Nieuw Limburgs taalbeleid: Een convenant is drijfzand voor het Limburgs

Door Yuri Michielsen-Tallman

Sinds enkele maanden is er weer volop discussie over een nieuw Limburgs taalbeleid. De Provincie Limburg heeft de Raod van ’t Limburgs gevraagd een nieuwe visienota voor te leggen. De vraag is of er een verdere erkenning voor het Limburgs naar Fries model moet komen óf een taalbeleid op basis van een door de Nederlandse overheid aangeboden convenant? Welke weg biedt de meeste zekerheid voor een volwaardig taalbeleid voor het Limburgs?

Het Limburgs is sinds 1997 door de nationale overheid erkend als regionale taal onder het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden. Die erkenning geldt ook voor het Fries en het Nedersaksisch. De nadruk zal hier echter liggen op het Fries en het Limburgs.

Het Handvest is door de Raad van Europa in het leven geroepen om regionale talen te beschermen. Regionale talen zijn vaak in een achterstandspositie ten opzichte van nationale talen gekomen. Door wettelijke maatregelen, taalbeleid en financiering voor gebruik in het openbare leven, in het onderwijs en de media hebben nationale talen (zoals het Nederlands) een dominante positie verworven. Dat heeft onder andere geleid tot een afname in het gebruik van regionale talen en vaak een stigma voor de sprekers ervan. Er bestaan vooral ook wettelijke en financiële hindernissen, die het gebruik en de aanpassing van de regionale taal aan de moderne tijd belemmeren. Het Handvest beoogt regionale talen te beschermen door deze veel van de rechten en mogelijkheden te bieden die ook aan nationale talen ter beschikking staan.

Onder het Handvest is het Limburgs evenzeer een regionale taal als het Fries, zij het met minder rechten. Deel II Handvest met doelstellingen en beginselen is op beide talen van toepassing verklaard. Echter, alleen voor het Fries heeft de Nederlandse overheid zich gebonden aan de rechten en verplichtingen voortvloeiend uit Deel III ter bevordering van het gebruik in het openbare leven.

De Nederlandse overheid heeft vanaf het begin geweigerd haar verplichtingen voor het Limburgs onder het Handvest na te komen, terwijl zij die voor het Fries wel nakomt. De Raad van Europa, toezichthouder op de naleving van het Handvest, is het niet eens met de ongelijke behandeling van het Limburgs ten opzichte van het Fries. Alleen Deel II toepassen staat trouwens ook op gespannen voet met de geest van het Handvest, omdat Deel III de essentie van de bescherming biedt. In de praktijk hebben zeer weinig verdragspartijen voor alleen toepassing van Deel II gekozen en is de Nederlandse Staat hiermee een buitenbeentje binnen Europa.

Na twintig jaar druk door de Raad van Europa is de Nederlandse overheid nu wel bereid haar houding te veranderen, omdat Nederland is geïsoleerd binnen Europa. De nationale overheid schendt het Handvest door haar verplichtingen voor het Limburgs (en het Nedersaksisch) niet na te komen. Den Haag onderhandelt daarom met vertegenwoordigers van het Nedersaksisch over een ‘convenant’, een soort juridisch niet-bindende bestuursafspraak voor steun aan die regionale taal.

Sommigen binnen het Limburgse zien zo’n convenant ook voor het Limburgs wel zitten. Een zelfde wettelijke regeling zoals voor het Fries zou voor het Limburgs niet nodig zijn. Als jurist kan ik daarvoor alleen maar voor waarschuwen.
Zo’n convenant zet het Limburgse taalbeleid nog eens 20 jaar in de ijskast. Zonder juridische afspraken ontbreekt het bij zo’n convenant aan een afdwingmogelijkheid via het nationale recht om te zorgen dat de nationale overheid zich eraan houdt. Dit convenant is drijfzand, omdat Limburgs taalbeleid daarmee afhankelijk wordt van de politieke wil van wisselende regeringscoalities en de onvoorspelbare houding van de rijksoverheid en haar ambtenaren ten opzichte van het Limburgs.

Desastreus is dat zo’n convenant de Nederlandse overheid een argument verschaft om de Raad van Europa buiten spel te zetten. Een convenant is een puur binnenlandse afspraak. Over naleving ervan kan de Raad geen controle en druk op de nationale overheid uitoefenen. Een Limburgs taalbeleid heeft dan geen internationale bondgenoot en geen poot om op te staan.

De steeds grotere druk de afgelopen twintig jaar van de Raad van Europa werkt. Hiervan getuigen recente intitiatieven van de nationale overheid: het Streektalensymposium in Deventer in november van 2017, georganiseerd door het Ministerie van Binnenlandse Zaken, én de wil van BiZa te onderhandelen over een convenant. Een wettelijke regeling voor een regionale taal werkt ook. Het Fries heeft, juist door een juridische verankering in Deel III Handvest en nationaal recht, een duurzaam taalbeleid met de rijksoverheid kunnen ontwikkelen met miljoenen euros steun.
Zo’n juridisch kader voor het Limburgs is ook wettelijk vereist. De verschillende behandeling van Limburgs en Fries schendt enkele belangrijke juridische normen: het gelijkheidsbeginsel van de Grondwet, de geest van het Handvest en verschillende voor Nederland geldende internationale verdragen met een discriminatieverbod op grond van taal.
De Nederlandse overheid staat in het ongelijk. De juridische weg is een lange, maar de aanhouder wint. Vraag dat maar aan de Friezen. Een wettelijke basis gelijk aan die van het Fries is mogelijk. Zo’n wettelijke basis geeft de enige solide fundering voor een duurzaam taalbeleid voor het Limburgs.

Verschenen op Neerlandistiek.nl, 7 februari 2018.

Erbij horen of niet?

Column van mijn Ph.D Lotte Thissen, Taalcultuur in Limburg, die bij mij op 11 januari 2018 promoveerde:

“Waar kom je vandaan?” Wie deze vraag te horen krijgt, wordt gezien en bestempeld als ‘anders’ of afwijkend van een bepaalde norm. Mijn etnografische onderzoek in de Limburgse stad Roermond ontmoedigt de vraag “waar kom je vandaan?” en termen als ‘autochtoon’ en ‘allochtoon’.

De provincie Limburg wordt vaak geassocieerd met carnaval, katholieken en het gebruik van dialect en de zachte g. Mijn studie naar dagelijkse taalpraktijken van mensen in Roermond laat echter zien dat ‘de provincie’, net als de Randstad, een gebied is waar meertaligheid en culturele diversiteit bestaat. In Roermond vinden er interessante ontmoetingen en combinaties plaats tussen sprekers van wat we zien als dialect, Nederlands, een mondiale taal als Engels en migratie- en mobiliteitstalen als Arabisch en Turks. Daarbij is er een groot verschil tussen wat mensen zeggen dat ze doen en wat zij in werkelijkheid doen; de mede-eigenaar van een supermarkt vond dat het voor hem, als Turk, blöd is om plat (dialect) te praten, maar tijdens mijn veldwerk heb ik hem dagelijks dialect horen spreken met klanten, naast allerlei andere talen.

Mijn onderzoek geeft zo inzicht in de manieren waarop mensen talig met elkaar omgaan in het dagelijks leven in Limburg. Welke talige middelen gebruiken zij om elkaar aan te spreken en het gevoel te hebben er wel of niet bij te horen in een bepaalde plek? Deze kwesties zijn belangrijk in een meertalige en cultureel diverse wereld waarin we elkaar dagelijks bevragen op basis van taal en cultuur over wie dé Nederlander of dé Limburger is en wie niet. Mensen zijn in alledaagse en, op het eerste gezicht, onschuldige ontmoetingen voortdurend grenzen aan het trekken tussen ‘wij’ en ‘zij’ door talige gebruiken. De beschrijvingen van deze dagelijkse ontmoetingen leren ons dat iedereen zich buitenlands of out of place kan voelen, ongeacht of iemand (al generaties lang) uit Roermond komt, uit Den Haag of Marokko. Zo zouden twee mannen in mijn onderzoek, oorspronkelijk geboren in ‘Holland’, ‘autochtoon’ zijn, maar ze blijken zich ‘allochtoon’ te voelen in hun eigen land, in Limburg. Mensen zijn voortdurend bezig met talking in and out of place van zichzelf en anderen, ongeacht hun geboorteplek of achtergrond en wat en hoe ze spreken.

De vraag “waar kom je vandaan?” is daarom nietszeggend en zet een persoon weg als buitenstaander die er niet bij hoort, ook al voelt deze persoon juist het tegenovergestelde. De veldwerkbevindingen uit Roermond tonen dat gevoelens van er wel of niet bij horen sterk afhankelijk zijn van de plekken waarin we ons begeven. Dit maakt termen als autochtoon en allochtoon willekeurige containerbegrippen die mensen beperken en geen inzicht geven in de daadwerkelijke ervaringen en praktijken van mensen.

Het feit dat iemand er ‘anders’ uit ziet of buiten Limburg geboren is, wil niet zeggen dat deze persoon geen dialect spreekt. De vraag “waar kom je vandaan?” of het label “allochtoon” kan dan ook een pijnlijke ervaring opleveren. Ik pleit er daarom voor dat we tijdens ontmoetingen met nieuwe mensen open zijn door eerst te vragen welke taal we kunnen spreken in plaats van meteen Nederlands, Engels, dialect of welke taal dan ook te kiezen.

Verschenen op Neerlandistiek.nl op 25 januari 2018.

Nieuwjaarsboodschap Taalunie

Illustratie: Jochem Galama

Onder de ‘beste-wensen’-boodschappen kreeg ik ook de nieuwjaarsfolder Tal van Talen. In en Om het Nederlands van de Taalunie onder ogen. De folder visualiseert en verwoordt de boodschap van de Taalunie anno 2018: Nederland is rijk aan variatie en meertaligheid. Een strip, zoals op de voorkant van de folder te zien is, bevat noodgedwongen een dosis versimpeling in de poging om de complexiteiten van taalvariatie en meertaligheid als een soort netwerk van knooppunten in kaart te brengen.

Meer precies beeldt de strip uit dat talen aan plekken en zelfs heel expliciet aan gebouwen in Nederland en België verankerd zijn. Nederlands, Duits, Engels en Frans vormen een talig knooppunt binnen de schoolmuren; Nederlands, Arabisch, Turks, Hebreeuws en Tamazight (plus een hokje met daarop ‘andere talen’) in moskee- en kerkgebouwen; streektalen vormen een talig knooppunt binnen een veestal met koeien ervoor; Engels, Fries en Nederlands verkeren in een monumentaal schoolpand; Fryslân is ‘het land van taal’ en ‘meng-variëteiten’ (?) verkeren in wolkenkrabbers. In het knooppunt sociale media is Tamazight, Nederlands, Russisch, Italiaans en Turks geplaatst; op een cv mag Nederlands, Frans, Duits en Hindi; in de bouw en in het modevak is Nederlands toereikend.

Nu kan een bijbehorende tekst de stereotypen in de strip – taal als een statisch verschijnsel verankerd aan plekken/gebouwen – zo loszingen dat hij de noodzakelijke verwondering bij de lezer oproept. Deze verwondering biedt dan ruimte om de visie van de Taalunie over taalvariatie en meertaligheid anno 2018 uit te dragen en welk beleid zij gaat inzetten. Maar de kabbelende tekst vermijdt hete hangijzers voor dat beleid. Zo’n heet hangijzer is of het Nederlands in Nederland en Vlaanderen wel bij uitstek de voertaal is in sociaal verkeer zoals de folder suggereert. Ik zou de schrijver graag willen uitnodigen in mijn huizenblok waar Tamazight de dagelijkse voertaal is, de Oude Hoogstraat in Amsterdam waar Engels de voertaal in de horeca is en in Geulle waar het Limburgs de voertaal is. Is het Tamazight dan nog wel een vreemde taal?

Nog een heet hangijzer: de folder informeert uitvoerig in welke landen het Nederlands over de wereld voorkomt, waar het wel of geen erkenning heeft, en hoe belangrijk zo’n erkenning is voor de sprekers ervan. Welnu, dit Nederlands elders divergeert in taalkundig opzicht aanzienlijk, maar wat onduidelijk blijft, is hoe de Taalunie de spanning tussen het label Nederlands en de aanzienlijke taalkundige verschillen ziet. Want het zijn juist die ongedefinieerde ‘varianten’ waar de Taalunie het moeilijk mee heeft. Hoewel de folder met graagte informeert over de erkenning van het Nederlands elders, kan het niet uit de pen krijgen dat de Nederlandse overheid eind jaren negentig het Fries, het Nedersaksisch en het Limburgs als streektalen onder het Europees Handvest voor Regionale Talen en Minderheidstalen erkend heeft. Deze politieke erkenning betekent dat de Taalunie het Limburgs in Nederland niet als quasi-Nederlands mag wegcijferen; in België mag dat echter wel, omdat België dit handvest nooit heeft willen ratificeren. In Nederland zijn sprekers van Limburgs niet alleen in hun eigen taalbeleving, maar ook wettelijk meertalig; in België ligt dat minder duidelijk: wettelijk gezien is hun Limburgs gewoonweg (afwijkend) Nederlands. Dat is voor een bi-nationale instantie als de Taalunie lastig maar de werkelijkheid is nu eenmaal niet anders. In zijn poging om verhullend met die problematiek om te gaan, is de folder krampachtig en inaccuraat. Het Brabants wordt een streektaal genoemd, Fries als taal lijkt los te staan van erkenning onder datzelfde Europese Handvest en het Limburgs krijgt hoogstens de status van dialect mee.

Anderzijds suggereert de folder dat stileringen in het Nederlands zoals omgangstaal, straattaal en etnolecten aparte talen zijn, want anders dan de streektaal-koeienstal krijgen zij ieder een knooppunt in de strip.

De internationale sociolinguïstiek beziet taal al lang niet meer als een bezit van een land of van een plek of van een groep sprekers maar als een praktijk, een activiteit tussen taalgebruikers waarin dingen gebeuren zoals taalkeuze, code-mixen, luistertalen, het gebruik van een lingua franca, de taal van de ander of wat dan ook om een bepaald iets te bereiken en/of om sociale betekenis aan de wereld om ons heen te geven zoals vriendschap, autoriteit, legitimiteit, authenticiteit, herkomst, familie, erbij horen, gender, leeftijd, intimiteit, sociale klasse, ontwikkeling kennis. Bij deze analyse hoort het inzicht dat ‘taal’ gekoppeld aan nationale, provinciale of gemeentelijke administratieve grenzen een politiek construct is en dat taal daarnaast ook een taalkundig, cognitief, sociaal en cultureel construct is. In die visie zou het geen enkele verwondering wekken om Tamazight in een veestal te horen en een streektaal in een wolkenkrabber. Het afbakenen van taalvariatie en van meertaligheid is afhankelijk van de actoren en de context en het doel waarbinnen dit gebeurt en de identificaties die sprekers beogen. De gelegenheid om de relaties van de Taalunie te informeren over deze gangbare inzichten in taalvariatie en meertaligheid is hier jammer genoeg niet benut.

Verschenen op Neerlandistiek.nl, 2 januari 2018,
en in het Mestreechs op Veldeke.net

Gebarentaal

Mijn laatste column in De Limburger wijd ik graag aan meertalige kinderen die extra zorg in het onderwijs nodig hebben. Dove en slechthorende kinderen, net als kinderen met autisme of kinderen met een taalontwikkelingsstoornis (TOS) communiceren op meerdere manieren om hun boodschap over te brengen. Vaak ontbreekt een perspectief op deze manieren, evenals op de kwetsbaarheid en cognitieve, sociale en emotionele ontwikkeling van deze kinderen.

Met Anja van Schijndel, docent Opleidingscentrum Speciale Onderwijszorg, en nog vele andere collega’s van Fontys, Campus Sittard en LBRT organiseerden we begin november een interactieve taalthemamiddag waarin we actief in gesprek gingen met ouders, kinderen en jongeren zelf, opvoedings- en onderwijsprofessionals, studenten en onderzoekers. Het doel van de workshop was ideeën als ‘kinderen met autisme hebben geen gevoelens’ of ‘communicatie vindt altijd plaats door gesproken taal’ de wereld uit te helpen en onderzoekers uit te dagen de dagelijkse leefwereld van kinderen die zij bestuderen in te stappen.

Beppie van de Bogaerde, Hoogleraar Nederlandse Gebarentaal, benadrukt dat dove en slechthorende kinderen vaker leerkrachten aanraken en dat dit voor hen een overlevingsstrategie is. Met aanraken krijgt een leerling de visuele aandacht die noodzakelijk is om te kunnen communiceren in gebarentaal. Gebarentalen zijn net als het Limburgs of Engels echte talen met een eigen woordenschat en grammatica, alleen zijn bij deze taal ook je handen, en ook de stand van je hoofd en gezichtsuitdrukking cruciaal.

95 procent van dove kinderen is geboren in gezinnen met horende ouders en dove kinderen komen nooit of pas later, vaak na of rond de leeftijd van vier in aanraking met gebarentaal. Deze kinderen zijn dus extra kwetsbaar in hun taalontwikkeling omdat zij meestal geen gebarentaal en gesproken taal (door hun doofheid) goed aangeboden krijgen tot hun vierde. Ouders kunnen best gebarentaal leren maar zij neigen, net als professionals, toch naar gesproken taal om met dove kinderen te communiceren.

Volgens Beppie zijn er 125 tot 135 gebarentalen in de wereld gevonden. Taal is een expressie van een gemeenschap en gebarentaal verschilt dus ook per gemeenschap. Meestal ontstaan dovengemeenschappen daar waar kinderen langere tijd bij elkaar moeten verblijven voor hun onderwijs zoals in internaten. In Nederland zijn er vijf dovenscholen geweest waarvan drie internaten in Voorburg, Groningen en st. Michielsgestel en daar is inderdaad een specifieke gebarentaalcultuur ontstaan. In Voorburg stond het internaat positief tegenover gebarentaal, in st. Michielsgestel kreeg vooral het spreken en liplezen de voorkeur terwijl Groningen meer voor een meertalige communicatie was.

Gebarentaal is net zo rijk als gesproken taal: er bestaan dialecten, er is onderscheid in formele en informele gebarentaal en er is jongerengebarentaal. Een kind dat met gebarentaal in Hong Kong opgegroeid is, moet zeker hier de Nederlandse Gebarentaal leren. De Nederlandse gebarentaal kent dialectverschillen in woorden en in het equivalent van klanken, de kleinste samenstellende delen van gebaren, zoals handvorm en plaats in de ruimte. Het Groningse gebaar voor jarig vindt plaats door een gebaar op de bovenarm te maken omdat kinderen daar vroeger koek opgebonden kregen als zij jarig waren; elders in Nederland wordt het gebaar voor jarig voor de buik gemaakt. Alleen in Amsterdam is het werkwoord verhuizen uit te drukken door een takelbeweging te maken.
Het wordt tijd dat de Nederlandse Gebarentaal ook door de Nederlandse overheid erkenning krijgt onder het Europees Handvest voor Regionale talen en Minderheidstalen.

In deze laatste column bedank ik iedereen die mij de afgelopen jaren geschreven, gebeld of gesproken heeft om mij kennis, ideeën, gevoelens, wensen en meningen over dialect en meertaligheid in Limburg duidelijk te maken. Ik hoop dat iedereen me straks nog kan vinden, of via mijn UM e-mail adres of via mijn Nederlandstalige website waar alle activiteiten die de leerstoel voor Limburg organiseert, te vinden zijn.

Column 106 in De Limburger/Limburgs Dagblad, 11 december 2017.

Interculturele communicatie

Een droomstage voor student en begeleider is het beantwoorden van vragen die de overheid stelt zoals het politieteam Horst aan de Maas en de gemeenten Horst en Peel aan de Maas. Zij willen weten of hun informatie Poolse arbeidsmigranten bereikt? De regio Noord-Limburg herbergt immers meer dan elders in Nederland, Poolse en andere Oost-Europese arbeidskrachten.

Paulina Wołoszyn, MA-student Interculturele Communicatie aan de Universiteit van Utrecht, studeerde Neerlandistiek aan de Universiteit van Wrocław en Wenen. Zij voerde stageonderzoek uit aan het Meertens Instituut om antwoorden te zoeken op de vraag of de interculturele communicatie tussen de gemeenten en Polen efficiënter kan? Ze observeerde daartoe in Horst aan de Maas en Peel en Maas, hield interviews met Polen en nam hen schriftelijke enquêtes af in winkels en supermarkten. Sommige Polen vonden Paulina maar een vreemde Poolse. De winkelmedewerker van ‘Polo-Smak’ in Horst zei, toen Paulina groetend binnenkwam met dzień dobry (goedendag): ‘Je ziet er niet uit als een Pools meisje. Je draagt andere kleren, je hebt een ander gezicht, je gedraagt je ook anders.’ Voor anderen was Paulina niet vreemd: een Poolse vrouw met haar vriendinnen nodigde haar uit om mee te gaan naar het café en de discotheek The Shuffle in Horst.

Voortdurend ontstaan er misverstanden onder (Poolse) arbeidsmigranten. De gemeente heeft daarom een informatiepunt opgericht zoals het Service Point in Meterik en geeft ook informatiebrochures uit in het Pools die Polen nodig hebben om in Nederland te kunnen functioneren. Een brochure legt bijvoorbeeld het onderwijssysteem in Nederland uit zodat ouders weten wanneer en welke school zij voor hun kind moeten kiezen. Voor Poolse ouder(s) is het volslagen nieuw dat zij de school moeten bellen als hun kind ziek is. ‘Mijn kind was een beetje ziek (…). Na een uur kreeg ik telefoontjes van de school van bezorgde leraren met vragen of ik wist waar mijn kind was. Ik wist niet dat ik al op die dag de school moest opbellen’, vertelt een jonge Poolse moeder in Sevenum. Andere brochures informeren over de Nederlandse gezondheidszorg en hoe het Poolse rijbewijs in te wisselen voor een Nederlandse. De gemeenten kunnen ook tolken leveren en zelfhulporganisaties ondersteunen. De workshop Kiwaczek ‘iemand die twijfelt’ adviseert Polen hoe en waar ze hun toekomst kunnen opbouwen. Er zijn eveneens brochures over taalcursussen Nederlands of ambtenaren leren zelf Pools om de communicatie te versoepelen zoals sommige teamleden van de politie in Horst aan de Maas.

Paulina kan door haar grondig onderzoek de gemeente inderdaad adviseren hoe de communicatie met Poolse arbeidsmigranten te verbeteren. Poolse arbeidsmigranten vragen vooral om concrete informatie hoe ze iets moeten regelen. Een Poolse vrouw in het adviesbureau in Horst vertelt: ‘Ik zou graag ergens informatie willen vinden maar dan in korte stappen, bondig en duidelijk’. Sommige brochures zijn te lang en overladen met tekst. Door de tekst in te korten en te ondersteunen met plaatjes wordt de informatie begrijpelijk. Sommige brochures hebben een betere vertaling in het Pools nodig en zouden moeten liggen waar Polen vaak komen: winkels, adviesbureaus, uitzendbureaus en campings. De informatiewebsite van de gemeente in het Pools zit nu te diep onder Nederlandstalige pagina’s verstopt; informatie in het Pools zou met een muisklik zichtbaar moeten zijn. Uit de interviews blijkt dat vaste migranten graag willen integreren in de Nederlandse samenleving en relaties met hun buren willen opbouwen. Maar ze weten niet hoe en schamen zich voor hun gebrekkige Nederlands en onkunde over de Nederlandse cultuur. Een intercultureel specialist zoals Paulina die het Poolse en Nederlandse perspectief beheerst kan deze culturele onzekerheden oplossen.

Column 105 in De Limburger/Limburgs Dagblad, 27 november 2017.

Taalbeleid peuterzalen

Tijdens het streektaalsymposium, georganiseerd door het Ministerie van Binnenlandse Zaken in Deventer, heb ik gepleit voor een taalbeleid voor peuterspeelzalen in Limburg. Hoe ben ik tot dit advies gekomen? (Groot)ouders vertellen: ‘Ons kind weigert sinds de peuterspeelzaal Limburgs te spreken, ook al houden we thuis Limburgs aan.’ Juist peuterspeelzalen, veel meer dan basisscholen, blijken het spreken van een regionale taal een halt toe te roepen. Ook elders in Europa is dat zo. Uit het onderzoek van Gino Morillo Morales, uitgevoerd aan het Meertens Instituut en Radboud Universiteit, is inmiddels wel duidelijk wat er aan de hand is.

Op de peuterspeelzaal leren peuters snel de sociale betekenis van het gebruik van Limburgs en Nederlands. Nederlands betekent dat je moet opletten als peuter, dat je instructie krijgt, dat je in een hiërarchische relatie staat met je leerkracht en dat je iets nieuws aan het leren bent wat belangrijk is. Het Nederlands heeft ook een centrale plek: in de kringgesprekken midden in het lokaal. Het Limburgs daarentegen legt een informele een-op-een relatie tussen peuter en leerkracht waarbij andere kinderen de leerkracht mogen negeren want het gebruik van het Limburgs is niet bedoeld om schoolkennis over te dragen. Het Limburgs heeft vaker een marginale plek: in de gang en op de speelplaats. Deze sociale betekenis van taalkeuze tussen Nederlands en Limburgs op de peuterspeelzaal, is funest voor de doorgifte van Limburgs aan de jongste generaties.

De interpretatie van het spreken van Limburgs en Nederlands is historisch bepaald. Vanuit een rationele visie zijn peuterspeelzalen instituties die het Nederlands verspreiden en voor kinderen mogelijkheden creëren om hogerop te komen. De peuterspeelzaal kiest voor Nederlands omdat het idee is dat communicatie in deze variëteit in het hele land met iedereen probleemloos verloopt simpelweg omdat het geografisch en sociaal een neutrale variëteit zou zijn. Volgens dit idee overkoepelt het Nederlands alle dialectgebieden en behoort het niemand toe. Door het Nederlands kan een peuter dus participeren met en zich emanciperen in de wereld van leren, politiek en hogere cultuur.

De romantische visie laat ons weten dat taalvariatie een realiteit is. Het Limburgs drukt rechtstreeks de essentie van een gemeenschap of van sprekers uit en met het spreken ervan laat iemand weten een authentieke Limburger te zijn.

Het wordt tijd om het goede van beide visies te behouden en datgene op te heffen dat belemmerend werkt voor de overdracht van het Limburgs aan de jongste generaties. Enerzijds kan dat door te beseffen dat het Nederlands helemaal niet zo geografisch neutraal is. Ook het Nederlands in Limburg is volgens velen niet het goede Nederlands zoals dat van de Randstad en belemmert het op nationaal niveau een soepele communicatie. Het Nederlands is ook sociaal niet neutraal want scholen bevorderen meestal die leerlingen die thuis al bekend zijn met het goede Nederlands. Anderzijds kan het spreken van Limburgs losgekoppeld worden van een claim op authentiek Limburgerschap. Ook nieuwkomers kunnen prima het Limburgs leren en spreken.

Wat L1 Nieuws verleden week meldde over de leerkrachten van de peuterspeelzalen klopt helemaal niet. De leerkrachten staan zeer positief tegenover het spreken van Limburgs in de peuterspeelzaal maar hebben hiervoor ondersteuning nodig. Voor de peuterspeelzaal is mijn advies, geïnspireerd door het taalbeleid in Friesland: voor iedere groep peuters staan twee gelijkwaardige leerkrachten. Een leerkracht spreekt altijd in elke activiteit Nederlands, de andere spreekt altijd in elke activiteit Limburgs. Deze gelijkwaardigheid in gebruik van beide talen moet de hiërarchie tussen Limburgs en Nederlands op de peuterspeelzalen doorbreken. Nog mooier zou het zijn als alle thuistalen van de peuters het leren van nieuwe kennis zouden (mogen) ondersteunen.

Column 104 in De Limburger/Limburgs Dagblad, 13 november 2017.

Streektaalsymposium

Streektaalliefhebbers komen aan hun trekken want naast het symposium van de Stichting Nederlandse Dialecten (SND), afgelopen 13 oktober, organiseert ook het Ministerie van Binnenlandse Zaken (BZK) op 7 november een streektaalsymposium in de schouwburg in Deventer.

De SND programmeerde taalkundigen die zich over de vraag bogen of een streektaal talig te definiëren is. Het antwoord op deze vraag is een academische discussie: het is taalkundigen nooit gelukt om voor welke taal dan ook unieke verschijnselen te achterhalen die niet gedeeld worden met andere (buur)talen. Het Nederlands en het Duits als talen zijn ontstaan door eerst nationale grenzen te trekken die het territorium van Nederland en Duitsland vaststellen. Die nationale grenzen zijn het gevolg van machtsstructuren van overheden. Door nieuwe nationale grenzen promoveerde bijvoorbeeld het Lëtzebuergs van een (Moezel-Frankisch) dialect tot de nationale taal van Luxemburg. Daarna beleven mensen die territoria cultureel, sociaal, economisch of talig als een eenheid. Nederland ervaren we cultureel als een eenheid omdat we feesten als Sinterklaas herkenbaar Nederlands vinden en niet Duits. Zo zien we Nederland ook als een talige eenheid die zich van het Duits onderscheidt. Maar de talige werkelijkheid is oneindig complex. Het Duits kent drie lidwoorden: mannelijk der, vrouwelijk die en onzijdig das en het Nederlands twee: onzijdig het en niet-onzijdig de. Maar Brabantse en Limburgse dialecten onderscheiden eveneens drie lidwoorden en lijken daarin op het Duits.

Het onderscheid tussen een taal, streektaal of dialect is een zaak van sprekers zelf. Vinden sprekers dat het Nederlands een andere taal is dan het Duits? En ervaren zij het spreken van het Nederlands als cruciaal onderdeel van hun Nederlandse identiteit? Zo ervaren streektaalsprekers dat hun taal zich van het Nederlands onderscheidt en identificeren zij zich met die taal als authentieke Friezen, Nedersaksen of Limburgers. Uit recent onderzoek van deze krant en het Limburgs Museum blijkt dat 53 procent van de ondervraagden in een enquête van bureau Flycatcher invult dat de Limburgse identiteit bedreigd wordt: 73 procent van hen wijst verwatering van de dialecten als oorzaak aan. Zulke gevoelens zijn ook landelijk te vinden aangaande de verdringing van het Nederlands door het Engels. De verhitte debatten over de invoering van het Engels in het Nederlands hoger onderwijs is daar slechts een klein voorbeeld van.

De erkenning van streektalen is dan ook geen taalkundige kwestie maar een van politieke wil en politieke ondersteuning om aan identificaties van sprekers recht te doen. Immers, sprekers van dialecten en streektalen én van het Nederlands in de landranden zijn niet gelijkwaardig aan de sprekers van het ‘goede’ Nederlands uit de Randstand. Vandaar dat zij en de Randstedelijke sprekers altijd in politieke machtsverhoudingen verwikkeld zijn.

Het doel van het symposium van BZK is na te gaan welke beleidsafspraken er nodig zijn om het gebruik van de erkende streektalen te stimuleren. De gedeputeerde Koopmans spreekt over het Limburgs dat in zijn ogen mooi is en belangrijk voor een eigen culturele identiteit. Eveneens presenteren zich daar jonge onderzoekers die met inspanning een vertrouwensband met sprekers van het Limburgs hebben opgebouwd. Jolien Makkinga (Meertens Instituut/UM) vertelt hoe het gebruik van het Limburgs al dan niet kan bijdragen tot het zich thuis voelen in een verzorgingstehuis. Diana Camps (Oslo) vertelt welke waarden mensen hechten aan bepaalde spellingsregels van het Limburgs. Het BZK-symposium verdiept zich dus in de sprekers zelf en de sociale betekenis van streektaal in zorg en onderwijs. Zij komen met adviezen hoe aan die belevingen, ervaringen, ideeën en emoties van sprekers recht te doen in streektaalbeleid. Die streektaal geeft immers een gevoel van eigenwaarde, zelfbewustzijn en zelfredzaamheid en is een belangrijk houvast in een complex gevoelde samenleving.

Column 103 in De Limburger/Limburgs Dagblad, 30 oktober 2017.

‘Straattaal in Nederland’ 1997-2017

Door Leonie Cornips & Vincent de Rooij

Eind 1997 brak er in Nederland een moral panic los over de vermeende verloedering van het Nederlands van jongeren van vooral Surinaamse, Turkse, Marokkaanse of Antilliaanse afkomst. In een artikel van Frans van Deijl in Het Parool van 24 december 1997, werd dit taalgebruik door middelbare schooldocenten aangeduid als ‘smurfentaal.’ Met deze benaming wilden ze aangeven dat het hier ging om een lexicaal verarmde variant van het Nederlands. Een variant die bovendien voor buitenstaanders onverstaanbaar was door het mengen van Nederlands, Arabisch, Turks, Surinaams, en garant zou staan voor achterblijvende leerprestaties. De docenten in van Deijl’s artikel legden verder een sterk verband tussen het spreken van ‘smurfentaal’ en gewelddadig gedrag. Sociolinguïst René Appel bestreed deze negatieve beeldvorming rondom het gemengde taalgebruik van jongeren. Het voor de buitenwacht vaak grove en beledigende van ‘straattaal’uitingen had volgens Appel vaak het karakter van ‘ritual insult’ en was dus eerder speels en gespeeld dan echt gewelddadig. In de media en in wetenschappelijk onderzoek legde hij uit dat een gebrekkige kennis van het Nederlands niet de enige verklaring is voor deze nieuwe manier van spreken. De soepele, vloeiende manier waarop jongeren Nederlands mengen met woorden uit andere talen maar ook vorm en betekenis van Nederlandse woorden veranderen, veronderstelt juist een solide kennis van het Nederlands. Appel introduceerde ook – met succes – de term ‘straattaal’ als alternatief voor het denigrerende ‘smurfentaal.’
De term ‘straattaal’ vond vlot ingang, ook bij de sprekers ervan. En we hoorden ook steeds meer ‘straattaal’ op tv en op de radio, vooral van bekende hiphopartiesten. Veel mensen, niet alleen jongeren, wilden meer weten over ‘straattaal’ en gingen zelf woorden afkomstig uit ‘straattaal’ gebruiken. Ook veel witte Nederlandse jongeren gingen ‘straattaal’ begroetings- en afscheidsformules gebruiken (‘fa(wa)ka G’ hoe gaat het man/vriend? G is een afkorting van gangster). Meerdere websites, aosl http://straatwoordenboek.nl en straattaal.com, begonnen ‘straattaal’woorden te verzamelen waardoor deze voor iedereen toegankelijk werden.
‘Straattaal’ brak als het ware uit de negatieve beeldvorming en werd tot op zekere hoogte genormaliseerd. Zo inspireerde het vrijelijk mengen van talen door ‘straattaal’ sprekers Dichter des Vaderlands Ramsey Nasr in 2009 tot zijn gedicht ‘mi have een droom’ waarin een 66-jarige Rotterdammer in het jaar 2059 tot ons spreekt in het ‘Rotterdams van de toekomst’ (NRC Handelsblad, 25 september 2009):

“wullah, poetry poet, let mi takki you 1 ding: di trobbi hier is dit
ben van me eigen now zo 66 jari & skerieus ben geen racist, aber
alle josti op een stokki, uptodate, wats deze shit? ik zeg maar zo
mi was nog maar een breezer als mi moeder zij zo zei: “azizi
doe gewoon jij, doe je gekke shit genoeg, wees beleefd, maak geen tsjoeri
toon props voor je brada, zeg ‘wazzup meneer’, ‘fawaka’ – en duh
beetje kijken op di smatjes met ze toetoes is no trobbi
beetje masten, beetje klaren & kabonkadonk is toppi
aber geef di goeie voorbeeld, prik di chickies met 2 woorden”

Youth for Christ, het Nederlands Bijbelgenootschap en Ark Mission kwamen zelfs met een vertaling, of beter een adaptatie, van het evangelie van Mattheus in straattaal om jongeren te bereiken voor wie gewone bijbelvertalingen ontoegankelijk zijn: De torrie van Mattie (2011):
“De gewoonte was toen om geen seks voor het huwelijk te hebben. Maar Maria bleek ineens pregno te zijn. Jowie kwam er achter en hij was omin depressed, want hij dacht dat ze met een ander gebald had.”
Zelfs minister Edith Schippers die in haar H.J. Schoo-lezing van 2016 stelde dat de westerse Nederlandse cultuur met haar normen en waarden superieur zijn aan alle andere, sprak haar positieve waardering uit voor de uitkomsten van contacten tussen ‘oude’ en ‘nieuwe’ Nederlanders en voegde daaronder ook ‘straattaal’:
“In heel veel zaken ontstaan nieuwe vormen, nieuwe muziek, nieuwe keukens, mode, nieuwe straattaal. Dat is mooi en voegt veel toe aan de samenleving.”
Naast wat je een positieve herwaardering van ‘straattaal’ zou kunnen noemen, bestaat het negatieve beeld waarin een direct verband gelegd wordt tussen het spreken van ‘straattaal’ en deviant, gewelddadig gedrag ook nog steeds. Veel middelbare scholen voeren een anti-‘straattaal’-beleid gemotiveerd door socioloog Ilias el Hadioui’s die stelt dat met ‘straattaal’ de gewelddadige cultuur van de straat de school binnendringt. Er zijn natuurlijk ‘straattaal’sprekers die het schoolklimaat verzieken maar dat wil niet zeggen dat dat geldt voor alle ‘straattaal’sprekers. En daar zit gelijk het probleem met het label ‘straattaal’: het verwijst niet zoals vaak gedacht wordt naar één specifieke variant van het Nederlands met een eigen woordenschat en grammatica die door één specifieke groep jongeren wordt gesproken. ‘Straattaal’ is beter op te vatten als een vrije en creatieve manier van omgaan met de talige middelen die sprekers tot hun beschikking hebben. De functie en waarde van ‘straattaal’ als middel tot identificatie met wisselende groepen mensen en veranderlijke lifestyles zorgt ervoor dat ‘straattaal’ in vele vormen opduikt en steeds in flux is. Wat ‘straattaal’ genoemd wordt is dus niet een taal, of taalvariant in de traditionele zin zoals een dialect, ethnolect of sociolect.
Sinds de nuanceringen die Appel en latere onderzoekers aanbrachten in het negatieve beeld van ‘straattaal’ leiden negatieve en positieve waarderingen van ‘straattaal’ min of meer parallelle levens in de Nederlandse samenleving. Mensen in het onderwijs en gezagdragers die geconfronteerd worden met grensoverschrijdend gedrag van jongeren die ‘straattaal’ spreken houden vaak –begrijpelijk maar ook onnodig – vast aan een uitsluitend negatieve beeld, terwijl mensen die alleen het positieve benadrukken uit het oog kunnen verliezen dat ‘straattaal’ verbonden kan zijn met een lifestyle die grensoverschrijdend is.

Verschenen op Neerlandistiek.nl, 11 oktober 2017.

Ich en zaen dat neet

De Maastrichtse Pieter Willems uit 1885 is een van de eerste dialectologen geweest die de zuidelijke Nederlandse dialecten niet alleen op uitspraak maar ook op zinsbouw wilde onderzoeken. Willems verstuurde een grootschalige vragenlijst aan personen in Zuid-Nederland, België, Luxemburg, Duitsland en Frankrijk. Hij vroeg meestal in het Frans aan een notabele welk dialect uit naburige dorpen of steden volgens zijn beleving op het eigen dialect leek. Vaak hebben een onderpastoor, pastoor, onderwijzer of directeur deze enquête schriftelijk ingevuld. De hoofdonderwijzer in Beek (Jan Louis Nubert Roebrack, geboren in 1851) antwoordt in zijn vragenlijst dat het dialect van Beek waar hij opgegroeid is, lijkt op dat van Meerbeek, Geverik, Kelmond, Geul, Geleen, Stein, Grootgehout en Elsloo.

Willems vermoedde dat sprekers bepaalde zinnen in het dialect niet meer zo vaak zeiden. Zo’n verschijnsel is bijvoorbeeld het kleine woordje en als in ‘ich en lier neet’ dat in 1885 nog ‘hij leert niet’ betekent, net als in het Franse ‘je ne sais pas’ (ik weet het niet) waarin ook het woordje ne voorkomt. In het oud-Nederlands van voor de dertiende eeuw was alleen het woordje en al voldoende om een ontkenning uit te drukken. Men zei en schreef toen: ‘ik en was siec’ voor het huidige ‘ik was niet ziek’. Gaandeweg kreeg het woordje en meer en meer versterking van niet omdat de betekenis van en voor sprekers afzwakte en er niet meer toe deed.

Ook in het Middelnederlands van Vlaanderen en Holland en Drenthe kwam het woordje ne of en voor gecombineerd met niet om de zin ontkennend te maken. Ergens tussen 1600 en 1800 verdwijnt het woordje en volledig uit het Nederlands en blijft alleen niet over. Taalkundig is het heel interessant dat het woordje en in het noordoosten eerst uit de hoofdzin (Ich en leer niet) verdwijnt en pas later uit de bijzin (dat ich niet en leer), misschien omdat het onderwerp (ich) en de persoonsvorm (leer) in de hoofdzin steeds strikter naast elkaar moesten voorkomen. Deze taalverandering zonder en/ne met alleen nog niet begint in het noorden en de rest van het Nederlandse taalgebied volgt min of meer deze taalverandering. Het ene dialect verandert wat later dan het andere.

Ook uit de antwoorden op de vragenlijst van Willems blijkt dat in Limburg en enkele aangrenzende plaatsen in België en Duitsland het gebruik van en/ne in 1885 op zijn retour was. Dit is een late taalverandering vergeleken met Holland. In Heerlen heeft de leraar Jozef Houbert, geboren in 1848, de vragenlijst van Willems ingevuld met ‘ich en zaen dat neet’ maar in Arcen vult onderwijzer P. Timmermans, geboren in 1869 al in dat ‘geen ontkenning met en’ in de hem bekende dialecten te beluisteren valt. De student Cam Pattijn (geboortejaar onbekend) vult fier voor het dialect van Hooghlede in West-Vlaanderen in dat en volkomen gebruikelijk is ‘‘k en kan’t nie lien’ (Ik kan het niet lijden). Nog steeds is en te beluisteren bij sprekers van het West-Vlaams.

De dialectsprekers in Limburg passen zich dus rond 1885 aan het Nederlands en de noordelijke dialecten aan. Dit is dus een talige verandering in het dialect dat de oudere generaties van nu doorvoerden toen zij jong waren. Dat en van hun vader en moeder en opa en oma had voor hen geen betekenis meer. Ouderen kunnen zich nog goed herinneren dat hun (groot)ouder en zei en kunnen ook spontaan voorbeelden van die zinnetjes geven.

Op zijn beurt verzwakt momenteel in gesproken taal ook het woord niet in betekenis. Kinderboeken dragen titels als ‘Ik ben nooit niet bang’ waarin nooit de ontkenning duidelijker moet maken.

Column 102 in De Limburger/Limburgs Dagblad, 2 oktober 2017.

Dialectwoordenboeken

Het begeleiden van studenten als stagiaires aan het Meertens Instituut is inspirerend omdat zij met het Limburgs als onbekende taal in aanraking komen. Brenda Assendelft definieert zich als Randstedeling. Zij is summa cum laude afgestudeerd aan de Universiteit Leiden maar daarvoor heeft zij onderzocht welke motivaties mensen hebben om over een dialect in Limburg te schrijven en te publiceren.

Brenda heeft daartoe 186 geschreven bronnen onderzocht zoals woordenboeken, spreekwoordenboeken, scheldwoordenboeken, grammatica’s, spellingvoorschriften of aanwijzingen, uitspraakvoorschriften of aanwijzingen, leesplankjes, lesmethodes (cursussen, schoolboekjes), plaatsnaambordjes, dialectliteratuur en vertalingen van bekende stripverhalen zoals als ‘Ne gansen toer van Asterix, De bokkeriejersj van Suske en Wiske, Bompa en Bomma Pluis van Nijntje en Iech bin Kwakker van Kikker. Ook leesplankjes en plaatsnaambordjes horen tot geschreven bronnen omdat zij, net als lesmethodes, woorden in een bepaalde spelling vastleggen. Brenda heeft alle voorwoorden, verantwoordingen, inleidingen en flapteksten bestudeerd om de motieven, doelen en functies van die bronnen te achterhalen, en de verwachtingen van de schrijver of samensteller bij het uitgeven ervan.
De redenen om bijvoorbeeld een woordenboek samen te stellen zijn talrijk. Brenda kwam tegen: uit eigen interesse of plezier van de schrijver; een bijdrage leveren aan de wetenschap; het eigene van het dialect typeren; een grotere waardering voor en het gebruik van het dialect stimuleren; de belangstelling voor het dialect vergroten; het dialect doorgeven aan het nageslacht, het dialect willen behouden; ondersteuning bieden om het dialect correct of beter te spreken, lezen of te schrijven; verwerving van het dialect als tweede taal; het uit elkaar houden van het Nederlands en het dialect, en het niet eens zijn met eerdere publicaties over een bepaald dialect of deze juist aanvullen.
Jongeneel (1884), Robroek (2004) en Kars (2005) zijn voorbeelden van interesse en plezier in het dialect hoewel Jongeneel (1884) en Kars (2005) zelf niet uit Limburg komen. Kars (2005) schrijft: ‘Toen ik in 1987 als Hollandse immigrant in Limburg probeerde te integreren, had ik geen flauw vermoeden dat het merkwaardige buitenlands dat ik alom om mij heen hoorde, mij zo zou gaan bezighouden dat er een woordenboek uit zou voortkomen.’
Vooral publicaties uit de negentiende en begin twintigste eeuw willen een bijdrage leveren aan de wetenschap zoals Franquinet (1851-1852), Mertens (1885), Simons (1889) en Endepols (1924). Jongeneel (1884) schrijft: ‘Voor de uitgaaf pleitten m.i. de toenemende belangstelling in de studie der inheemsche tongvallen, welke zich in ons vaderland begint te vertoonen, en het nut, dat zulk een onderzoek voor de taalwetenschap hebben kan.’
Na de Tweede Wereldoorlog dringt het behoud van het dialect zich op de voorgrond. Het dialect raakt onder invloed van het Nederlands en verandert ook door immigratie en mondialisering. Een aantal publicaties is daarom bedoeld voor niet-dialectsprekers die het dialect willen leren, met name het Valkenburgs (Ubaghs 1937), Maastrichts (Bovens (1986), Coumans (1992), Aarts (2001), Weerts (Hermans 1994, 1998) en het Heerlens (Prickaerts 2000). Hermans stelt een werk alleen voor nieuwkomers samen: ‘Voor mensen van buiten Weert die toch iets meer willen weten van ons dialect omdat ze zich hier hebben gevestigd.’ Overigens is Huntjens (1990) vooral humoristisch bedoeld: ‘voor Engelsen zodat zij zich in Heerlen kunnen redden.’ De motivaties in de geschreven bronnen veranderen dus in honderd jaar tijd en tonen overduidelijk een veranderende samenleving waarin behartigers van het dialect proberen mee te bewegen.
Tijdens het onderzoek naar het Limburgs realiseerde Brenda zich dat haar overgrootmoeder, Hubertina Pijnappel-Thomas (1904-1981) geboren en getogen was in Kerkrade. Haar familie spreekt weleens over haar en vooral dat zij Kerkraads sprak. Brenda is blij dat ze door dit onderzoek iets meer te weten is gekomen over de taal die haar overgrootmoeder moet hebben gesproken.

Column 101 in De Limburger/Limburgs Dagblad, 18 september 2017.