Staat van het Nederlands

Het omvangrijke onderzoeksrapport Staat van het Nederlands. Over de taalkeuzes van Nederlanders en Vlamingen in het dagelijks leven van de Nederlandse Taalunie, het Meertens Instituut en Universiteit Gent is zojuist verschenen. De Nederlandse Taalunie is het officiële orgaan van de Nederlandse en Vlaamse overheden dat over taalbeleid adviseert. De Taalunie met de betrokken taalkundigen onderzochten via een online enquête wanneer en hoe vaak mensen het Nederlands gebruiken en wanneer andere talen.

Ruim 6.500 mensen hebben deze enquête ingevuld: 3.003 Nederlanders (133 Friezen) en 3.419 Vlamingen (113 Brusselaars). Het resultaat van het onderzoeksrapport: het Nederlands denkt men een sterke positie toe in het dagelijks leven hoewel het Engels het Nederlands verdringt in de ICT-, lucht-, zeevaarten onderzoeksector.

Een betrokken taalkundige vroeg mij om Limburgers op te roepen mee te doen. Of mijn oproep via sociale media geholpen heeft, weet ik niet maar op pagina 13 van het rapport vertoont Limburg uiteindelijk het dichtste netwerk aan respondenten. Achteraf gezien heb ik grote spijt van mijn oproep. De enquête zelf en de resultaten zeggen niet zoveel over het Nederlands in relatie tot het Limburgs en andere diversiteit in meertaligheid, behalve dan tot het Engels (en Frans in Vlaanderen/ Brussel). Hoe kan dat nu?
Aan sprekers van een dialect is gevraagd om dialect te beschouwen als Nederlands. Dus als iemand vindt dat hij thuis altijd dialect spreekt, dan moest hij als antwoord invullen dat hij thuis altijd Nederlands spreekt. Dat is absurd want veel dialectsprekers ervaren dat zij tweetalig zijn of in ieder geval dat het verschil uitmaakt wanneer je dialect/Limburgs of Nederlands spreekt.

Nu hebben de taalkundigen in deze enquête het Fries wel als aparte taal gerekend. De Taalunie antwoordt op de vraag van Paul Weelen hierover: ‘het Limburgs [wordt] door de Taalunie niet als een aparte taal beschouwd, maar als een grensoverschrijdende streektaal van het Nederlands.’ Ik kan alleen maar concluderen dat de Nederlandse Taalunie hierin lijnrecht indruist tegen de Nederlandse overheid die het Limburgs en het Nedersaksisch evenals het Fries als regionale talen onder het Europees Handvest erkend heeft in respectievelijk 1997 en 1996. Vervolgens antwoordt de Taalunie: ‘Door het Limburgs als een aparte minderheidstaal te erkennen, zou de sprekers van het Limburgs in feite de status van moedertaalsprekers van het Nederlands worden ontzegd en daar is de Taalunie geen voorstander van.’ Door dit standpunt van de Taalunie is een Fries wel tweetalig Fries-Nederlands, maar een Limburger die dialect/Limburgs-Nederlands spreekt niet. Dat is taalkundig en politiek een volstrekt arbitraire beslissing.

Daarnaast is de top vijf aan andere talen in Nederland in de uitkomsten erg ‘Europees’ voorspelbaar: Fries, Tamazight (=Berbers), Engels, Duits en Spaans. Dat roept de vraag op wie de respondenten precies waren, want waar is het Turks of Arabisch? In de enquête antwoordt 0,6 procent van de respondenten moslim te zijn. Dit is erg weinig vergeleken met de enquête van het CBS over 2015 waarin 5 procent zich moslim noemt op de vraag naar kerkelijk gezindte. Dit laat zien dat sommige groepen sprekers nauwelijks bereikt zijn met de Staat van het Nederlands-enquête.

De enquête zal zich over twee jaar weer herhalen. Dan verwacht ik wel een echte inspanning om een grotere diversiteit aan tweetalige sprekers te vinden, dus een representatieve steekproef. Bovendien naast Brussel ook een focus op de Randstad. Tenslotte doen alle regionale minderheidstalen mee, ook het Limburgs en Nedersaksisch. Of men komt uit voor het echte doel van dit onderzoek: de positie van het Nederlands naast het Engels (Nederland/Vlaanderen) en Frans (Brussel/Vlaanderen), het spreken over alle andere talen is gewoon opsmuk.

Column 97 in De Limburger/Limburgs Dagblad, 15 mei 2017.

Een eigen giraf

In een verzorgingstehuis observeert stagiaire Sophie Martini van het Meertens Instituut gesprekken tussen zorgmedewerkers en bewoners. Sophie studeert dan aan de Universiteit Leiden; momenteel werkt ze aan haar proefschrift aan de Universiteit van Luxemburg.

Op een dag zit ze in de ouderwets aangeklede huiskamer die de sfeer van een ver verleden ademt. Sophie vindt het er gezellig en ook huiselijk. Mevrouw Limburg (pseudoniem) is net gearriveerd en ontvangt net als de andere al aanwezige vijf bewoners een kopje koffie. Ze is 104 jaar oud, behoorlijk doof en bijna blind.

De zorgmedewerkster Marion (pseudoniem) loopt voorbij de huiskamer, ziet mevrouw Limburg en komt binnen om een praatje te maken. Zo te horen kennen ze elkaar erg goed en mogen ze elkaar graag. Marion houdt de hand vast van mevrouw Limburg, buigt voorover zodat ze in het oor van mevrouw Limburg kan spreken en neemt het initiatief tot een gesprek. Ze stelt vragen en moedigt mevrouw Limburg aan die te beantwoorden. Ze start het gesprek: ‘Vertel eens over de giráf in het Krúgerpark.’ Marion begint dus niet zomaar een praatje. Ze vraagt naar een specifieke giraf want ze gebruikt het bepaald lidwoord de – de giraf – in een specifieke plek, het Krugerpark in Zuid-Afrika. ‘Hè?’ zegt Marion om mevrouw Limburg aan het praten te krijgen: ‘Dat was uw eígen giráf?’ ‘Ja tuurlijk’, zegt mevrouw Limburg. ‘Vertel eens over de giraf, hoe ging dat? ‘Nou niks’, antwoordt mevrouw Limburg. Een andere zorgmedewerker lacht nu hard en zegt erg luid: ‘O da’s nie veel’. Daarop begint mevrouw Limburg te praten: ‘Ik gaf ’m gewoon’. ‘Ja’, maakt Marion de zin af: ‘U gáf ’m een áppel’

Mevrouw Limburg vertelt ook: ‘dan kreeg je een mooie diamanten ring (Marion moedigt aan: hmm) en als je een baby krijgt wordt-ie groter en groter en dan wordt ’t ’n…’ Mevrouw Limburg lacht zachtjes. ‘O ja?’ moedigt Marion aan. ‘Als je vijf kinderen hebt dan krijg je zóó’n diamant,’ vertelt mevrouw Limburg. ‘Zóóóó’, zegt Marion ‘Had u ook zo’n ring?’ ‘Neeeeeh, ik had geen vijf kinderen’, gniffelt mevrouw Limburg. ‘Hoeveel kinderen had u?’ ‘Twee, een jongen en een meisje.’ Marion herhaalt zachtjes: ‘een jongen en een meisje. Alle smaakjes die er zijn’. ‘Jaaah’, zegt mevrouw Limburg ‘Ze zijn in Australië, de dochter is in Australië (Marion: hmm) en ik ben in Holland’. ‘En uw kléinzoon is nog in Afrika’, vraagt Marion. ‘In Afrika ja, al d’r kinderen zijn daar’ vertelt mevrouw en ze weeft vervolgens Engels door haar Nederlands ‘Ennik, I still lopen rond’. Marion echoot haar: ‘I still lopen rond, ja’. Mevrouw: ‘I can lachen’. Marion: ‘Goed hè?’ Mevrouw lacht zachtjes. ‘U bent de oudste in het hele huis’ informeert Marion ‘and you still walk around.’

De zorgmedewerkster Marion gebruikt verschillende middelen om het gesprek met mevrouw Limburg te laten slagen. Ze houdt haar hand vast, schreeuwt niet in haar gezicht maar spreekt wat luider in haar oor en accentueert de lettergrepen die klemtoon krijgen nog nadrukkelijker zodat de bijna dove en blinde mevrouw Limburg toch de woorden en uiting van de zin kan raden die Marion zegt. Bovendien herhaalt Marion af en toe woorden en zinsdelen van mevrouw Limburg; ze gebruikt ‘hmm’ en ‘ja’ als aanmoediging. Zo weet mevrouw Limburg dat Marion geïnteresseerd is. Op het moment dat mevrouw Limburg Engels door haar Nederlands mengt, zegt Marion daar niets van maar imiteert die uiting en gaat mee in de Engels-Nederlandse taalkeuze. Mevrouw Limburg eindigt een goed gesprek: ‘Hier is het leuk, hier zijn de meisjes aardig en jij bent allemaal aardig, jullie zijn lief allemaal.’

Column 96 in De Limburger/Limburgs Dagblad, 1 mei 2017.

Ik of ich?

Maarten Boots komt uit Noord-Limburg, spreekt dialect en studeert in Utrecht Nederlandse Taal en Cultuur. Hij ontmoet veel leeftijdsgenoten in Noord-Limburg die niet meer vanzelfsprekend ich in hun dialect zeggen maar ik en hij wil die variatie onderzoeken.

Voor zijn studie heeft Maarten in zijn dialect aan 115 personen tussen de 15 en 88 jaar op straat en in winkelcentra naar meningen over lokale gebruiken gevraagd. Deze vraag garandeert dat de geïnterviewden vaak zinnen met ik of ich gebruiken. Ook vroeg hij welke associaties de persoonlijk voornaamwoorden ik of ich oproepen. Volgens de dialectologen scheidt de Uerdinger Linie plaatsen waarin dialectsprekers honderd jaar geleden ten noorden ervan ik en ten zuiden ervan ich zeiden in Vlaanderen, Noord-Brabant, Limburg en in Duitsland tot aan Polen toe. Van west naar oost is Maarten geweest in Budel (inclusief Budel-Dorplein en Budel-Schoot) en Maarheeze (inclusief Gastel en Soerendonk) in Noord-Brabant en in Noord-Limburg Nederweert (inclusief Budschop, Nederweert-Eind, Ospel en Ospeldijk), Helden-Panningen (inclusief Beringe, Egchel, Grashoek en Koningslust), Baarlo en Tegelen (inclusief Op de Hei en Steyl). Zijn onderzoeksvraag is of dialectsprekers in deze plaatsen ten zuiden van de Uerdinger Linie nog steeds ich zeggen?
Eén uitkomst is dat het gebruik van ich per leeftijdsgroep afneemt ten gunste van ik. Onder de 60-plussers zegt 87 procent van de proefpersonen ich, tussen 41 en 60 jaar 67 procent, tussen 26 en 40 jaar 35 procent en de jongsten tussen 15 en 25 jaar 15 procent. Een tweede belangrijke uitkomst zijn de onderlinge verschillen tussen de plaatsen. Zo had Maarten veel moeite om in Brabant jongeren te vinden die in plaats van een soort ‘algemene Brabantse tussentaal’ dialect zeiden te spreken. De helft van de geïnterviewden in Budel en Maarheeze zegt ich (de ouderen) en de andere helft ik (de jongeren). Bijna iedereen associeert ich met het eigen (oud) dialect en ik met het Nederlands. In Nederweert zeggen alle geïnterviewden echter ich en zij associëren ik ook met het Nederlands. In Helden-Panningen variëren jongeren in het interview tussen ik en ich. Opvallend is dat de geïnterviewden daar ich en ik met diverse plekken associëren. Ich staat in aflopende percentages voor eigen dialect, dan voor Limburg in het algemeen, de eigen buurt, het Duits en tot slot voor specifiek andere dorpen en steden. Zij associëren ik vooral met het Nederlands en met andere plaatsen ten noorden van Helden-Panningen en dan met Helden-Panningen zelf. In Baarlo zeggen alleen ouderen van boven de 60 nog ich en hier denkt men bij ich vooral aan Zuid-Limburg. Ook in Tegelen zeggen de jongeren ik en alleen de ouderen boven de 41 jaar ich. Men linkt ik eerst aan de eigen regio, dan aan het eigen dialect, dan Venlo en slechts een kleine minderheid linkt ik aan het Nederlands. Bij ich denkt men vooral aan Midden- en Zuid-Limburg, aan Limburg in het algemeen en als laatste aan sommige Limburgers.

De resultaten uit Limburg laten zien dat geïnterviewden in het westen ik vooral aan het Nederlands relateren en ich aan de eigen plek en dialect. In het oosten associëren zij ik juist meer met de eigen plek en dialect en ich meer met Duits en vooral met Midden- en Zuid-Limburg. Ik dringt dus zeker door naar het zuiden behalve voor Nederweert in het westen. De associaties die de vormen ik en ich oproepen, lijken dus cruciaal. Nederweert is de enige plaats waar dialectsprekers de vorm ik uitsluitend met het Nederlands associëren en niet met andere Limburgse dialecten zoals ze in het oosten doen. Die exclusieve link tussen ik en Nederlands zet klaarblijkelijk (nog) een rem op de verandering van ich naar ik.

Column 95 in De Limburger/Limburgs Dagblad, 18 april 2017.

Nul dialect

Ongeveer vijftig handen wapperen enthousiast in de lucht wanneer ik vraag wie er van de aanwezigen van het Vrouwengilde Helden dialect spreekt. Minder dan de helft van de handen zwaait wanneer ik vraag wie van hun kinderen dialect spreekt. Ten slotte beweegt niemand meer wanneer ik dezelfde vraag stel over hun kleinkinderen. In de gemeenschapszaal in Helden kijkt men zoekend naar elkaar, maar nee, geen van de kleinkinderen van de vijftig aanwezigen spreekt dialect.

Natuurlijk speelt mobiliteit een allesoverheersende rol. Kinderen zijn verhuisd buiten Limburg, of hebben buiten Limburg een partner gevonden en zijn Nederlandssprekend naar Limburg teruggekeerd. Maar desondanks schrik ik wel van dit mini-onderzoekje. Niet zozeer omdat ik vind dat het dialect zonder meer vitaal moet blijven vanwege het dialect zelf maar omdat tweetalig opgroeiende kinderen vergeleken met eentalige leeftijdgenootjes bepaalde cognitieve voordelen ontwikkelen die goed zijn voor hun concentratie-, inlevings- en taalvermogen.

Het CBS heeft in 1998 in de enquête Permanent Onderzoek Leefsituatie voor het eerst – en bij mijn weten voor het laatst – in heel Nederland de vraag voorgelegd in welk domein iemand dialect spreekt, bijvoorbeeld thuis of in de winkel en met wie zoals met collega’s, buren, ouders of kinderen. De cijfers waren voor Noord-Limburg heel gunstig. In Noord- en Midden-Limburg rapporteert 80 tot 100 procent van de geënquêteerden dat zij dialect spreken met veel lokale taalkenmerken. Bovendien vindt 70 procent van de ondervraagden in heel Nederland het erg als dialecten zouden verdwijnen zelfs als men zegt het dialect niet zelf te spreken. Hoewel ik mijn snelle mini-onderzoekje niet naast het grote landelijke CBS-onderzoek mag leggen, is het toch wel duidelijk dat er veel veranderd is tussen de generaties oma’s en kleinkinderen in Helden in de periode van 1998 tot 2017.

Onwillekeurig moet ik denken aan een grootschalig onderzoek in Limburg in de jaren zestig van de vorige eeuw van de beroemde dialectologen Jo Daan en Toon Weijnen. Zij achterhaalden hoeveel van de bevraagde kinderen op straat in Limburgse steden en dorpen dialect spraken. Die cijfers waren in 1968 geruststellend, behalve voor Heerlen. In Mesch sprak toen 100 procent van de onderzochte kinderen op straat dialect; in Ottersum 99; in Eijsden 97,6; in Nederweert 91,9; in Blerick 85,9; in Maastricht 83,7; in Gennep 72,7; in Venlo 71,5; in Weert 60 en in Heerlen slechts 26,8 procent. Maar het percentage in Heerlen gaat drastisch omhoog naar 49,5 procent als beide ouders in Heerlen geboren zijn. Dus het lage percentage in Heerlen stond, net als in Helden nu en overal in Limburg, niet los van de mobiliteit in de voormalige Oostelijke Mijnstreek. Pater J.J. Mittelmeijer voerde toen het deelonderzoek in Heerlen uit en analyseerde dat vooral ouders uit Limburg die vanuit een dorp naar Heerlen verhuisden hun eigen dialect makkelijk opgaven voor het Nederlands. Kinderen in de meest dialectsprekende wijk van Heerlen – Welten – begrepen het woord Heerlens zelfs als de taal van de ‘stad’, als ‘Hollands’ in plaats van het Heerlens dialect.

Maar er is hoop. Het dialect is immers nog steeds te beluisteren in Heerlen. Het meest wonderlijke overkwam mij toen ik eind jaren tachtig in Heerlen veldwerk verrichtte. Een jong stel, geboren en getogen in Heerlen, gaven aan zelf geen dialect te spreken maar dat wel te doen als ze kinderen zouden krijgen! Ik vraag me nog weleens af of dit inderdaad gebeurd is. Dit gesprek overtuigde me indertijd al dat percentages weinig zeggen over de beweegredenen van mensen hoe te willen spreken. Het dialect in Heerlen had volgens de ijzeren logica van snel afnemende percentages al lang uitgestorven moet zijn maar niets is minder waar.

Column 94 in De Limburger/Limburgs Dagblad, 3 april 2017.

That is tres naiice

We zijn gewend een taal zoals het Nederlands, Marokkaans Arabisch, dialect of Engels te zien als keurig ronde glazen knikkers die netjes naast elkaar liggen en niet mengen. In Nederland spreken de inwoners Nederlands, in Frankrijk Frans en in Swalmen het Zjwaams. Talen zijn in dit idee dus begrensd door politieke en administratieve grenzen en telbaar: het Nederlands in Nederland is een taal, Zjwaams in Swalmen een tweede, en Marokkaans Arabisch in Marokko een derde taal. Vooral vanaf de negentiende eeuw, toen de moderne Europese natiestaten ontstonden, kijken taalkundigen en niet-taalkundigen naar talen alsof ze vastgeklonken zitten tussen vooral landsgrenzen. Maar niets is minder waar.

Laat ik eens wat talen noemen binnen een lidstaat van de Europese Unie die normaliter buiten het gezichtsveld vallen. Het Bretons en Corsicaans in Frankrijk; Noord-Fries en Sorbisch in Duitsland; Friulisch en Sardijns in Italië; Mirandês in Portugal; Aragonees in Spanje; Schots-Gaelisch en Cornisch in Groot-Brittannië tellen op nationaal niveau niet mee en mogen niet meedoen in het onderwijs. Talen die in meerdere EU-lidstaten voorkomen, zijn het Baskisch in Frankrijk en Spanje; Catalaans en Occitaans in Spanje, Frankrijk en Italië; Sami in Zweden en Finland en het Limburgs in Nederland en België. Sommige talen zijn minderheidstalen in een lidstaat maar een dominante taal in een ander land, zoals het Albanees in Italië en Griekenland; Kroatisch in Italië en Oostenrijk; Duits in Frankrijk, Italië, België en Denemarken; Sloveens in Oostenrijk en Italië; Zweeds in Finland en Fins in Zweden; Deens in Duitsland en ja zelfs Nederlands in Noord-Frankrijk. Dan zijn er de niet-territoriale talen die door de hele EU te horen zijn zoals het Romani en Jiddisch en dan natuurlijk de talen die door migranten meegenomen zijn.

De sociolinguïst Guus Extra heeft aan leerlingen van basisscholen en middelbare scholen in 13 Nederlandse gemeenten tussen 1997 en 2001 gevraagd welke talen zij thuis spreken. Dertig procent van de leerlingen – dat waren er 42.726 – geeft meer dan een taal op. Zij rapporteren in totaal 96 talen te spreken in aflopende frequentie: Turks, Arabisch, Berber, Engels, Hindi/Hindustani, Papiamento, Frans, Duits, Sranan Tongo, Spaans, Chinees, Koerdisch, Somalisch, Italiaans, Moluks Maleis, Urdu, Portugees, Servisch/Kroatisch/Bosnisch, Javaans, Farsi, Vietnamees, Grieks en Dari/Pashto. Dus het idee dat al die talen als glanzende knikkers gescheiden van elkaar voorkomen in een eigen stukje territorium, is een mythe. Vroeger was dat niet zo en nu ook niet zoals Adriaan Hogervorst dat in zijn masterscriptie (Universiteit Utrecht) bespreekt. Hij heeft een vriendengroep van vijf studenten (twee vrouwen en drie mannen) tussen de 22 en 23 jaar oud onderzocht op hoe zij in online groepsgesprekken op hun smartphones schrijven. De studenten zijn in Nederland geboren: twee hebben een Nederlandse achtergrond, één heeft een Nederlandse/Australische, één een Chinese/Indonesische en één een Indonesische/Nederlandse achtergrond en allen spreken Nederlands als (tweede) eerste taal.

Een student schrijft ‘We kunnen ook nu chillen, I have this’ dat keurig in het Nederlands begint en in het Engels eindigt. Chillen is oorspronkelijk Engels hoewel jongeren dit niet meer als Engels zullen herkennen. ‘I have this’ lijkt mij een letterlijke vertaling uit het Nederlandse ‘Ik heb dit’. Een van de studenten schrijft: ‘That is tres naiice’. Hoewel ik ‘tres’ als Frans zou analyseren, heeft ‘tres’ voor de jongeren geen associatie meer met die taal en ‘nice’ wordt speels gespeld als ‘naiice’.

Tweets verzonden in Horst aan de Maas laten dit mengen ook mooi zien maar dan tussen dialect en Nederlands: ‘Artieste veur KiKa gisteren groots success.’ en Engels en Nederlands ‘Who is ready voor carnavaaaaalll?!’. Het laat zien dat mensen in hun taalgebruik zich niet aan nationale grenzen storen.

Column 93 in De Limburger/Limburgs Dagblad, 20 maart 2017.

‘Horster band’

Frens Bakker kraakt in zijn proefschrift ‘Waar scheiden de dialecten in Noord-Limburg’ een klassiek dialectologisch vraagstuk met hulp van moderne meettechnieken op de computer. Dialectologen zijn altijd geïnteresseerd (geweest) in de vraag of dialecten van elkaar af te bakenen zijn op basis van uitspraak in woorden. Vooral Limburg kent vele uitspraakverschillen in klinkers en medeklinkers. Volgens dialectologen lopen diverse taalgrenzen of zogeheten isoglossen door Limburg die zes verschillende dialectgroepen van elkaar afbakenen. Van het noordwesten naar het zuidoosten heten die dialectgroepen: het Kleverlands (waar bijvoorbeeld Afferden en Bergen bij horen), een ‘Mich’-gebied (Venlo en omgeving), Centraal-Limburgs (Maastricht en Stein bijvoorbeeld), Oost-Limburgs (Roermond, Sittard en Valkenburg), het Ripuarische overgangsgebied met Heerlen en het Ripuarisch (Kerkrade, Bocholtz, Vaals). De website http://www.Limburgsedialecten.nl geeft meer informatie over deze dialectgroepen en geluidsopnamen van dialectsprekers laten ook horen hoe die dialecten van elkaar verschillen.

Frens heeft de uitspraakverschillen aan weerszijden van de zogeheten Uerdinger linie of isoglosse onderzocht. Deze Uerdinger linie loopt volgens de dialectologen ten zuiden van Maasbree en Venlo en ten noorden van Beringe, Panningen en Tegelen. Deze taalgrens deelt de dialecten ten noorden van deze linie in bij het Kleverlands en ten zuiden ervan bij het Zuidnederfrankisch waartoe het Limburgs behoort. Zoals Frens zelf schrijft, is die taalgrens op flinterdunne gegevens vastgesteld. De gegevens bestaan slechts uit twee woorden waarin k en ch met elkaar alterneren: ik en ook ten noorden van de Uerdinger linie en ich en auch ten zuiden ervan. De dialectologen steggelen al bijna twee eeuwen waar, en gebaseerd op welke gegevens die grens nu precies moet lopen. De dialectenquête Schrijnen-Van Ginneken-Verbeeten (SGV) van 1914 vertoont enorm veel variatie. Voor het Kleverlands geven de plaatsen Afferden, Merselo, Venray, Leunen, Well, Wellerlooi, Oirlo, Meerlo, Blitterswijck, Meterik, Horst, Swolgen en Lottum op: gij (zijt)– ik–mij; in Sevenum (ook Kleverlands): du (bist)–ik–mij; in Arcen, Velden (ook Kleverlands): du (bist)–ik–mij en voor het ‘Mich’-gebied Grubbenvorst, Maasbree, Blerick en Venlo: du (bist)– ik –mich en Baarlo, Panningen, Belfeld en Kessel (Oost-Limburgs): du (bist)–ich–mich. Het hele probleem is het vaststellen van een eventuele indeling in noordelijke en zuidelijke dialecten op basis van maar twee of drie woordjes. Daarom heeft Frens het grootschaliger aangepakt dankzij de meetkracht van de computer. Hij heeft vele woorden uit diverse plaatsen met elkaar vergeleken die voorkomen in onder meer de SGV, twee andere oude dialectenquêtes en in de zogeheten Swadesh-lijst. De Swadesh-lijst bevat woorden uit diverse talen die in elke taal lijken te overleven: een typisch Swadesh-woord is zon in Nederlands, sun in Engels, sonne in Duits, sól in IJslands, sol in Zweeds.

Het resultaat van alle rekenkracht is dat Frens’ analyses een scherp afgegrensd noordelijke groep (Afferden, Oirlo, Blitterswijck, Meerlo, Swolgen, Leunen, Venray, Merselo, Well, Wellerlooi), een iets minder scherp afgegrensd zuidelijke groep (Maasbree, Grubbenvorst, Velden, Blerick, Venlo, Baarlo, Belfeld, Kessel, Panningen) en, opvallend, een middengroep, de ‘Horster band’ (Arcen, Lottum, Horst, Meterik) laat zien. Een driedeling dus waarin Sevenum al naar gelang de meting zich naar de midden- of zuidelijke groep voegt. Verrassend is dat Frens vroeger de door dialectologen aangewezen grenzen als de ik-ich-, de mij-mich- en de gij-du- grens niet kan terugvinden en dat Venlo bij de zuidelijke gebied hoort. De grens tussen het noordelijke en middengebied ligt veel noordelijker dan de Uerdinger linie en valt samen met de oe-oo- en ie-ee-grens in bijvoorbeeld goêjen briêf en goojen breef (goede brief). Een onverwachte bevinding is ook dat de klinkerverschillen toonaangevend zijn bij de afgrenzing van de dialecten in Noord-Limburg terwijl de traditionele indeling in heel Limburg juist op verschillen in medeklinkers gebaseerd is.

Column 92 in De Limburger/Limburgs Dagblad, 6 maart 2017.

Taalreizigers

Tijdens de bijeenkomst Limburg, mobiliteit en de wereld in Fontys Hogescholen Sittard begin december vorig jaar kwamen taalreizigers aan het woord. Voor wie altijd zijn of haar moedertaal overal kan gebruiken, is het moeilijk voorstelbaar hoeveel iemand in het leren van een nieuwe dagelijkse taal of talen moet investeren. Limburgers die in eigen land naar het westen verhuizen, krijgen al de vraag: ‘Waar kom je vandaan?’ of westerlingen in het zuiden: ‘Je bent niet van hier, he?’

Petra Stienen vertelde die middag over een leerling uit Syrië die, bij het krijgen van de opdracht om zich met een dier te vergelijken, schreef: ‘Ik voel me als een dolfijn. Het water is de school maar ik ben een dolfijn half in en half uit het water zwemmend. Soms moet ik het water uit om zuurstof te happen omdat ik op mijn manier wil zwemmen.’

Ook Sanela Hamzic is zo’n taalreiziger die tijdens de bijeenkomst met haar verhaal het publiek doodstil kreeg. Sanela is managementassistente bij het Mundium College in Roermond dat nieuwkomers in Nederland opvangt en Nederlands als tweede taal (NT2) aanbiedt. Sanela komt uit voormalig Joegoslavië (Bosnië) en spreekt van huis uit Servisch en Kroatisch en heeft op school in twee alfabetten leren schrijven, in het Cyrillisch schrift voor het Servisch en het Latijns voor het Kroatisch.

Kwetsbaar vertelt ze dat ze helemaal niet uit Bosnië weg wilde; ze vraagt dan ook de decaan van haar hbo-opleiding om haar niet uit te schrijven! Maar voor haar eigen veiligheid belandt ze begin jaren negentig in Duitsland waar ze Duits leert. Na twee jaar raakt ze verliefd en komt voor de tweede keer in een asielzoekerscentrum terecht maar nu in Nederland. Het Nederlands als zoveelste taal leert ze als nieuwkomer aan het Mundium College waar ze vol liefde over spreekt omdat ze aandacht hebben voor haar vluchtverhaal en ervaringen. Deze school, de liefde en latere contacten buiten school stimuleren haar om in het Nederlands als andere taal te investeren. Maar, ze bouwt haar leven ook in Limburg op waar dialect belangrijk is. Ze is dolgelukkig als ze tiet (tijd) als eerste dialectwoord leert.

Elsa Mourinho Santos is docent aan de opleiding Verpleegkunde aan de Zuyd Hogeschool in Heerlen. Ze komt uit het zuiden van Portugal en heeft zich het Nederlands snel eigen gemaakt om een opleiding te kunnen volgen. Elsa spreekt Portugees, Nederlands, Engels en Spaans en verstaat ook Frans en Italiaans. Haar man is ook Portugees maar woonde twaalf jaar in Zuid-Afrika en herkende het Nederlands snel omdat het zo op het Afrikaans lijkt. In hun gezinssituatie spreken zij Portugees en Nederlands met hun zoontje van zesenhalf die inmiddels ook Engels gebruikt. Toen hun zoon twee jaar oud was, raadde de kinderopvang Elsa aan om hem door een logopedist te laten onderzoeken omdat hij tweetalig was. De testuitslagen lieten zien dat hij over een grote woordenschat beschikte. Die ontwikkeling zette zich door op de basisschool. Maar bij de Cito-toets bleek dat hij toch een score onder het gemiddelde had. ‘Hoe kan dat nou?’ vroeg Elsa zich af. Het bleek dat haar zoon specifieke woorden niet kende zoals kwal. ‘Wat is een kwal? Ja, een dier in de oceaan, er is nooit aanleiding geweest om in Limburg over een kwal te spreken.’ Maar daarentegen kent haar zoon volgens de leerkracht wel heel moeilijke woorden zoals gecompliceerd en consequenties. En die woorden lijken juist heel erg op alledaagse woorden in zijn andere taal het Portugees. Houdt Cito ook met die moeilijke woorden rekening?

Het verslag van Frans van den Heuvel is te lezen op de Fontys OSO website: http://www.fontys.nl/limburgmobiliteitendewereld

Column 91 in De Limburger/Limburgs Dagblad, 20 februari 2017.

Het geluk/gelijk van Limburg

Als Limburg ergens krachtig in was tijdens Het geluk/gelijk van Limburg georganiseerd door Marcia Luyten en Petra Stienen in de Stadsschouwburg van Amsterdam dan waren het de liefdevolle en sterke voordrachten van Connie Palmen en van moeder en dochter Marita en Alma Mathijsen.

Limburgers bedrijven het eten, vertelt Marita Mathijsen. ‘Eten in Limburg is een vorm van veredelde en vooral langdurige seks. In tegenstelling tot seks kan het eten met iedereen bedreven worden: met kinderen, mannen, vrouwen, opa’s en oma’s. Eten in Limburg duurt lang, het moet excellent zijn en toch heeft het geen andere functie dan communicatie. Het moet ook altijd teveel zijn want niets is beschamender dan een tekort dat gelijk staat aan impotentie en frigiditeit.’ In duet met haar dochter Alma liet Marita weten dat zij nooit een dochter wilde die op haar of haar moeder zou lijken. ‘Geen stille dochter die later als vrouw eten klaarmaakt in de keuken terwijl de mannen sigaren roken en oude klare drinken in de huiskamer. Geen dochter die verpleegster wil worden in plaats van arts als zo’n dochter al iets worden wil. Geen dochter die stoeten kinderen zou baren. Geen bescheiden dochter die niet voor zichzelf zou opkomen en achteraan aansluiten en die haar stem niet in het publiek zou durven verheffen. Mijn dochter hoort tot de tweede generatie Limburgers; ze lachen wat om ons eerste generatie. Het leuke van Limburg houdt ze aan en het andere gebruikt ze als het van pas komt.’

Alma Mathijsen, als kind van een Limburgse moeder opgegroeid in de Randstad, beleeft Limburg vooral als kind: ‘Limburg is bloesem en Pasen. Limburg is mijn oom die vindt dat je met Monopoly alleen wint als iemand huilt. Limburg is frites met zuurvlees en met een dampende zak in de auto naar huis. Limburg is als de Gaasbeek waar je met de hele familie naartoe gaat als je teveel vlaai hebt gegeten.’ Gaasbeek die Alma in haar jeugd de Glazen Beek noemde vanwege het o zo heldere wateroppervlak met wegschietende kikkers en reflecterende bomen. Haar relatie met Limburg is oppervlakkig want net als het spiegelbeeld van de Glazen Beek wil zij die nog niet wil verstoren of verder verkennen.

Connie Palmen droeg met zachte stem het hilarisch verhaal voor over de processie in Sint Odiliënberg waarin het uitverkoren meisje als aartsengel met vleugels langer dan 1.70 meter moest zijn. Die processie was belangrijk in haar jeugd; de baar met St. Odilia die ech blindheid kan genezen, ech. De ik-figuur in dat verhaal las Sartre, een boek gekregen van een vriend, waarvan de inhoud haar zo verlokt dat ze sindsdien een existentialist was, iemand verantwoordelijk voor haar eigen keuzes. Dat existentialisme bracht haar tot ‘de daad’. Wachtend op de processie bij het begin van de helling bereidde ze zich mentaal voor. Toen murmelend en biddend, de pastoor met geheven monstrans en de baar met haar grootvader als drager passeerde, weigerde ze te knielen zoals de rest van de toeschouwers. Wel haar ogen gesloten en handen losjes gevouwen voor haar buik als concessie. De plotselinge stilte dwong haar haar ogen op te slaan, om recht voor haar de pastoor met een verwrongen gezicht te zien die haar met de monstrans gebiedend op haar knieën dreef. Deze verhalen met liefde en humor verteld, maakte me die avond in de Stadschouwburg gelukkig. In Amsterdam teruggevoerd naar de herkenning van opgroeien in Zuid-Limburg dat ik alweer bijna vergeten was: bloeiende kersenbomen, mijn spierwitte communiejurkje, strik in het haar, mijn oudere zussen en broers en het rotsvaste geluk dat alles zo hoorde te zijn.

Column 90 in De Limburger/Limburgs Dagblad, 6 februari 2017.

Limburg’s boekenschat in gevaar

De Stadsbibliotheek van Maastricht dient tot laat in de vorige eeuw als het voornaamste centrum van het intellectuele leven in Limburg. De Stadsbibliotheek, opgericht in 1662, is het paradepaardje van de Republiek der Verenigde Nederlanden. Het stadsbestuur van Maastricht is in de zeventiende eeuw dan ook zeer vrijgevig: in 1753 beschikt de Stadsbibliotheek al over 2650 werken in 3500 banden. Het boekenbezit groeit later in die achttiende eeuw indrukwekkend, waarschijnlijk door de in Parijs geboren boekhandelaar Jean-Edmé Dufour die zich in 1766 als kremer (handelaar) in Maastricht inschrijft. Dufour drukt en verkoopt uitsluitend Franstalig werk en heeft al snel een internationale klantenkring van Parijs tot Sint-Petersburg en van Stockholm tot Londen.

De Stadsbibliotheek is door en door verweven met de geschiedenis van Limburg en Maastricht. De Nederlanden behoren na het aftreden van Karel V in 1555 bij het Spaanse rijk dat halverwege de zestiende eeuw zo groot en machtig is dat daar volgens Karel V ‘de zon nooit ondergaat’. Maar de Nederlanden komen tegen de Spanjaarden en hun koning Filips II in opstand en zo begint de Tachtigjarige Oorlog (1568 – 1648). Na tien jaar strijd groeien de Zuidelijke en Noordelijke Nederlanden uit elkaar. In de Noordelijke gewesten worden de protestanten de baas. De Zuidelijke Nederlanden, met het huidige Limburg, blijven bij het katholieke Spaanse Rijk. Door de Maasveldtocht van stadhouder Frederik Hendrik krijgt de protestantse Republiek in 1632 voet aan de grond in Maastricht; daarnaast behoudt de stad haar tweede heer, de prins-bisschop van Luik. De Vrede van Münster beëindigt in 1648 de Tachtigjarige Oorlog maar het zogenaamde Partagetractaat uit 1661 bepaalt pas welke delen in Limburg ‘Hollands’ en welke ‘Spaans’ worden.

Na die vrede in 1648 kan in Maastricht dan eindelijk nieuw elan ontstaan. Twee jaar voor het Partagetractaat leggen hoogschout Demontaigne uit naam van de prins-bisschop van Luik en Joan Groulart als vertegenwoordiger van Den Haag op 1 juni 1659 de eerste steen voor het nieuwe stadhuis (ontworpen door Pieter Post, hofarchitect van Frederik Hendrik). En op 31 juli 1662 besluit het stadsbestuur van Maastricht in dat kersvers opgeleverde stadhuis een bibliotheek te stichten ‘voor den meesten luyster ende aansien van de Stadt’.

Kenners schatten dat de huidige collectie van de Stadsbibliotheek tientallen miljoenen euro’s waard is. De collectie telt ruim 500.000 titels waarvan 20 tot 30 procent onder cultureel erfgoed valt vanwege oude en bijzondere drukken, bibliofiele uitgaven en vele bijzondere deelcollecties zoals zesduizend 17de- tot 19de-eeuwse voornamelijk rooms-katholieke devotieboeken. Een zeldzame bijbeleditie gedrukt in 1571 door de Antwerpenaar Plantijn in opdracht van Koning Filips II en direct al aangekocht door een kanunnik van het kapittel van St. Servaas hoort bij de collectie.

Bovendien verzamelt de Stadsbibliotheek al 150 jaar in principe alle publicaties uit alle vakgebieden over Limburg (mede in opdracht en op kosten van de provincie). De Stadsbibliotheek beschikt dus ook over de complete Limburgstalige literatuur: van Theodoor Weustenraad tot Pol Brounts en van Gé Reinders tot Felix Rutten. Deze veelzijdige collectie maakt aan de ene kant een exclusief zuidelijk perspectief op de Nederlandse geschiedenis zoals de Tachtigjarige Oorlog mogelijk en is aan de andere kant cruciaal voor de vitaliteit van de Limburgse streektaal.

Helaas voldoet het behoud en beheer van de collectie al jaren niet aan de (inter)nationale normen voor erfgoedcollecties. Er wordt gesproken over opname van grote delen van de Stadsbibliotheek (de Limburgbibliotheek, de wetenschappelijke bibliotheek en de collectie LGOG) in de Universiteitsbibliotheek. Het beheer van die collecties is dan in deskundige handen en geen zaak meer van gemeente of provincie. Hopelijk gaat dit lukken. Zo’n historische, unieke en waardevolle collectie verdient het allerbeste.

Column 89 in De Limburger/Limburgs Dagblad, 23 januari 2017.

Dialectspelling

Een nieuw jaar, een nieuw begin. Ik had 2017 uit willen roepen tot het jaar van het schrijven in dialect. De gedeputeerde vroeg mijn advies hoe te reageren op Motie 779 die door statenlid Kirkels in de vergadering van de Provinciale Staten van juli 2016 ingebracht is. Deze motie stelt dat ‘de Limburger zich in het algemeen geremd voelt zich in het geschreven Limburgs uit te drukken door een voor hem lastig te hanteren spellingsvoorschrift met een gróót aantal en een véélvuldig toegepaste dichtheid aan leestekens’. Motie 779 vraagt aan het College van Gedeputeerde Staten om ‘te bevorderen dat het geschreven Limburgs op eenvoudige manier bruikbaar wordt voor alle Limburgers die zich het Limburgs machtig achten’.

De gedeputeerde heb ik schriftelijk laten weten dat het schrijven in dialect in Limburg een tweedeling laat zien tussen geïnformeerde ouderen en jongeren. De ouderen schrijven en ondersteunen de Veldeke 2003-spelling. Zij hebben toegang tot en schrijven vooral in conventionele gedrukte media zoals (carnavals)kranten, woordenboeken, dichtbundels, columns, liedjes en tijdschriften. Voor deze schrijvers is de dichtheid van diakritische tekens uit de Veldeke 2003-spelling zoals ë, ò, é, äö, oë, oeë, àè, ieë, ieè, eë, ië, aeë, èë, èw, àèë, àèw, aoë geen probleem of het wordt niet als probleem gevoeld. Zij ontlenen aan deze spelling autoriteit en treden op als experts hoe te spellen. Ieder serieus schrijfproduct wordt door hen gecorrigeerd. Cultivering van het dialect is voor deze schrijvers een belangrijke drijfveer.
De jongeren daarentegen schrijven veel in hun dialect op digitale media – Whatsapp, Snapchat, Twitter en Facebook – en hebben voor zichzelf een alternatieve ruimte gecreëerd waarin zij ‘zichzelf’ kunnen zijn en schrijven en spellen in hun dialect zoals zij dat willen zonder correctie van anderen: of omdat zij geen weet hebben van Veldeke 2003 of deze bewust negeren of omdat de diakritische tekens de snelheid van het schrijven afremmen. Jongeren willen digitaal experimenteren, vernieuwen en vrij zijn in schrijven, in inhoud en in combinaties van teksten met beelden. Dit experimenteren sluit aan bij de internationale trend: sociale media zijn een vrijplaats om in een minderheidstaal te schrijven.

Ik heb de gedeputeerde dan ook geadviseerd het experimenteergedrag van de jongeren te legitimeren door iedereen in 2017 op te roepen in dialect te schrijven zoals hij/zij wil. Ook voor degenen die hun spelvaardigheden willen uitbouwen volgens de Veldeke 2003-spelling. In het dialectschrijfjaar 2017 is er geen sprake van goed of fout spellen; het wordt voor iedereen een plezier om in dialect te (durven) schrijven. Niemand hoeft iemand in 2017 een moedertaalanalfabeet te noemen.

Mijn voorstel aan de gedeputeerde is om op basis van hoe iedereen in 2017 schrijft een spellingsfrequentie-meting te laten uitvoeren door taaltechnologen. Een top vijf van hoe mensen bij u in de straat, buurt, dorp, stad, regio woorden in hun dialect spellen. Tijdens het schrijven is in het tekstverwerkingsprogramma deze top vijf te zien en te gebruiken. Een klik met de muis en het gekozen woord staat er. In een latere fase zijn hieruit spellingscheckers, woordenboeken en dialectcorpora te ontwikkelen. Samen met de nieuwe directeur van het Meertens Instituut Antal van den Bosch – hij is taaltechnoloog – kunnen we dit voorstel professioneel uitvoeren in ongeveer anderhalf jaar. De gedeputeerde heeft het voorstel afgewezen. Hij schrijft: “Het heeft (…) niet mijn voorkeur om de Limburgse spelling aan te passen.” Maar dit voorstel past NIET de Limburgse spelling aan! Het voorstel geeft juist meer armslag hoe te spellen voor iedereen. Met deze innovatie – democratisch spellen – zou Limburg aan de Europese top staan van het digitaal ondersteunen van minderheidstalen. Een nieuw jaar dus maar geen nieuw digitaal begin.

Column 88 in De Limburger/Limburgs Dagblad, 9 januari 2017.