Stemmingmakers L1-radio

Vandaag met Leonie Cornips (Heerlen, 1960), onderzoeker sociolinguïstiek aan het Meertens Instituut in Amsterdam en hoogleraar Taalcultuur in Limburg aan de Universiteit van Maastricht.

Frank Ruber sprak met Cornips over haar jeugd in de multiculturele mijnwerkersbuurt Schaesbergerveld, het Heerlens-Nederlands (‘het Huilands’) waarop ze promoveerde, de ondermijnende rol van peuterspeelzalen op het Limburgs en de taal van koeien. Voor de toekomst van het Limburgs kijkt ze graag naar Noorwegen, een land zonder eenheidstaal waar dialecten in hoog aanzien staan.
Ook aan het woord komt Lotte Thissen uit Roermond. Zij promoveerde bij Cornips op de in- en uitsluiting van mensen door de keuze voor een taal.

Op verzoek van de redactie schreef Leonie Cornips een haiku:

Loeiende koeien
Blijken in werkelijkheid
communicabel

Luister naar het interview via deze link.

Tooncontrast in woorden, en erbij horen in Roermond

Twee heel verschillende proefschriften zijn verschenen waarin Roermond de hoofdrol speelt. Stefanie Ramachers verrichtte fonologisch onderzoek met experimentele taken. Haar studie is belangrijk in een wereld waarin sprekers van het dialect zich meer en meer aanpassen aan het Nederlands. Haar onderzoeksvraag is hoe baby’s, opgroeiend in Roermond met dialectsprekende ouder(s), zich ontwikkelen in het waarnemen van een tooncontrast in woorden en of zij hierin verschillen van baby’s met uitsluitend Nederlandssprekende ouders? In het Roermonds kan een woord als knien enkelvoud of meervoud uitdrukken: met dalend-stijgende toon (sleeptoon of accent 2) uitgesproken betekent knien ’n konijn (enkelvoud), met een dalende toon (val- of stoottoon of accent 1) meerdere konijnen (meervoud). Dit tooncontrast werkt ook betekenis onderscheidend in een woord als haas: met een dalende toon bedoelt de spreker het snelle dier, met dalend-stijgende toon een handschoen. In een woord met twee lettergrepen wordt het nog complexer omdat het woordtooncontrast dan interfereert met zinsintonatie: zeeve met een dalende toon op de eerste lettergreep refereert aan het werkwoord zeven maar met een volledig vlakke toon op de eerste lettergreep aan het cijfer zeven. De complexiteit van dit tooncontrast stelt hoge eisen aan baby’s als toekomstige sprekers van het dialect.

Ramachers heeft voor haar onderzoek een kinderlab in Roermond moeten fabriceren. In totaal heeft ze 54 dialectbaby’s in Roermond met 126 eentalige baby’s in Nijmegen tussen ongeveer een half en een jaar oud, 41 dialect- en 40 Nederlandstalige peuters getest en bovendien nog 44 dialectvolwassenen tussen 23 en 72 jaar en 43 Nederlandssprekende volwassenen tussen 18 en 66 jaar met elkaar vergeleken.

Haar bevindingen zijn dat er tussen de dialect en uitsluitend Nederlandstalig opgroeiende baby’s geen verschil te constateren is in hoe zij het tooncontrast waarnemen. Ook de peuters verschillen niet van elkaar in waarneming van het tooncontrast terwijl de volwassenen dialectsprekers dit wel beter doen dan de uitsluitend Nederlandstalige volwassenen. Volgens Ramachers zijn deze resultaten vooral te verklaren uit de complexiteit van het tooncontrast in samenhang met zinsintonatie en het variabele taalaanbod waar baby’s en peuters in Limburg mee te maken krijgen.

Lotte Thissen voerde linguïstisch-antropologisch onderzoek uit om te achterhalen hoe mensen taal gebruiken om, in interactie met anderen, betekenis te geven aan de wereld om hen heen. Haar onderzoeksvraag is cruciaal in de wereld van vandaag waarin mensen houvast zoeken in een wereld die snel, ook talig verandert. Die houvast zoeken mensen in processen van insluiting en dus ook uitsluiting – het een kan niet zonder het ander – door taalgebruik. Mensen bepalen op basis van nuances in uitspraak of keuzes tussen bijvoorbeeld Roermonds of Maasniels of Nederlands of Turks of je erbij hoort of niet. Lotte verrichtte intensief veldwerk om zicht te krijgen op talige identificaties binnen de carnavalsvereniging De Katers en een supermarkt. Zij volgde De Katers vier maanden lang waarin zij gesprekken (44 uur) en videofilms (30 in totaal) opnam, 346 foto’s maakte en 55 pagina’s aan veldwerknotities volschreef. In de supermarkt heeft ze negen maanden lang bij de kassa gewerkt en producten in schappen gespiegeld en gesprekken tussen medewerkers en klanten opgenomen (74 uur).

Het Roermond dat in Thissens proefschrift naar voren komt, is anders dan in de studie van Ramachers, namelijk een zeer divers en onvoorspelbaar talig Roermond. De van origine Turkse slager spreekt Marokkaans-Arabisch om zijn vlees aan te prijzen en de Turkse eigenaar van de supermarkt spreekt dialect. Ook observeert Thissen een man in de trein naar Roermond die Arabisch, Engels, dialect en Nederlands met een zachte-g door elkaar mengt: ‘Wallah, vet grappig, ik steeds snooze, ineens is het tien voor zeven! (…) jalla… safi, Insha’Allah. Ich bin er zoe.’ Hoewel mensen denken dat een bepaalde taal aan een specifieke plek verankerd is, handelen zij daar niet naar in hun dagelijkse taalpraktijken.

Een belangrijke analyse van Thissen is dat mensen die zich uitgesloten voelen door anderen, zich juist in dat buitengesloten worden met elkaar verbinden. De slager van de supermarkt vraagt Lotte of zij ook buitenlander is? Lotte antwoordt met: ‘half’ waarop de slager antwoordt: ‘Half bestaat niet meer, dan ben je buitenlander’. Juist in dat gedeelde buitenlanderschap kunnen mensen elkaar vinden en zich thuis voelen, ook in Roermond en iedereen kan dit gedeelde gevoel ondervinden.

Droom
Zowel de studie van Ramachers als van Thissen maken gebruik van zeer tijdrovende methodes. Het is ongelooflijk knap dat zij hun studies succesvol hebben afgerond, ook in aanmerking genomen dat beiden zeer intensief college hebben gegeven aan de Radboud Universiteit en Universiteit Maastricht.

Soms droom ik van langdurig onderzoek dat gefinancierd kan worden: onderzoek dat zo’n acht tot tien jaar mag duren waarin de verschillende specialismen zoals die van Stefanie en Lotte aan elkaar te koppelen zijn. De methodologie en expertise van Lotte maakt het mogelijk om voor het onderzoek van Stefanie te achterhalen hoe ouders in Roermond het tooncontrast in woorden aanbieden aan hun baby’s en hoe peuters zelf het woordcontrast gaan gebruiken. Hoe vaak en in welke gebruikscontext moeten baby’s het tooncontrast horen om het te verwerven en actief te gebruiken? Hoe groeien baby’s en peuters in dialectsprekende gezinnen in Roermond talig op en wanneer en hoe vaak en in welke gebruikscontext met welke sociale betekenis spreekt de ouder dialect, Nederlands of anders met het kind, met broertjes of zusjes en met de andere ouder(s), grootouders, buren en vrienden?

De taalkundige theoretische kennis van Stefanie maakt het mogelijk om intrigerende vragen in de data van Lotte te beantwoorden: gebruikt de van origine Turkse eigenaar ook het zo complexe tooncontrast in woorden in zijn Limburgs en zinsintonatie in zijn Nederlands; gebruikt de vorst van de Katers in zijn Nederlands naast zinsintonatie ook een woordtooncontrast? Een langere onderzoekstijd met complementaire methoden en specialismen zou nog meer verdieping mogelijk maken maar de financiering ervan zal wel een droom blijven.

Stefanie Ramachers. 2018. Setting the tone. Acquisition and processing of lexical tone in East-Limburgian dialects of Dutch. Proefschrift Radboud Universiteit Nijmegen, Faculteit Letteren.

Lotte Thissen 2018 Talking in and out of Place. Ethnographic reflections on language, place and belonging. Proefschrift Universiteit Maastricht, Faculteit Cultuur- en Maatschappijwetenschappen.

Verschenen op Neerlandistiek.nl, op 18 februari 2018.
Verschenen op Veldeke.net in het Thoears, op 9 maart 2018.

Erbij horen of niet?

Column van mijn Ph.D Lotte Thissen, Taalcultuur in Limburg, die bij mij op 11 januari 2018 promoveerde:

“Waar kom je vandaan?” Wie deze vraag te horen krijgt, wordt gezien en bestempeld als ‘anders’ of afwijkend van een bepaalde norm. Mijn etnografische onderzoek in de Limburgse stad Roermond ontmoedigt de vraag “waar kom je vandaan?” en termen als ‘autochtoon’ en ‘allochtoon’.

De provincie Limburg wordt vaak geassocieerd met carnaval, katholieken en het gebruik van dialect en de zachte g. Mijn studie naar dagelijkse taalpraktijken van mensen in Roermond laat echter zien dat ‘de provincie’, net als de Randstad, een gebied is waar meertaligheid en culturele diversiteit bestaat. In Roermond vinden er interessante ontmoetingen en combinaties plaats tussen sprekers van wat we zien als dialect, Nederlands, een mondiale taal als Engels en migratie- en mobiliteitstalen als Arabisch en Turks. Daarbij is er een groot verschil tussen wat mensen zeggen dat ze doen en wat zij in werkelijkheid doen; de mede-eigenaar van een supermarkt vond dat het voor hem, als Turk, blöd is om plat (dialect) te praten, maar tijdens mijn veldwerk heb ik hem dagelijks dialect horen spreken met klanten, naast allerlei andere talen.

Mijn onderzoek geeft zo inzicht in de manieren waarop mensen talig met elkaar omgaan in het dagelijks leven in Limburg. Welke talige middelen gebruiken zij om elkaar aan te spreken en het gevoel te hebben er wel of niet bij te horen in een bepaalde plek? Deze kwesties zijn belangrijk in een meertalige en cultureel diverse wereld waarin we elkaar dagelijks bevragen op basis van taal en cultuur over wie dé Nederlander of dé Limburger is en wie niet. Mensen zijn in alledaagse en, op het eerste gezicht, onschuldige ontmoetingen voortdurend grenzen aan het trekken tussen ‘wij’ en ‘zij’ door talige gebruiken. De beschrijvingen van deze dagelijkse ontmoetingen leren ons dat iedereen zich buitenlands of out of place kan voelen, ongeacht of iemand (al generaties lang) uit Roermond komt, uit Den Haag of Marokko. Zo zouden twee mannen in mijn onderzoek, oorspronkelijk geboren in ‘Holland’, ‘autochtoon’ zijn, maar ze blijken zich ‘allochtoon’ te voelen in hun eigen land, in Limburg. Mensen zijn voortdurend bezig met talking in and out of place van zichzelf en anderen, ongeacht hun geboorteplek of achtergrond en wat en hoe ze spreken.

De vraag “waar kom je vandaan?” is daarom nietszeggend en zet een persoon weg als buitenstaander die er niet bij hoort, ook al voelt deze persoon juist het tegenovergestelde. De veldwerkbevindingen uit Roermond tonen dat gevoelens van er wel of niet bij horen sterk afhankelijk zijn van de plekken waarin we ons begeven. Dit maakt termen als autochtoon en allochtoon willekeurige containerbegrippen die mensen beperken en geen inzicht geven in de daadwerkelijke ervaringen en praktijken van mensen.

Het feit dat iemand er ‘anders’ uit ziet of buiten Limburg geboren is, wil niet zeggen dat deze persoon geen dialect spreekt. De vraag “waar kom je vandaan?” of het label “allochtoon” kan dan ook een pijnlijke ervaring opleveren. Ik pleit er daarom voor dat we tijdens ontmoetingen met nieuwe mensen open zijn door eerst te vragen welke taal we kunnen spreken in plaats van meteen Nederlands, Engels, dialect of welke taal dan ook te kiezen.

Verschenen op Neerlandistiek.nl op 25 januari 2018.