo’n stille n wel schrijven. Volgens socioloog Wilterdink is hoe we schrijven een vorm van taalcultuur. Het voorschrift voor zo’n stille tussen-n in ‘peulenschil’ en ‘pannenkoek’ is gevoed door een onbewuste wens om terug te keren naar goede manieren van vroeger. Het spellen van letters die we niet horen, staat dan gelijk aan ‘verzorgd schrijven’, beschaving en ‘hogere’ cultuur. Een dergelijke wens leidt tot verdere verwijdering tussen schrijftaal en spreektaal. Het kan zelfs een toekomstige klankverandering in gang zetten. Wellicht gaan kinderen in de toekomst zo’n stille tussen-n in panneNkoek wel uitspreken vanuit het idee dat we spreken zoals we schrijven.

Column 84 in De Limburger/Limburgs Dagblad, 31 oktober 2016.

Spijt-Limburgers

De leerstoel Taalcultuur in Limburg heeft de eerste Dr. Lou Spronck-lezing georganiseerd, gehouden door Petra Stienen. Stienen is opgegroeid in Roermond, is Arabist, werkte bij Nederlandse ambassades in Caïro en Damascus en is nu senator. Ze adviseert over mensenrechten, persoonlijk leiderschap en diplomatie. Stienen is regelmatig te horen en te lezen op en in de landelijke media. Ze kreeg in 2012 de Vrouwen in de Media Award, de Prins Bernhardcultuurfonds Limburg inspiratieprijs in 2013 en in 2016 de Aletta Jacobsprijs toegekend.

Een van de doelen van de Dr. Lou Spronck-lezing is een dialoog te starten over hoe Limburgers naar elkaar kijken in en buiten de provincie. Daarin is de lezing van Petra Stienen uitstekend geslaagd. De Turnzaal van mijn Faculteit Cultuur- en Maatschappijwetenschappen barstte uit zijn voegen met tweehonderd luisteraars; sommigen stonden in de deuropening of moesten zitten op tafeltjes achterin. Stienen’s lezing sloot feilloos aan bij het onderzoek van de leerstoel naar ‘lokale identiteitsconstructie in Limburg door taalcultuur’. Mensen voelen zich vervreemd en bedreigd omdat onze wereld in een snel tempo verandert. Ook Limburgers moeten zich aanpassen en zich verhouden tot nieuwkomers, tot mensen die vertrekken of mensen die kortstondig verblijven. Zij moeten voortdurend beslissen met wie zij zich wel willen en kunnen identificeren in Limburg en met wie niet en dat zijn emotionele processen.

Twee ingezonden stukken in deze krant van Paul Weelen en Sjef Stijnen laten zien welke tegenstellingen in Limburg in dit tijdsgewricht van belang zijn. Paul Weelen maakt en beleeft zelf een tegensteling tussen achterblijvers in Limburg en succesvolle Limburgers als Petra Stienen, die hij een spijt-Limburger noemt. In zijn tegenstelling is een achterblijver iemand die in Limburg opkomt voor de Limburgse taal en cultuur. Een achterblijver noemt hij een dom gansje. Een spijt-Limburger is iemand die door vertrek naar Holland pure afbraak pleegt aan die Limburgse taal en cultuur. Weelen is een bekende Limburger aan wie de Jo Hansenprijs voor Volkscultuur 2016 is uitgereikt en gerespecteerd is om zijn literaire activiteiten, zijn Limburgstalige muziek en zijn Limburgstalige uitgeverij. Vanuit die positie heeft zijn gevoel dat hij een achterblijver is en een ‘dom gansje’ iets wrangs. Ook omdat hij zich te onmachtig voelt, zo schrijft hij, de gedeputeerde erop te wijzen iets substantieels te doen voor het Limburgs. Hij hoopt dat spijt-Limburgers dit wel bereiken.

Sjef Stijnen spreekt zijn ergernis uit over het Randstedelijk accent van Petra dat volgens hem haar geloofwaardigheid aantast als zij over ‘diversiteit’ spreekt. Stijnen was projectleider van het immens belangrijke sociolinguïstische Kerkrade-project waaruit bleek dat dialectsprekende kinderen zich in de klas in hun Nederlands onzeker voelden, stil waren en faalangst hadden. Ook beoordeelden leraren deze dialectsprekers minder competent dan hun eentalige Nederlandssprekende klasgenoten. Het Kerkrade-project wilde de houding van leerkrachten en andere volwassenen ombuigen zodat dialectsprekende kinderen zichzelf meer zouden respecteren, mondiger zouden worden en taalvaardiger.

De succesvolle Petra Stienen is het schoolvoorbeeld van alles waar het Kerkrade-project voor stond. Ongerijmd dus dat hier een projectleider en hoogleraar zich uitsluitend irriteert aan het landelijk prestigieuze accent van en de mondigheid van de adviserende en zeer taalvaardige Stienen die tot haar zesde vooral dialect sprak.

Aanwezigen lieten mij in e-mails weten dat de lezing van Petra Stienen een groot succes en inspirerend was. Iemand schrijft: ‘De lezing heeft me geroerd: de taal van het hart en de parallellen met mijn eigen ervaringen als Limburger in het “Hollensj”’. Ikzelf was ook ontroerd omdat Stienen in haar lezing in het Remunjs, in haar Nederlands en Arabisch, in plaats van het makkelijke veroordelen van anderen, juist mensen van allerlei herkomst op integere wijze samenbracht in hun liefde voor taal, welke dan ook.

Column 83 in De Limburger/Limburgs Dagblad, 17 oktober 2016.

‘Lager loon voor platprater’

Vorige week verscheen er een opmerkelijk krantenbericht in het Algemeen Dagblad met als titel ‘Lager loon voor platprater’ met als vervolg ‘Mensen die dialect praten verdienen aanzienlijk minder dan degenen die Algemeen Beschaafd Nederlands spreken. Dat geldt zeker voor mannen, hogeropgeleiden en mensen uit de verste “uithoeken” van het land. Het verschil in salaris tussen mensen die dialect en Standaardnederlands spreken bedraagt 5 tot 15 procent. Dat blijkt uit onderzoek dat Jan van Ours, hoogleraar arbeidseconomie aan de Universiteit van Tilburg, deze week heeft gepresenteerd op een congres.’

Het is opmerkelijk hoe Van Ours en zijn promovenda Yuxin Yao het verschijnsel ‘dialect’ en ‘Algemeen Nederlands’ (AN) in hun berekeningen opvatten. Ze beweren: ‘Zelfs onder taalkundigen is er geen algemene definitie over hoe dialect en Algemeen Nederlands (AN) van elkaar verschillen’. De economen zijn hier abuis. Dialectologen hebben boekenkasten vol geschreven over hoe dialecten en AN grammaticaal van elkaar verschillen in bouwstenen zoals klanken en woorden én regels om die bouwstenen te vervoegen en te verbuigen, aan elkaar vast te plakken tot zinnen en grotere gehelen. Wat de economen niet begrijpen, is dat taalkundigen benadrukken dat dialecten in grammaticale rijkdom niet verschillen van het AN en andere talen en dat vanuit die definitie geen onderscheid tussen dialect en AN mogelijk is.

Vervolgens schrijven Van Ours en Yao zonder enige gêne dat veel dialectspreken tot een slechte beheersing van het spreken van het AN leidt. Ook een hoogleraar Economie is dus een gewoon mens met gewone vooroordelen zoals iedereen die niet thuis is in het taalkundig onderzoek van de laatste twintig jaar naar hoe kinderen hun talen verwerven. Dat onderzoek toont aan dat kinderen zich niet alleen één taal eigen maken maar dat zij tevens prima in staat zijn om twee talen als twee moedertalen te leren beheersen ook als ze dialect en AN veel spreken. Onzin dus van de economen.

Welke vergelijkingen vormen nu de basis voor de statistische bewerkingen van de economen? De sociale wetenschappen verzamelen op internet gegevens van mensen die vragenlijsten invullen. Iedere invuller geeft bijvoorbeeld aan wat hij/zij maandelijks verdient, welk type werk hij verricht, waar hij woont enzovoorts. Van Ours en Yao hebben bijna zevenduizend invullers onderzocht op hun antwoord Ja, dagelijks, Ja, regelmatig, Ja, soms en Nee, nooit op de vraag ‘Spreek je dialect’. Deze vraagstelling is problematisch als een onderzoeker daaruit wil concluderen dat dialectsprekers minder verdienen dan AN-sprekers. Het grote probleem is dat de antwoorden nauwelijks analyseerbaar zijn. Sprekers uit de Randstad zijn niet gewend om zichzelf als dialectsprekers te zien maar zij zijn dat natuurlijk wel. Zij hebben een stemloze (z) ‘de son in de see’ en zeggen ‘hij legt op bed’. Dus als een respondent Nee, nooit invult dan wil dat nog niet zeggen dat iemand automatisch AN spreekt. Bovendien hebben mannen en ouderen een ander beeld van ‘dialect’ dan vrouwen en jongeren en beantwoorden zo’n vraag naar dialectspreken verschillend. Vervolgens is niet duidelijk wanneer iemand dialect of AN spreekt. Iemand die dagelijks dialect spreekt, kan prima AN op zijn/haar werkplek spreken of omgekeerd. Het spreken van dialect sluit het spreken van AN niet uit. Ten slotte denken de economen zelf ook dat sprekers die dicht bij de Randstad wonen geen dialectsprekers zijn of omgekeerd; dialectsprekers wonen in hun optiek ver van de Randstad.

In feite hebben ze gemeten dat als iemand ver van de Randstad woont, hij ook per uur minder salaris krijgt en dat is precies wat het CBS ook vermeldt. Inkomensongelijkheid, armoede, werkloosheid, demografische krimp, ondervertegenwoordiging van de hoogste opleidingen en bijbehorende banen in Nederland kent een geografische spreiding: hoe verder weg van de Randstad hoe meer dit samenvalt. Dit heeft echter niets met dialectspreken te maken.

Column 82 in De Limburger/Limburgs Dagblad, 3 oktober 2016.

Syrië-Limburg

Zijn nieuwkomers zich ervan bewust dat inwoners in Limburg naast Nederlands ook dialect spreken? En staat voor hen het vele dialectgebruik het ‘goed’ leren van Nederlands in de weg? Romy van Stigt – student Slavische Talen en Culturen aan de Universiteit van Amsterdam – heeft geprobeerd deze vragen te beantwoorden voor haar stage aan het Meertens Instituut. Ze heeft in Limburg twintig vluchtelingen tussen februari en april 2016 geïnterviewd. Om deze vluchtelingen te vinden is Romy vooral geholpen door de directeur van het NT2 Mundium College in Roermond en de cultuurredactie van de omroep L1.

Precieze aantallen vluchtelingen en statushouders in Limburg zijn niet bekend maar het moeten er rond de vierduizend zijn. Romy heeft de opvangcapaciteiten van ieder asielzoekerscentrum in Limburg bij elkaar geteld: Weert kan 1000 vluchtelingen opvangen, Maastricht 600, Venlo 480, Baexem 425, Echt 414, Heerlen 412, Gulpen-Wittem 250, Sweikhuizen 242 en Brunssum 200.

De interviews van Romy halen deze twintig vluchtelingen uit de anonimiteit. Op twee na zijn allen (alle namen in deze column zijn fictief) naar Nederland gekomen met de voorspelbare reden dat zij of hun familie in hun eigen land niet veilig waren. Zora en Yasin uit Damascus wonen nu in een AZC samen met hun ouders. Hun vader is advocaat en moeder lerares Engels. Zij zitten nog op de middelbare school. Zora zou in Syrië met haar vervolgopleiding medicijnen beginnen maar kan die stap in Nederland nog niet zetten. Farha uit Bagdad (Irak) heeft de opleiding civiele techniek met zwaartepunt watermanagement afgerond maar Nederland erkent haar diploma niet. Ze volgt nu de opleiding civiele techniek aan de Fontys Hogeschool in Heerlen. Raya uit Syrië heeft rechten gestudeerd maar ook haar diploma is niet erkend in Nederland. Ellinor heeft in Damascus Engelse Taal en Cultuur gestudeerd en was werkzaam bij grote internationale organisaties in Syrië. Abbud (Damascus) wil graag zijn technische opleiding aan de Technische Universiteit in Eindhoven voortzetten. Nadir uit Latakia (Syrië) heeft gewerkt als adviseur in de agrarische sector en wil in Wageningen verder studeren.

Deze vluchtelingen zijn dus hoogopgeleid. Meerderen zijn ook meertalig: ze spreken behalve het Arabisch uit Syrië of Irak ook het dialect van het dorp of de stad waar ze vandaan komen en Robel spreekt meerdere landstalen van Eritrea. Bijna iedereen verstaat Nederlands maar het spreken ervan is lastiger zodat ze daarnaast eveneens Engels gebruiken. Alle geïnterviewden hebben uitgevonden dat Limburgers ook dialect spreken door contact met buren of door medewerkers op het AZC en leerkrachten op school die onderling dialect spreken of door lid te zijn van een carnavalsvereniging of door vrijwilligerswerk. Ellinor heeft stage gelopen en hielp Arabisch sprekende kinderen met hun wiskunde.

De meesten leren geen Limburgs omdat zij eerst het Nederlands goed willen beheersen. Bovendien weten sommigen al dat zij naar Noord-Brabant of Gelderland moeten verhuizen of ze hebben studieplannen in Eindhoven of Wageningen. Ook weten ze niet allemaal of ze in Nederland mogen blijven. Iedereen vertelt overigens dat Limburgers hun nooit in het dialect aanspreken, waarschijnlijk omdat zij er anders uitzien. Anbar zegt: ‘Ik heb toch het uiterlijk van een buitenlander’. Dialect leren willen ze wel als ze in Limburg zouden blijven. Omar zegt: ‘Ja, volgens mij wil ik het wel leren. Het klinkt wel cool als ik op straat gewoon Limburgs spreek.’ Dalil kwam er op school achter dat er meerdere dialecten bestaan waarvan de sprekers elkaar niet altijd kunnen begrijpen: ‘In Sittard en Midden-Limburg zeggen ze voor “doei”, “adieë wa”.’

Petra Stienen is Arabiste geeft op 28 september om 19.00 uur in Maastricht de eerste Dr. Lou Spronck-lezing over haar gedeelde liefde voor Limburg en Syrië. Iedereen is welkom na aanmelding bij: secr.hislk@maastrichtuniversity.nl.

Column 81 in De Limburger/Limburgs Dagblad, 19 september 2016.

Geheimlimburgs?

Mijn jonge taalkundige collega aan de Universiteit Maastricht is van huis uit Duitstalig en heeft zich in een jaar tijd het Nederlands via intensieve cursussen eigen gemaakt. Zij maakt in tegenstelling tot vele van huis uit Nederlandstalige studenten geen spelfouten en zondigt niet tegen het kofschip. Het voltooid deelwoord in ‘Ze is verhuisd’ spelt ze correct met een d waar velen een t spellen. Ook haar luistervaardigheid en gesproken Nederlands is meer dan vloeiend. Alleen in haar uitspraak is nog een ietsepietsie Duits te horen. Ze bekende me laatst heel verdrietig dat ze in Maastricht opgehouden is met Nederlands te gebruiken omdat iedereen haar onmiddellijk in het Engels aanspreekt bij het horen van dat vleugje Duits.

Zij is niet de enige die hierover klaagt. Zoveel mensen die graag het Nederlands willen leren, merken op dat zij niet de gelegenheid krijgen om het te oefenen. Zodra maar iets van een buitenlands maar dan wel Europees accent merkbaar is, switchen van huis uit Nederlandstaligen naar het Engels. Nederlands leren spreken is moeilijk omdat het bijna een geheimtaal is waar je als buitenstaander geen toegang toe krijgt. ‘Nederlanders spreken Engels met je in plaats van Nederlands’, roepen ze! Gek genoeg staat dat in schril contrast met de mening in Nederland dat mensen van buiten zo snel mogelijk Nederlands moeten leren.

Bij haar verhaal moest ik denken aan de zoveelste e-mail aan mijn adres die naar mijn mening een urgent probleem in Limburg verwoordt. Een mevrouw schrijft: ‘Graag zou ik willen weten of u weet of er een mogelijkheid is Limburgs te leren, van cd’s of anderszins, tijdens het autorijden? Ik begrijp dat u deze taal bestudeert, en omdat ik sinds 4 jaar in Limburg werk en Limburg erg lang is, dus veel autorijden betekent, stel ik deze vraag. Welk dialect kan me niet zo heel veel schelen, het mooist zou zijn van ergens in Midden-Limburg, maar ik kom overal. Ik heb het bij 2 heemkundige verenigingen gevraagd, maar daar kennen ze geen tools om zo met Limburgs aan de slag te gaan. Het zou mooi zijn als u wel mogelijkheden kent.’ Ik heb haar en vele anderen die mij dezelfde vraag stellen, moeten schrijven dat die mogelijkheden er (nog) niet zijn.

Hoe komt het dat er zoveel cursussen zijn die het schrijven van de diverse dialecten in Limburg beogen maar niet het spreken ervan? Het is duidelijk dat je pas kan leren schrijven als je het dialect ook op de een of andere manier kan spreken. Natuurlijk, schrijven van een dialect is zeker belangrijk. Het idee bestaat dat codificeringsinstrumenten als woordenboeken, spellingsregels en grammatica’s de status van een dialect zoals van iedere taal verhogen. Toch is de mondelinge doorgifte van een dialect nóg belangrijker dan het schrijven ervan. Anders verwordt het Limburgs van nu tot het dode Latijn in de toekomst. Het dialect valt te schrijven, te lezen en te onderwijzen maar niemand spreekt het nog.

Vaak krijg ik van mensen te horen dat een dialect in Limburg niet te leren is omdat de uitspraak ervan zo genuanceerd en moeilijk zou zijn. Mijn jonge collega in Amsterdam die het Maastrichts wil leren, heeft in geen tijd het Koreaans bemachtigd voor een eerder onderzoek. Het Koreaans is geen toontaal maar toch. Als we zoiets moeilijks als Chinees (toontaal) en Russisch (naamvallen) kunnen leren waarom zou dat voor een dialect in Limburg niet mogelijk zijn? Ik stel maar even een vraag. Het zal toch niet zijn dat het gesproken Limburgs, net als het Nederlands, iets voor ‘onder ons’ is, een geheimtaal bijna, waar je anderen niet in toelaat?

Column 80 in De Limburger/Limburgs Dagblad, 5 september 2016.

Turkse Sjengen

Vanaf 1964 kwamen Turken als arbeidsmigranten naar Nederland. In dat jaar sloten Nederland en Turkije een wervingsovereenkomst waardoor Nederland in Ankara het Nederlands Wervingsbureau voor Turkse werknemers kon starten. Onderzoeker Jak den Exter beschrijft dat Nederlandse bedrijven tot 1969 gemakkelijk toestemming kregen om in een bepaalde streek in Turkije te werven. Elke provincie in Turkije had een arbeidsbureau. Het Nederlands wervingsbureau stond in contact met de Turkse arbeidsbureaus en wist daardoor wie er in het buitenland wilde werken. Turken meldden zich bij het arbeidsbureau aan in hun eigen provincie. En die provincie was essentieel voor waar iemand in Europa te werken kwam. Kwam je uit de provincie Konya, dan migreerde je naar Zweden. Woonde je dan ook nog eens in het district Kulu uit die provincie, dan kwam je terecht in Stockholm. Stond je als werkzoekende te boek in de provincie Emirdağ dan werd België het nieuwe werkland.

Waar stond de wieg van de Turken die naar Nederland migreerden? Het Nederlands wervingsbureau stuurde werkzoekenden uit de provincie Konya en vooral uit het district Karaman en Emirdağ naar Utrecht. Uit Emirdağ komt ook de helft van de aanwezige Turken in Haarlem en verder bijna alle Turken in Velzen (IJmuiden) en Zeeuws-Vlaanderen. Turken uit het district Felahiye uit de provincie Kayseri migreerden naar Oudenbosch, Breda en Dordrecht. Driekwart van de oorspronkelijke Turken in Kampen is afkomstig uit het district Posof (provincie Kars).

De Europese wervingsbureaus in Turkije zorgden voor een kettingmigratie: iedereen die migreerde naar Nederland kwam hoofdzakelijk in de buurt van familie, dorpsgenoten of bekenden wonen die al eerder vertrokken waren. Zo hebben migranten dat ook het liefst waar ook ter wereld. Bovendien hadden Nederlandse bedrijven in die tijd graag nieuwe werknemers uit precies dezelfde streek waar de al aanwezige werknemers vandaan kwamen zodat ze goed samen zouden werken. In 20 procent van de gevallen wierf men zelfs op de achternaam zodat men zeker wist dat het bedrijf over familieleden zou beschikken.

De oorspronkelijke migranten in Nederland waren dan ook niet zozeer op Turkije gericht als wel op de streek waar men vandaan kwam. Eind jaren negentig trouwden zo’n 75 procent van de Turken uit dezelfde regio met elkaar. Bovendien vonden Turken uit dezelfde streek elkaar in hetzelfde koffiehuis.

Opvolgende generaties zijn zeker anders gaan spreken in Nederland. Ad Backus van de Universiteit Tilburg beschrijft dat de eerste generatie Turken in Nederland incidentele Nederlandse woordjes gebruikten in een volledig Turkse zin. Ze zeggen ‘evet, terras-ta oturuyorlar’ dat ‘ja, ze zitten op het terras’ betekent. Het Nederlandse woord terras is omringd door Turks. De huidige generaties doen het omgekeerde. Ze zeggen een Turks woord in een Nederlandse zin om zich te onderscheiden, niet omdat ze de Nederlandse pendant niet zouden kennen. Afhankelijk met wie ze spreken en in welke situatie, verstrengelen ze beide talen zo dat niet meer te onderscheiden is wat tot de Turkse of tot de Nederlandse grammatica behoort.

Het kan niet anders dan dat in Limburg nakomelingen van de oorspronkelijke migranten na al die tijd dialect spreken. In Venlo blijkt uit observatie dat een 55-jarige spreker het Turks moeiteloos met het Venloos afwisselt al naar gelang tegen wie hij spreekt. In Maastricht zeggen Turken over zichzelf in deze krant dat ze echte Maastrichtse Sjengen zijn. De Turkse Erdal die op zevenjarige leeftijd naar Maastricht migreerde, vertelt waarom zijn Maastrichts zo vloeiend is: ‘Toen ik kwam, waren er nog weinig Turken. Dus kreeg ik Maastrichtse vriendjes’ en ‘We voelen ons eine vaan us’ zegt Erdal. Toch moeten zij telkens de vraag beantwoorden: ‘hoe heb je het dialect geleerd’? Maar waarom zou het uitzonderlijk zijn dat zij dialect spreken?

Column 79 in De Limburger/Limburgs Dagblad, 22 augustus 2016.

Hondenbemiddeling

Heeft u wel eens goed naar hondenbezitters onder elkaar geluisterd terwijl ze de hond uitlaten? Dat amuseert me enorm. Vaak laat ik in het park tegenover mijn huis mijn langharig geval uit, een fauve briard die we Roos noemen. Hoewel ik dezelfde hondenbezitters elke dag tegenkom, ken ik de meesten niet bij naam maar wel als baasje van Max en Tander of vrouwtje van Bruintje en Tilly. In de Nederlandse hondentaal zijn vooral verkleinvormen als baasje en vrouwtje cruciaal.

Roos is de enige tegen wie ik mijn versie van dialect durf te gebruiken. Ze accepteert dit volledig en voor mij betekent het een intiem stukje van vroeger en Heerlen midden in Amsterdam-Oost. Het is bij mijn weten nog niet onderzocht in welke taal of talen meertaligen tegen hun hond spreken. Tijdens mijn veldwerk in Heerlen halverwege de jaren tachtig heb ik baasjes ontmoet die dialect spraken met hun konijn en papegaai of Pools met hun kanarie. En waarom ook niet. Een huisdier is onderdeel van het gezin. Dat schrijft ook de beroemde Amerikaanse taalkundige Deborah Tannen. Een onderzoek van haar over hoe Amerikaanse gezinsleden tegen en via hun hond spreken, is écht mijn favoriet. Tannen liet ieder gezinslid een week lang in huis een audiorecorder dragen zodat er uren en uren gesprekken opgenomen zijn. Uit die gesprekken blijkt dat honden belangrijke functies in het gezin hebben. Een goed voorbeeld daarvan is het gesprek van een echtpaar bij wie de spanning behoorlijk oploopt. Voordat het tot een echt conflict komt, zegt de echtgenoot met een hoog stemmetje tegen de hond: ‘Mammie is zo gemeen vanavond, spring op de bank om me te beschermen.’ De echtgenoot communiceert zo via de hond met zijn vrouw. Deze uiting is nogal humoristisch want de echtgenoot is een boom van een kerel, zijn vrouw tenger en de hond een Chihuahua-mix. De echtgenoot verzacht de gespannen situatie met humor door de hond als gesprekspartner op te voeren. Tegelijkertijd benadrukt hij dat ze samen – met z’n drieën – een gezin vormen door haar mammie te noemen. In Amerika noemt 83 procent van de eigenaren van een huisdier zichzelf mommie of dad. Wanneer eigenaren bij de dierenarts de klachten van hun huisdieren omschrijven, spreken ze met een hoog stemmetje en doen ze alsof ze de hond zelf zijn.

Een andere functie van spreken via de hond, is dat de spreker afstand kan nemen van zijn eigen woorden. Een vader zegt tegen zijn zoon: ‘Bruin (= de hond) vertelt me dat hij je gemist heeft.’ Door Bruin de hond in de conversatie te betrekken, creëert ook deze vader een familieband die uit drie bestaat (vader-zoon-hond) en populairder is dan een beperktere familieband uit twee. De vader laat zijn zoon indirect weten dat hij hem mist. De bemiddeling via de hond is veel diplomatieker dan het rechtstreekse: ‘Ik wil dat je vaker naar huis komt.’ De vader ontloopt zo bij voorbaat een conflict waarin zijn zoon zich anders voor zijn afwezigheid zou moeten verantwoorden.

Het onderzoek van Tannen speelt zich af in eentalige Engelssprekende families. Maar hoe zou communicatie via de hond in meertalige gezinnen verlopen? Spreekt men via de hond in dialect of Spaans tot andere gezinsleden? Voorkomt een dergelijke taalkeuze ook hoogoplopende ruzies en zorgt het voor meer intimiteit tussen gezinsleden?

Wat zeker is, is dat 63 procent van de gezinsleden in Amerika minstens een keer per dag ‘I love you’ tegen hun hond zegt. Ik beken: ik zeg dat ook tegen Roos. Wat een verschil zou het uitmaken als we dat ook vaker tegen elkaar zouden zeggen. Vooral deze zomer.

Column 78 in De Limburger/Limburgs Dagblad, 8 augustus 2016.