Taalhiërarchie

Net ben ik begonnen aan de Universiteit Maastricht als een ongeruste moeder me opbelt om te vertellen dat zij haar kind ’s ochtends dialectsprekend naar de peuterspeelzaal brengt om het ’s avonds Nederlandssprekend mee naar huis te nemen. Met studente Vivianne Smeets van de Universiteit Utrecht spreek ik hierover tijdens het jaarlijkse DRONGO-Talenfestival en vervolgens kiest zij dit onderwerp uit voor haar scriptie: welke talen spreken leerkrachten tijdens de alledaagse praktijk in de peuterspeelzaal?

Om die vraag te beantwoorden, observeert Vivianne kinderen tussen twee en vier jaar oud in vier verschillende kinderopvangcentra in midden-Limburg. Al zittend op een bank op een afstand van de kinderen en de leerkrachten let ze op hoe en in welke situatie leerkrachten al dan niet wisselen tussen Nederlands en dialect of andere taal. Haar observaties schrijft ze meteen op in een notitieblok. Ze observeert zoveel mogelijk zonder verwachtingen en zo onbevooroordeeld mogelijk.

In de vier peuterspeelzalen spreken de leerkrachten dialect tegen de kinderen die dialect spreken en Nederlands tegen de uitsluitend Nederlandstalige kinderen. Zij doen dit wanneer de kinderen vrij spelen en/of individueel met een kind spreken. De leerkrachten weten precies welk kind welke taal spreekt en zij wisselen snel tussen de twee talen. Dialect maakt dus deel uit van het talige repertoire. Maar de ongeschreven regel is dat de leerkrachten en kinderen Nederlands spreken tijdens groepsactiviteiten. Tijdens een kringgesprek plaatst de leerkracht voertuigen op tafel waarover een deken ligt. Na het Nederlandse ‘Hocus pocus pilates pas, ik wou dat er iets weg was’ raden de kinderen in het Nederlands welk voertuig er verdwenen is. Soms spreekt de leerkracht tijdens het kringgebeuren incidenteel dialect tegen een kind maar wisselt snel terug naar het Nederlands. Bij het fruitmoment klinkt het Nederlandse: ‘Wat wil jij graag eten?’ en na het eten reikt de leerkracht de kinderen een washandje aan met de woorden: ‘Eentje voor Esther’ en ‘eentje voor…’ met de namen van alle aanwezige kinderen. Voor het boterhammen eten, zingen de kinderen een Nederlands liedje. De kinderen horen ook uitsluitend Nederlands tijdens het smeren van de boterhammen.

Bovendien zijn alle instructies in het Nederlands evenals de liedjes die vaak een instructie bevatten: ‘Wij gaan aan tafel. Komen jullie aan tafel?’ Na het vrij spelen zeggen de leerkrachten in het Nederlands tegen de kinderen om op te ruimen of om de laarzen aan te trekken voor het naar buiten gaan. Ze spreken Nederlands tijdens het uitdelen van tractors en fietsen buiten op de speelplaats. Op een van de peuterspeelzalen smeren de leerkrachten de kinderen in met zonnebrand voordat zij buiten gaan spelen. Tijdens het insmeren spreken de leerkrachten Nederlands of dialect al naar gelang wat het kind spreekt, evenals tijdens het aantrekken van de schoenen. De leerkrachten spreken de hele tijd onderling dialect met elkaar.

Het is duidelijk dat de taalkeuze, hoe onbewust ook, wel duidelijke signalen afgeeft aan de kinderen die daardoor diverse activiteiten met Nederlands of dialect leren associëren. Op de peuterspeelzaal is het Nederlands gereserveerd om kennis over te dragen (kringgebeuren), en wel over het Nederlands (voorlezen) en om een hiërarchie vast te stellen: de leerkracht bepaalt in het Nederlands en niet in dialect welke activiteit op welk moment gebeurt (fruit kiezen, opruimen, laarzen aantrekken). De liedjes in het Nederlands bevestigen deze rolverdeling. De kinderen leren zo het Nederlands, anders dan het dialect, te associëren met de meest belangrijke activiteiten in een hiërarchische rolverdeling. Het dialect dient om ‘onder ons’ te spreken tijdens het ‘onbelangrijke’ vrij spelen. Geen wonder dat die peuters van volwassenen heel snel leren ontdekken dat het spreken van Nederlands belangrijker is dan dialect.

Column 100 in De Limburger/Limburgs Dagblad, 4 september 2017.

Limburgs als taal bij Microsoft

Hoe een dialect in Limburg te spellen levert altijd discussie op. De ouderen schrijven en ondersteunen vaak de Veldeke 2003 of Raod veur ’t Limburgs-spelling in meer conventionele media. De jongeren vertonen veel variatie in hun schrijven op sociale media – Whatsapp, Snapchat, Twitter en Facebook. Hoe aan vele manieren van schrijven tegemoet te komen, inclusief die van Veldeke 2003, is vanaf eind augustus opgelost. Want dan is Microsoft voor nu het eerste grote IT bedrijf dat het Limburgs als taal toevoegt voor mobiele applicaties.

Hun afdeling Swiftkey stelt de Beta (of test-)versie beschikbaar in de nacht van 17 op 18 augustus voor het Limburgse keyboard en spellingschecker voor alle mobiele Android applicaties. Bij elk Microsoft Swiftkey keyboard komt het Limburgs dan als taalkeuze voor. Uiteindelijk is het de bedoeling dat het intikken van de vele diakritische tekens zoals ë, ò, é, äö, oë, oeë, àè, ieë, ieè, eë, ië, aeë, èë, èw, àèë, àèw, aoë geen probleem meer oplevert. Gebruikers kunnen snel blijven tikken.Elke gebruiker kan vanaf 18 augustus gedurende twee weken deze testversie testen en feedback sturen aan Microsoft Swiftkey. Daarna wordt, waarschijnlijk begin september, de definitieve versie gelanceerd, die dan ook voor mobiele iOS (Apple) applicaties beschikbaar is (te downloaden via de App store).

Het Limburgse model voor het toetsenbord en de spellingschecker bij de Microsoft Swiftkey Beta app heeft een grote verzameling van Limburgse woorden. De woorden komen in de spelling van veel dialecten voor op basis van de Veldeke 2003-spelling, maar daarnaast zijn ook Limburgse spellingsvarianten van internet en sociale media toegevoegd. Niet alle spellingsvariatie kon worden opgenomen, maar de bestaande spellingsvariatie zal nog verruimen, omdat iedere individuele gebruiker altijd zijn/haar voorkeursspelling kan toevoegen.

De software dat het taalmodel levert, leert van de spellingsvoorkeur van de individuele gebruiker. Als deze gebruiker vaker een bepaalde spelling van een woord intikt, wordt zijn/haar spellingsvoorkeur na verloop van tijd aan de schrijver aangeboden. De software voegt ook nieuw toegevoegde woorden en spellingsvoorkeuren aan de collectieve woordenlijst voor het Limburgs toe. Hoe meer gebruikers een bepaald woord op een specifieke wijze spellen, hoe meer waarschijnlijk het wordt dat dit woord bij individuele gebruikers als mogelijkheid geopperd wordt.

Het voorspellingsmodel van het Limburgse toetsenbord en de spellingschecker werkt als volgt. Aan de hand van de eerste letters die getypt worden, voorspelt de software welk woord en in welke spelling de gebruiker typt. Het intikken van bijvoorbeeld sto roept stoon (staan) als voorspelling op of het intikken van sjta voorspelt sjtaon. Daarnaast voorspelt de software welk woord in alle waarschijnlijkheid op het vorige woord volgt en geeft hiervoor verschillende mogelijkheden aan.

Limburgs wordt dus ook als taal toegevoegd bij Microsoft. Je kunt bij Microsoft Swiftkey verschillende talen instellen. Op Android applicaties een maximum van 5 talen en op iOS applicaties een maximum van 2. Het toetsenbord zal weten in welke taal getypt wordt en woorden (en spellingen) uit die taal als mogelijkheden aanbieden.

De grote trekker achter dit resultaat is Dr. Yuri Michielsen-Tallman. Yuri is al heel lang actief als voorzitter van de Stichting Limburgse Academie en sinds de zomer projectcoördinator voor het Limburgs Corpus Woordenboek. Beide activiteiten vallen onder de Leerstoel Taalcultuur in Limburg bij de Universiteit Maastricht.​

Na Microsoft veroverd te hebben, is Yuri ook met de andere IT giganten bezig om hen zover te krijgen. Bij op zijn minst één andere lijkt dat te gaan lukken. Hierover op termijn meer. Dit resultaat is volledig tot stand gekomen door liefde voor het Limburgs, er is geen budget aan te pas gekomen maar wel internationale samenwerking met Dr. Ligeia Lugli (King’s College Londen), Michael Anthony Schuler, BA (Harvard) en Dr. Jean Robert Opgenort in San Francisco.

Wat deze digitale middelen voor het schrijven in het Limburgs voor gevolgen hebben, laat zich goed raden. Een nieuwe impuls om Limburgs vooral op digitale media te schrijven en veel spellingsvariatie. De norm van Veldeke 2003 zal bekender worden maar daarnaast zullen de gebruikers op het net ook zelf een consensusspelling weten te creëren. Microsoft goes Limburgs is voor deze regionale taal een revolutie.

Verschenen op Neerlandistiek online op 11 augustus 2017.

Dialect App: Eèsjdes en Mestreechs

Een wens is eindelijk in vervulling gegaan. Zo’n drie jaar geleden spraken Lukas van der Hijden (Bureau Interactieve Communicatie) en ik met elkaar af hoe we een Dialect App zouden kunnen realiseren, een idee dat al langer leefde bij streektaalfunctionaris Ton van de Wijngaard. Het ontwikkelen van zo’n (web)App door een bureau kost geld, er is technische kennis voor nodig en het moet zich lenen voor wetenschappelijk onderzoek. Het lukte niet om het benodigde budget bij elkaar te krijgen.

Na drie jaar na veel overleg met veel diverse wisselende mensen, verzinnen van plannen en bureaucratische hobbels is de Dialect App er toch gekomen! De (web)App voor smartphones en computers komt eind augustus uit en is bedoeld voor iedereen die dialect wil leren, zijn/haar dialect wil laten horen en plezier wil beleven aan dialect. De App bevat zo’n vijftig zinnen in het Eèsjdes en Mestreechs (aangeboden in dialect, Nederlands en Engels) die handig zijn voor iedere toerist of bezoeker. Met hulp van de App kan iedereen de weg vragen in het Eèsjdes en Mestreechs, een biertje bestellen in het café, naar de menukaart in het restaurant vragen en informeren waar een geldautomaat te vinden is. De zinnetjes zijn zo gekozen dat ze niet alleen handig zijn voor de toerist, maar ook dat ze een aantal taalkundige eigenschappen bevatten die interessant zijn voor onderzoek. Hoe meer mensen de zinnetjes inspreken in hun vorm van het Maastrichts en Eijsdens, hoe meer individuele verschillen er zijn om te onderzoeken. Zo krijgen we een schat aan taalkundige informatie hoe het huidige Maastrichts en Eijsdens gesproken wordt: door mannen en vrouwen, door ouderen en kinderen, door oudkomers en nieuwkomers, door sprekers van wie de ouders al dan niet een ander dialect of taal spreken. Ik vind het belangrijk dat iedereen kan meedoen ongeacht hoe hij/zij het Eèsjdes en Mestreechs spreekt.

De Dialect App heeft drie doelen. Inspreken: iedereen die Maastrichts of Eijsdens dialect spreekt, in welke vorm dan ook, kan de dialectzinnetjes inspreken en opnemen voor anderen. Leren spreken: toeristen, nieuwkomers, (im)migranten en andere lang- of kortblijvers kunnen via deze App horen hoe het dialect klinkt en kunnen daardoor zelf het dialect proberen te spreken en opnemen. Onderzoek: de App verzamelt zo veel mogelijk uitspraken van hopelijk heel veel sprekers van dezelfde zinnetjes in Eèsjdes en Mestreechs voor taalkundig onderzoek.

Mijn wens is dat veel meer dialecten en veel meer zinnen in de App terechtkomen maar daarvoor is natuurlijk een groter budget nodig. Het is gelukt om deze App te realiseren door goede wil, excellente samenwerking en kwaliteit. Huub Hamers van de Faculteit Psychologie en Neurowetenschappen van de Universiteit Maastricht wist een excellente BA student (Programmeur en ICT Ontwikkelaar) genaamd Somtochukwu (Somto) Enendu. Somto is afkomstig uit Nigeria, verstaat en leest een beetje Nederlands en nu ook dialect. Hij begrijpt alles van meertaligheid want hij spreekt van huis uit Engels, Igbo en Frans. De gemeente Eijsden-Margraten bood aan om te sponsoren, het Meertens Instituut heeft Somto een stageplek aangeboden met coaching van Antal van den Bosch en mijzelf en vooral Henk van den Heuvel en Wessel Stoop van de Radboud Universiteit (Centrum voor Taal en Spraaktechnologie) hebben Somto begeleid. Veel vrijwilligers hebben de App ingesproken en Laurent Rutten en Roger Weijenberg hebben de zinnen vertaald in het Eijsdens en Maastrichts. En bovenal, Somto’s inzet en kunde maakte dit project tot een succes.

Het dialect is nu digitaal: het Limburgs als taal bij Microsoft en een heuse Dialect App! Begin september is de Dialect App op het web te vinden onder Maasgeluide.nl.

Column 99 in De Limburger/Limburgs Dagblad, 21 augustus 2017.

Actie voor het Limburgs

De Taalunie, samen met het Meertens Instituut en Universiteit Gent publiceren het onderzoeksrapport Staat van het Nederlands. Over de taalkeuzes van Nederlanders en Vlamingen in het dagelijks leven (8 mei 2017). In dit rapport is het dialect in Limburg als Nederlands geteld. Deze methode maakt alle personen die in Limburg dialect en Nederlands spreken tot eentalige sprekers van het Nederlands. In die visie zijn de dialecten gesproken in Limburg een variant op het Nederlands, gelijk een Nederlands uitgesproken met een zachte –g of een Gooise ‘kinderen voor kinderen’ –r.

Verloop
Een online-brief is geplaatst (16 mei) op de website http://www.petitie24.nl/petitie/1013/wij-spreken-limburgs waarin initiatiefnemers Leonie Cornips en Joep Leerssen afstand nemen van bovenstaand rapport van de Taalunie en van de methode gehanteerd door de betrokken taalkundigen. In een kort tijdsbestek ondertekenen vele prominente Limburgers de online-brief getiteld: ‘Wij spreken Limburgs maar de Taalunie wil dit niet weten’ onder wie politici als Minister Ploumen, gedeputeerde Koopmans, musici als André Rieu en Gé Reinders, schrijvers als Connie Palmen, Wiel Kusters, Ton van Reen en Jacques Vriens, filmregisseur en Gouden Kalf-winnaar Remy van Heugten, gezaghebbende hoogleraren als Dekkers, Corbey, Mathijsen, Nissen, Roebroeks en Tummers, taalkundige hoogleraren als Backus, Kroon, Vallen en tientallen andere academici, museumdirecteuren zoals Schatorjé en pers/media professionals van De Limburger en L1 tv/radio.
Ondertussen stromen de handtekeningen binnen. De limiet van vijfhonderd wordt opgehoogd naar duizend en dan naar tweeduizend. Op 22 mei is het beoogde resultaat van tweeduizend ondertekenaars bereikt. De tweeduizend handtekeningen in zeer korte tijd van prominente Limburgers en andere betrokkenen laten zien dat de initiatiefnemers een goed beeld hebben van breed gedragen gevoelens en ervaringen van dialectsprekers als tweetalige sprekers in Limburg.

Eindresultaat
De Secretaris van de Taalunie heeft in een mail aan mij en Joep Leerssen laten weten dat de Taalunie het in oudere stukken vanuit een breder perspectief op taalvariatie het onwenselijk vindt dat het Limburgs erkend is als regionale taal maar dat de Taalunie die erkenning (wenselijk of niet) wel vanzelfsprekend overneemt. De Secretaris stelt in deze mail dus expliciet aan de orde dat de Taalunie het Limburgs als regionale taal erkent. De Taalunie bericht dat zij met de betrokkenen in gesprek wil over het Limburgs om tot een nieuwe visie van de Taalunie te komen. Bovendien hebben de ‘onderzoekers van het Meertens Instituut en de Universiteit Gent in overleg met de Taalunie besloten om te kijken of ze bij de volgende aflevering (over 2 jaar) dialectsprekers en sprekers van regionale talen op kunnen nemen in de enquête.’

Stemmen voor het Limburgs: tot ver buiten Limburg
De meerderheid van de ondertekenaars woont in Limburg maar ook velen zetten New York, Los Angeles, Baskenland, Duitsland, België, Zwitserland, Amsterdam en plaatsen in het oosten van Nederland onder hun naam. De meer dan tweeduizend ondertekeningen en alle publiciteit eromheen leidt ertoe dat de stemmen voor het Limburgs de publieke opinie bereiken. Daardoor kan het spreken van Limburgs en tweetaligheid in Limburg in vervolgrapportages van Staat van het Nederlands niet langer genegeerd en doodgezwegen worden.
Aan iedere ondertekenaar (de petitie website staat me niet toe om emailadressen in te zien) bedankt voor alle steun!

Column 98 in De Limburger/Limburgs Dagblad, 29 mei 2017.

Staat van het Nederlands

Het omvangrijke onderzoeksrapport Staat van het Nederlands. Over de taalkeuzes van Nederlanders en Vlamingen in het dagelijks leven van de Nederlandse Taalunie, het Meertens Instituut en Universiteit Gent is zojuist verschenen. De Nederlandse Taalunie is het officiële orgaan van de Nederlandse en Vlaamse overheden dat over taalbeleid adviseert. De Taalunie met de betrokken taalkundigen onderzochten via een online enquête wanneer en hoe vaak mensen het Nederlands gebruiken en wanneer andere talen.

Ruim 6.500 mensen hebben deze enquête ingevuld: 3.003 Nederlanders (133 Friezen) en 3.419 Vlamingen (113 Brusselaars). Het resultaat van het onderzoeksrapport: het Nederlands denkt men een sterke positie toe in het dagelijks leven hoewel het Engels het Nederlands verdringt in de ICT-, lucht-, zeevaarten onderzoeksector.

Een betrokken taalkundige vroeg mij om Limburgers op te roepen mee te doen. Of mijn oproep via sociale media geholpen heeft, weet ik niet maar op pagina 13 van het rapport vertoont Limburg uiteindelijk het dichtste netwerk aan respondenten. Achteraf gezien heb ik grote spijt van mijn oproep. De enquête zelf en de resultaten zeggen niet zoveel over het Nederlands in relatie tot het Limburgs en andere diversiteit in meertaligheid, behalve dan tot het Engels (en Frans in Vlaanderen/ Brussel). Hoe kan dat nu?
Aan sprekers van een dialect is gevraagd om dialect te beschouwen als Nederlands. Dus als iemand vindt dat hij thuis altijd dialect spreekt, dan moest hij als antwoord invullen dat hij thuis altijd Nederlands spreekt. Dat is absurd want veel dialectsprekers ervaren dat zij tweetalig zijn of in ieder geval dat het verschil uitmaakt wanneer je dialect/Limburgs of Nederlands spreekt.

Nu hebben de taalkundigen in deze enquête het Fries wel als aparte taal gerekend. De Taalunie antwoordt op de vraag van Paul Weelen hierover: ‘het Limburgs [wordt] door de Taalunie niet als een aparte taal beschouwd, maar als een grensoverschrijdende streektaal van het Nederlands.’ Ik kan alleen maar concluderen dat de Nederlandse Taalunie hierin lijnrecht indruist tegen de Nederlandse overheid die het Limburgs en het Nedersaksisch evenals het Fries als regionale talen onder het Europees Handvest erkend heeft in respectievelijk 1997 en 1996. Vervolgens antwoordt de Taalunie: ‘Door het Limburgs als een aparte minderheidstaal te erkennen, zou de sprekers van het Limburgs in feite de status van moedertaalsprekers van het Nederlands worden ontzegd en daar is de Taalunie geen voorstander van.’ Door dit standpunt van de Taalunie is een Fries wel tweetalig Fries-Nederlands, maar een Limburger die dialect/Limburgs-Nederlands spreekt niet. Dat is taalkundig en politiek een volstrekt arbitraire beslissing.

Daarnaast is de top vijf aan andere talen in Nederland in de uitkomsten erg ‘Europees’ voorspelbaar: Fries, Tamazight (=Berbers), Engels, Duits en Spaans. Dat roept de vraag op wie de respondenten precies waren, want waar is het Turks of Arabisch? In de enquête antwoordt 0,6 procent van de respondenten moslim te zijn. Dit is erg weinig vergeleken met de enquête van het CBS over 2015 waarin 5 procent zich moslim noemt op de vraag naar kerkelijk gezindte. Dit laat zien dat sommige groepen sprekers nauwelijks bereikt zijn met de Staat van het Nederlands-enquête.

De enquête zal zich over twee jaar weer herhalen. Dan verwacht ik wel een echte inspanning om een grotere diversiteit aan tweetalige sprekers te vinden, dus een representatieve steekproef. Bovendien naast Brussel ook een focus op de Randstad. Tenslotte doen alle regionale minderheidstalen mee, ook het Limburgs en Nedersaksisch. Of men komt uit voor het echte doel van dit onderzoek: de positie van het Nederlands naast het Engels (Nederland/Vlaanderen) en Frans (Brussel/Vlaanderen), het spreken over alle andere talen is gewoon opsmuk.

Column 97 in De Limburger/Limburgs Dagblad, 15 mei 2017.

Een eigen giraf

In een verzorgingstehuis observeert stagiaire Sophie Martini van het Meertens Instituut gesprekken tussen zorgmedewerkers en bewoners. Sophie studeert dan aan de Universiteit Leiden; momenteel werkt ze aan haar proefschrift aan de Universiteit van Luxemburg.

Op een dag zit ze in de ouderwets aangeklede huiskamer die de sfeer van een ver verleden ademt. Sophie vindt het er gezellig en ook huiselijk. Mevrouw Limburg (pseudoniem) is net gearriveerd en ontvangt net als de andere al aanwezige vijf bewoners een kopje koffie. Ze is 104 jaar oud, behoorlijk doof en bijna blind.

De zorgmedewerkster Marion (pseudoniem) loopt voorbij de huiskamer, ziet mevrouw Limburg en komt binnen om een praatje te maken. Zo te horen kennen ze elkaar erg goed en mogen ze elkaar graag. Marion houdt de hand vast van mevrouw Limburg, buigt voorover zodat ze in het oor van mevrouw Limburg kan spreken en neemt het initiatief tot een gesprek. Ze stelt vragen en moedigt mevrouw Limburg aan die te beantwoorden. Ze start het gesprek: ‘Vertel eens over de giráf in het Krúgerpark.’ Marion begint dus niet zomaar een praatje. Ze vraagt naar een specifieke giraf want ze gebruikt het bepaald lidwoord de – de giraf – in een specifieke plek, het Krugerpark in Zuid-Afrika. ‘Hè?’ zegt Marion om mevrouw Limburg aan het praten te krijgen: ‘Dat was uw eígen giráf?’ ‘Ja tuurlijk’, zegt mevrouw Limburg. ‘Vertel eens over de giraf, hoe ging dat? ‘Nou niks’, antwoordt mevrouw Limburg. Een andere zorgmedewerker lacht nu hard en zegt erg luid: ‘O da’s nie veel’. Daarop begint mevrouw Limburg te praten: ‘Ik gaf ’m gewoon’. ‘Ja’, maakt Marion de zin af: ‘U gáf ’m een áppel’

Mevrouw Limburg vertelt ook: ‘dan kreeg je een mooie diamanten ring (Marion moedigt aan: hmm) en als je een baby krijgt wordt-ie groter en groter en dan wordt ’t ’n…’ Mevrouw Limburg lacht zachtjes. ‘O ja?’ moedigt Marion aan. ‘Als je vijf kinderen hebt dan krijg je zóó’n diamant,’ vertelt mevrouw Limburg. ‘Zóóóó’, zegt Marion ‘Had u ook zo’n ring?’ ‘Neeeeeh, ik had geen vijf kinderen’, gniffelt mevrouw Limburg. ‘Hoeveel kinderen had u?’ ‘Twee, een jongen en een meisje.’ Marion herhaalt zachtjes: ‘een jongen en een meisje. Alle smaakjes die er zijn’. ‘Jaaah’, zegt mevrouw Limburg ‘Ze zijn in Australië, de dochter is in Australië (Marion: hmm) en ik ben in Holland’. ‘En uw kléinzoon is nog in Afrika’, vraagt Marion. ‘In Afrika ja, al d’r kinderen zijn daar’ vertelt mevrouw en ze weeft vervolgens Engels door haar Nederlands ‘Ennik, I still lopen rond’. Marion echoot haar: ‘I still lopen rond, ja’. Mevrouw: ‘I can lachen’. Marion: ‘Goed hè?’ Mevrouw lacht zachtjes. ‘U bent de oudste in het hele huis’ informeert Marion ‘and you still walk around.’

De zorgmedewerkster Marion gebruikt verschillende middelen om het gesprek met mevrouw Limburg te laten slagen. Ze houdt haar hand vast, schreeuwt niet in haar gezicht maar spreekt wat luider in haar oor en accentueert de lettergrepen die klemtoon krijgen nog nadrukkelijker zodat de bijna dove en blinde mevrouw Limburg toch de woorden en uiting van de zin kan raden die Marion zegt. Bovendien herhaalt Marion af en toe woorden en zinsdelen van mevrouw Limburg; ze gebruikt ‘hmm’ en ‘ja’ als aanmoediging. Zo weet mevrouw Limburg dat Marion geïnteresseerd is. Op het moment dat mevrouw Limburg Engels door haar Nederlands mengt, zegt Marion daar niets van maar imiteert die uiting en gaat mee in de Engels-Nederlandse taalkeuze. Mevrouw Limburg eindigt een goed gesprek: ‘Hier is het leuk, hier zijn de meisjes aardig en jij bent allemaal aardig, jullie zijn lief allemaal.’

Column 96 in De Limburger/Limburgs Dagblad, 1 mei 2017.

Ik of ich?

Maarten Boots komt uit Noord-Limburg, spreekt dialect en studeert in Utrecht Nederlandse Taal en Cultuur. Hij ontmoet veel leeftijdsgenoten in Noord-Limburg die niet meer vanzelfsprekend ich in hun dialect zeggen maar ik en hij wil die variatie onderzoeken.

Voor zijn studie heeft Maarten in zijn dialect aan 115 personen tussen de 15 en 88 jaar op straat en in winkelcentra naar meningen over lokale gebruiken gevraagd. Deze vraag garandeert dat de geïnterviewden vaak zinnen met ik of ich gebruiken. Ook vroeg hij welke associaties de persoonlijk voornaamwoorden ik of ich oproepen. Volgens de dialectologen scheidt de Uerdinger Linie plaatsen waarin dialectsprekers honderd jaar geleden ten noorden ervan ik en ten zuiden ervan ich zeiden in Vlaanderen, Noord-Brabant, Limburg en in Duitsland tot aan Polen toe. Van west naar oost is Maarten geweest in Budel (inclusief Budel-Dorplein en Budel-Schoot) en Maarheeze (inclusief Gastel en Soerendonk) in Noord-Brabant en in Noord-Limburg Nederweert (inclusief Budschop, Nederweert-Eind, Ospel en Ospeldijk), Helden-Panningen (inclusief Beringe, Egchel, Grashoek en Koningslust), Baarlo en Tegelen (inclusief Op de Hei en Steyl). Zijn onderzoeksvraag is of dialectsprekers in deze plaatsen ten zuiden van de Uerdinger Linie nog steeds ich zeggen?
Eén uitkomst is dat het gebruik van ich per leeftijdsgroep afneemt ten gunste van ik. Onder de 60-plussers zegt 87 procent van de proefpersonen ich, tussen 41 en 60 jaar 67 procent, tussen 26 en 40 jaar 35 procent en de jongsten tussen 15 en 25 jaar 15 procent. Een tweede belangrijke uitkomst zijn de onderlinge verschillen tussen de plaatsen. Zo had Maarten veel moeite om in Brabant jongeren te vinden die in plaats van een soort ‘algemene Brabantse tussentaal’ dialect zeiden te spreken. De helft van de geïnterviewden in Budel en Maarheeze zegt ich (de ouderen) en de andere helft ik (de jongeren). Bijna iedereen associeert ich met het eigen (oud) dialect en ik met het Nederlands. In Nederweert zeggen alle geïnterviewden echter ich en zij associëren ik ook met het Nederlands. In Helden-Panningen variëren jongeren in het interview tussen ik en ich. Opvallend is dat de geïnterviewden daar ich en ik met diverse plekken associëren. Ich staat in aflopende percentages voor eigen dialect, dan voor Limburg in het algemeen, de eigen buurt, het Duits en tot slot voor specifiek andere dorpen en steden. Zij associëren ik vooral met het Nederlands en met andere plaatsen ten noorden van Helden-Panningen en dan met Helden-Panningen zelf. In Baarlo zeggen alleen ouderen van boven de 60 nog ich en hier denkt men bij ich vooral aan Zuid-Limburg. Ook in Tegelen zeggen de jongeren ik en alleen de ouderen boven de 41 jaar ich. Men linkt ik eerst aan de eigen regio, dan aan het eigen dialect, dan Venlo en slechts een kleine minderheid linkt ik aan het Nederlands. Bij ich denkt men vooral aan Midden- en Zuid-Limburg, aan Limburg in het algemeen en als laatste aan sommige Limburgers.

De resultaten uit Limburg laten zien dat geïnterviewden in het westen ik vooral aan het Nederlands relateren en ich aan de eigen plek en dialect. In het oosten associëren zij ik juist meer met de eigen plek en dialect en ich meer met Duits en vooral met Midden- en Zuid-Limburg. Ik dringt dus zeker door naar het zuiden behalve voor Nederweert in het westen. De associaties die de vormen ik en ich oproepen, lijken dus cruciaal. Nederweert is de enige plaats waar dialectsprekers de vorm ik uitsluitend met het Nederlands associëren en niet met andere Limburgse dialecten zoals ze in het oosten doen. Die exclusieve link tussen ik en Nederlands zet klaarblijkelijk (nog) een rem op de verandering van ich naar ik.

Column 95 in De Limburger/Limburgs Dagblad, 18 april 2017.

Nul dialect

Ongeveer vijftig handen wapperen enthousiast in de lucht wanneer ik vraag wie er van de aanwezigen van het Vrouwengilde Helden dialect spreekt. Minder dan de helft van de handen zwaait wanneer ik vraag wie van hun kinderen dialect spreekt. Ten slotte beweegt niemand meer wanneer ik dezelfde vraag stel over hun kleinkinderen. In de gemeenschapszaal in Helden kijkt men zoekend naar elkaar, maar nee, geen van de kleinkinderen van de vijftig aanwezigen spreekt dialect.

Natuurlijk speelt mobiliteit een allesoverheersende rol. Kinderen zijn verhuisd buiten Limburg, of hebben buiten Limburg een partner gevonden en zijn Nederlandssprekend naar Limburg teruggekeerd. Maar desondanks schrik ik wel van dit mini-onderzoekje. Niet zozeer omdat ik vind dat het dialect zonder meer vitaal moet blijven vanwege het dialect zelf maar omdat tweetalig opgroeiende kinderen vergeleken met eentalige leeftijdgenootjes bepaalde cognitieve voordelen ontwikkelen die goed zijn voor hun concentratie-, inlevings- en taalvermogen.

Het CBS heeft in 1998 in de enquête Permanent Onderzoek Leefsituatie voor het eerst – en bij mijn weten voor het laatst – in heel Nederland de vraag voorgelegd in welk domein iemand dialect spreekt, bijvoorbeeld thuis of in de winkel en met wie zoals met collega’s, buren, ouders of kinderen. De cijfers waren voor Noord-Limburg heel gunstig. In Noord- en Midden-Limburg rapporteert 80 tot 100 procent van de geënquêteerden dat zij dialect spreken met veel lokale taalkenmerken. Bovendien vindt 70 procent van de ondervraagden in heel Nederland het erg als dialecten zouden verdwijnen zelfs als men zegt het dialect niet zelf te spreken. Hoewel ik mijn snelle mini-onderzoekje niet naast het grote landelijke CBS-onderzoek mag leggen, is het toch wel duidelijk dat er veel veranderd is tussen de generaties oma’s en kleinkinderen in Helden in de periode van 1998 tot 2017.

Onwillekeurig moet ik denken aan een grootschalig onderzoek in Limburg in de jaren zestig van de vorige eeuw van de beroemde dialectologen Jo Daan en Toon Weijnen. Zij achterhaalden hoeveel van de bevraagde kinderen op straat in Limburgse steden en dorpen dialect spraken. Die cijfers waren in 1968 geruststellend, behalve voor Heerlen. In Mesch sprak toen 100 procent van de onderzochte kinderen op straat dialect; in Ottersum 99; in Eijsden 97,6; in Nederweert 91,9; in Blerick 85,9; in Maastricht 83,7; in Gennep 72,7; in Venlo 71,5; in Weert 60 en in Heerlen slechts 26,8 procent. Maar het percentage in Heerlen gaat drastisch omhoog naar 49,5 procent als beide ouders in Heerlen geboren zijn. Dus het lage percentage in Heerlen stond, net als in Helden nu en overal in Limburg, niet los van de mobiliteit in de voormalige Oostelijke Mijnstreek. Pater J.J. Mittelmeijer voerde toen het deelonderzoek in Heerlen uit en analyseerde dat vooral ouders uit Limburg die vanuit een dorp naar Heerlen verhuisden hun eigen dialect makkelijk opgaven voor het Nederlands. Kinderen in de meest dialectsprekende wijk van Heerlen – Welten – begrepen het woord Heerlens zelfs als de taal van de ‘stad’, als ‘Hollands’ in plaats van het Heerlens dialect.

Maar er is hoop. Het dialect is immers nog steeds te beluisteren in Heerlen. Het meest wonderlijke overkwam mij toen ik eind jaren tachtig in Heerlen veldwerk verrichtte. Een jong stel, geboren en getogen in Heerlen, gaven aan zelf geen dialect te spreken maar dat wel te doen als ze kinderen zouden krijgen! Ik vraag me nog weleens af of dit inderdaad gebeurd is. Dit gesprek overtuigde me indertijd al dat percentages weinig zeggen over de beweegredenen van mensen hoe te willen spreken. Het dialect in Heerlen had volgens de ijzeren logica van snel afnemende percentages al lang uitgestorven moet zijn maar niets is minder waar.

Column 94 in De Limburger/Limburgs Dagblad, 3 april 2017.

That is tres naiice

We zijn gewend een taal zoals het Nederlands, Marokkaans Arabisch, dialect of Engels te zien als keurig ronde glazen knikkers die netjes naast elkaar liggen en niet mengen. In Nederland spreken de inwoners Nederlands, in Frankrijk Frans en in Swalmen het Zjwaams. Talen zijn in dit idee dus begrensd door politieke en administratieve grenzen en telbaar: het Nederlands in Nederland is een taal, Zjwaams in Swalmen een tweede, en Marokkaans Arabisch in Marokko een derde taal. Vooral vanaf de negentiende eeuw, toen de moderne Europese natiestaten ontstonden, kijken taalkundigen en niet-taalkundigen naar talen alsof ze vastgeklonken zitten tussen vooral landsgrenzen. Maar niets is minder waar.

Laat ik eens wat talen noemen binnen een lidstaat van de Europese Unie die normaliter buiten het gezichtsveld vallen. Het Bretons en Corsicaans in Frankrijk; Noord-Fries en Sorbisch in Duitsland; Friulisch en Sardijns in Italië; Mirandês in Portugal; Aragonees in Spanje; Schots-Gaelisch en Cornisch in Groot-Brittannië tellen op nationaal niveau niet mee en mogen niet meedoen in het onderwijs. Talen die in meerdere EU-lidstaten voorkomen, zijn het Baskisch in Frankrijk en Spanje; Catalaans en Occitaans in Spanje, Frankrijk en Italië; Sami in Zweden en Finland en het Limburgs in Nederland en België. Sommige talen zijn minderheidstalen in een lidstaat maar een dominante taal in een ander land, zoals het Albanees in Italië en Griekenland; Kroatisch in Italië en Oostenrijk; Duits in Frankrijk, Italië, België en Denemarken; Sloveens in Oostenrijk en Italië; Zweeds in Finland en Fins in Zweden; Deens in Duitsland en ja zelfs Nederlands in Noord-Frankrijk. Dan zijn er de niet-territoriale talen die door de hele EU te horen zijn zoals het Romani en Jiddisch en dan natuurlijk de talen die door migranten meegenomen zijn.

De sociolinguïst Guus Extra heeft aan leerlingen van basisscholen en middelbare scholen in 13 Nederlandse gemeenten tussen 1997 en 2001 gevraagd welke talen zij thuis spreken. Dertig procent van de leerlingen – dat waren er 42.726 – geeft meer dan een taal op. Zij rapporteren in totaal 96 talen te spreken in aflopende frequentie: Turks, Arabisch, Berber, Engels, Hindi/Hindustani, Papiamento, Frans, Duits, Sranan Tongo, Spaans, Chinees, Koerdisch, Somalisch, Italiaans, Moluks Maleis, Urdu, Portugees, Servisch/Kroatisch/Bosnisch, Javaans, Farsi, Vietnamees, Grieks en Dari/Pashto. Dus het idee dat al die talen als glanzende knikkers gescheiden van elkaar voorkomen in een eigen stukje territorium, is een mythe. Vroeger was dat niet zo en nu ook niet zoals Adriaan Hogervorst dat in zijn masterscriptie (Universiteit Utrecht) bespreekt. Hij heeft een vriendengroep van vijf studenten (twee vrouwen en drie mannen) tussen de 22 en 23 jaar oud onderzocht op hoe zij in online groepsgesprekken op hun smartphones schrijven. De studenten zijn in Nederland geboren: twee hebben een Nederlandse achtergrond, één heeft een Nederlandse/Australische, één een Chinese/Indonesische en één een Indonesische/Nederlandse achtergrond en allen spreken Nederlands als (tweede) eerste taal.

Een student schrijft ‘We kunnen ook nu chillen, I have this’ dat keurig in het Nederlands begint en in het Engels eindigt. Chillen is oorspronkelijk Engels hoewel jongeren dit niet meer als Engels zullen herkennen. ‘I have this’ lijkt mij een letterlijke vertaling uit het Nederlandse ‘Ik heb dit’. Een van de studenten schrijft: ‘That is tres naiice’. Hoewel ik ‘tres’ als Frans zou analyseren, heeft ‘tres’ voor de jongeren geen associatie meer met die taal en ‘nice’ wordt speels gespeld als ‘naiice’.

Tweets verzonden in Horst aan de Maas laten dit mengen ook mooi zien maar dan tussen dialect en Nederlands: ‘Artieste veur KiKa gisteren groots success.’ en Engels en Nederlands ‘Who is ready voor carnavaaaaalll?!’. Het laat zien dat mensen in hun taalgebruik zich niet aan nationale grenzen storen.

Column 93 in De Limburger/Limburgs Dagblad, 20 maart 2017.

‘Horster band’

Frens Bakker kraakt in zijn proefschrift ‘Waar scheiden de dialecten in Noord-Limburg’ een klassiek dialectologisch vraagstuk met hulp van moderne meettechnieken op de computer. Dialectologen zijn altijd geïnteresseerd (geweest) in de vraag of dialecten van elkaar af te bakenen zijn op basis van uitspraak in woorden. Vooral Limburg kent vele uitspraakverschillen in klinkers en medeklinkers. Volgens dialectologen lopen diverse taalgrenzen of zogeheten isoglossen door Limburg die zes verschillende dialectgroepen van elkaar afbakenen. Van het noordwesten naar het zuidoosten heten die dialectgroepen: het Kleverlands (waar bijvoorbeeld Afferden en Bergen bij horen), een ‘Mich’-gebied (Venlo en omgeving), Centraal-Limburgs (Maastricht en Stein bijvoorbeeld), Oost-Limburgs (Roermond, Sittard en Valkenburg), het Ripuarische overgangsgebied met Heerlen en het Ripuarisch (Kerkrade, Bocholtz, Vaals). De website http://www.Limburgsedialecten.nl geeft meer informatie over deze dialectgroepen en geluidsopnamen van dialectsprekers laten ook horen hoe die dialecten van elkaar verschillen.

Frens heeft de uitspraakverschillen aan weerszijden van de zogeheten Uerdinger linie of isoglosse onderzocht. Deze Uerdinger linie loopt volgens de dialectologen ten zuiden van Maasbree en Venlo en ten noorden van Beringe, Panningen en Tegelen. Deze taalgrens deelt de dialecten ten noorden van deze linie in bij het Kleverlands en ten zuiden ervan bij het Zuidnederfrankisch waartoe het Limburgs behoort. Zoals Frens zelf schrijft, is die taalgrens op flinterdunne gegevens vastgesteld. De gegevens bestaan slechts uit twee woorden waarin k en ch met elkaar alterneren: ik en ook ten noorden van de Uerdinger linie en ich en auch ten zuiden ervan. De dialectologen steggelen al bijna twee eeuwen waar, en gebaseerd op welke gegevens die grens nu precies moet lopen. De dialectenquête Schrijnen-Van Ginneken-Verbeeten (SGV) van 1914 vertoont enorm veel variatie. Voor het Kleverlands geven de plaatsen Afferden, Merselo, Venray, Leunen, Well, Wellerlooi, Oirlo, Meerlo, Blitterswijck, Meterik, Horst, Swolgen en Lottum op: gij (zijt)– ik–mij; in Sevenum (ook Kleverlands): du (bist)–ik–mij; in Arcen, Velden (ook Kleverlands): du (bist)–ik–mij en voor het ‘Mich’-gebied Grubbenvorst, Maasbree, Blerick en Venlo: du (bist)– ik –mich en Baarlo, Panningen, Belfeld en Kessel (Oost-Limburgs): du (bist)–ich–mich. Het hele probleem is het vaststellen van een eventuele indeling in noordelijke en zuidelijke dialecten op basis van maar twee of drie woordjes. Daarom heeft Frens het grootschaliger aangepakt dankzij de meetkracht van de computer. Hij heeft vele woorden uit diverse plaatsen met elkaar vergeleken die voorkomen in onder meer de SGV, twee andere oude dialectenquêtes en in de zogeheten Swadesh-lijst. De Swadesh-lijst bevat woorden uit diverse talen die in elke taal lijken te overleven: een typisch Swadesh-woord is zon in Nederlands, sun in Engels, sonne in Duits, sól in IJslands, sol in Zweeds.

Het resultaat van alle rekenkracht is dat Frens’ analyses een scherp afgegrensd noordelijke groep (Afferden, Oirlo, Blitterswijck, Meerlo, Swolgen, Leunen, Venray, Merselo, Well, Wellerlooi), een iets minder scherp afgegrensd zuidelijke groep (Maasbree, Grubbenvorst, Velden, Blerick, Venlo, Baarlo, Belfeld, Kessel, Panningen) en, opvallend, een middengroep, de ‘Horster band’ (Arcen, Lottum, Horst, Meterik) laat zien. Een driedeling dus waarin Sevenum al naar gelang de meting zich naar de midden- of zuidelijke groep voegt. Verrassend is dat Frens vroeger de door dialectologen aangewezen grenzen als de ik-ich-, de mij-mich- en de gij-du- grens niet kan terugvinden en dat Venlo bij de zuidelijke gebied hoort. De grens tussen het noordelijke en middengebied ligt veel noordelijker dan de Uerdinger linie en valt samen met de oe-oo- en ie-ee-grens in bijvoorbeeld goêjen briêf en goojen breef (goede brief). Een onverwachte bevinding is ook dat de klinkerverschillen toonaangevend zijn bij de afgrenzing van de dialecten in Noord-Limburg terwijl de traditionele indeling in heel Limburg juist op verschillen in medeklinkers gebaseerd is.

Column 92 in De Limburger/Limburgs Dagblad, 6 maart 2017.