Stemmingmakers L1-radio

Vandaag met Leonie Cornips (Heerlen, 1960), onderzoeker sociolinguïstiek aan het Meertens Instituut in Amsterdam en hoogleraar Taalcultuur in Limburg aan de Universiteit van Maastricht.

Frank Ruber sprak met Cornips over haar jeugd in de multiculturele mijnwerkersbuurt Schaesbergerveld, het Heerlens-Nederlands (‘het Huilands’) waarop ze promoveerde, de ondermijnende rol van peuterspeelzalen op het Limburgs en de taal van koeien. Voor de toekomst van het Limburgs kijkt ze graag naar Noorwegen, een land zonder eenheidstaal waar dialecten in hoog aanzien staan.
Ook aan het woord komt Lotte Thissen uit Roermond. Zij promoveerde bij Cornips op de in- en uitsluiting van mensen door de keuze voor een taal.

Op verzoek van de redactie schreef Leonie Cornips een haiku:

Loeiende koeien
Blijken in werkelijkheid
communicabel

Luister naar het interview via deze link.

De Nederlandse Taalunie en het wegmoffelingseffect

Waar zijn de streektalen (regionale talen)? De overheid moet streektalen als het Limburgs en Nedersaksisch vrijwaren van centralistisch ontmoedigingsbeleid

Joep Leerssen, Henk Bloemhoff, Leonie Cornips, Roeland van Hout en Goffe Jensma

In 2017 zorgde de Taalunie-enquête De Staat van het Nederlands voor onrust: waarom moesten, bijvoorbeeld, Limburgers, in die enquête invullen dat ze thuis ‘Nederlands’ spraken, wanneer dat in werkelijkheid Venloos was? Inmiddels zijn de partijen gelijkgestemd. Begin november 2018 spraken ondergetekenden met de Taalunie over de tweede Taalunie-enquête die op dit moment online staat, met als gevolg dat nu wel aan het Limburgs of Nedersaksisch gerefereerd wordt. Er is de belofte gedaan dat in de 2020 versie van De Staat van het Nederlands de drie erkende regionale talen apart als invuloptie aangeboden zullen worden.
Waarom waren we verontrust over de enquête? Wij vonden dat de gevolgde methodiek geen ruimte bood aan de taalbeleving van, met name, Limburgers. Waar zij bewust voor het Limburgs (van Maastrichts tot Venloos) kozen, in plaats van het Nederlands, werd dat als een keuze vóór het Nederlands geregistreerd. Het misnoegen daarover werd versterkt door rechtvaardigingen als zou het Limburgs geen werkbare analytische categorie vormen (in tegenstelling tot het Fries of Tamazight), of dat wettelijke (politieke) erkenningen niet sporen met de wetenschappelijke taxonomie van taalverschil en taalvariatie. Het kwam tot een handtekeningenactie. 2375 Limburgers (waaronder Marita Mathijsen, Connie Palmen, Lilianne Ploumen, André Rieu, en veel andere prominenten uit wetenschap en cultuur) gaven te kennen dat ze geen boodschap hadden aan een wetenschappelijke werkwijze die hun taalbeleving wegmoffelt.

Status aparte
De Taalunie nam nota van die kritiek, die we onder andere in een memorandum uitten dat we verspreidden tijdens een Taalunie-bijeenkomst over dit onderwerp voorjaar 2018, en ging gesprekken aan. Daarbij deed de overheidsorganisatie de toezegging om in een vervolgonderzoek alle regionale talen en dialecten in het Nederlandse taalgebied tot hun recht te laten komen.
Onze ongerustheid en die van andere streektaal-vertegenwoordigers werd daardoor niet weggenomen. De Taalunie zette het werkbegrip “variant” (of “variatie”) uitermate breed in; van expat-meertaligheid tot plat-Jordanees. Daartussenin kwamen de diepgaande kenmerken die Bolswards, Kerkraads en Drents in de Randstad volmaakt onverstaanbaar maken niet tot hun recht. Dat allemaal als “varianten” op één hoop te vegen zou het wegmoffelingseffect onverminderd voortzetten.
Wat geeft streektalen hun status aparte? Alleen de letter van de wet? Nee. De erkenning van het Fries is een historisch gegroeid gegeven. Die van het Nedersaksisch en Limburgs is tot stand gekomen omdat daarvoor overtuigende argumenten waren. Die draaien niet eens zozeer om het (sowieso onmogelijke) taxonomische verschil tussen taal, dialect of variant – hoewel een aanzienlijke mate van taalafstand ten opzichte van de landstaal, ook in de historische ontwikkeling, wel een noodzakelijke voorwaarde is. Ze draaien vooral om de taalsociologische positie van die streektalen in de samenleving van de regio, met een sterke aanwezigheid in de publieke sfeer, in de media, in de cultuurproductie, ook voor communicatie over niet-triviale publieke (maatschappelijke, politieke, wetenschappelijke) onderwerpen.

Ervaren
De erkenning daarvan is de erkenning van een maatschappelijke werkelijkheid. Het is een per internationaal verdrag vastgelegde, publiekrechtelijke verplichting die de overheid, en daarmee de Taalunie, zichzelf oplegt om zulke streek- en minderheidstalen te vrijwaren van centralistisch ontmoedigingsbeleid en miskenning. De Taalunie heeft dat inmiddels ruiterlijk geaccepteerd.
Blijft de vraag wat de streektalen met de “variaties” moeten. Het helderst is om in toekomstig onderzoek taalkeuzes zo open mogelijk te registreren, waarbij naast de default “Nederlands” alle alternatieven of differentiaties die als keuze door de respondenten naar voren worden gebracht kunnen worden verdisconteerd: niet-Nederlandse talen die binnen ons taalgebied worden gebezigd (Frans, Papiaments, enz.) én keuzes voor Zeeuws of Kortrijks. Voor streektalige varianten zou dan een subsidiair aggregatieniveau moeten worden aangehouden onder “het” Nederlands, met een lokaal-regionaal getrapte “tagging” van de keuzes (Roermonds>Limburgs, Schiermonnikoogs>Fries, Twents>Nedersaksisch). Dat zou tegemoet komen aan de werkelijkheid (de maatschappelijke beleving van taalkeuzes) en aan de wetenschappelijke zuiverheid van de registratie daarvan. Taal is immers wat als taal wordt ervaren.

Henk Bloemhoff is emeritus streektaalfunctionaris in de Stellingwerven; Leonie Cornips is onderzoeker taalvariatie aan het Meertens Instituut en hoogleraar Taalcultuur in Limburg aan de Universiteit Maastricht; Roeland van Hout is emeritus hoogleraar Toegepaste Taalwetenschap en Variatielinguïstiek aan de Radboud Universiteit; Goffe Jensma is hoogleraar Friese Taal en Literatuur aan de Rijksuniversiteit Groningen; Joep Leerssen is hoogleraar Europese Studies, in het bijzonder Moderne Europese Letteren aan de Universiteit van Amsterdam.

Verschenen op Neerlandistiek.nl op 14 december 2018.

Tooncontrast in woorden, en erbij horen in Roermond

Twee heel verschillende proefschriften zijn verschenen waarin Roermond de hoofdrol speelt. Stefanie Ramachers verrichtte fonologisch onderzoek met experimentele taken. Haar studie is belangrijk in een wereld waarin sprekers van het dialect zich meer en meer aanpassen aan het Nederlands. Haar onderzoeksvraag is hoe baby’s, opgroeiend in Roermond met dialectsprekende ouder(s), zich ontwikkelen in het waarnemen van een tooncontrast in woorden en of zij hierin verschillen van baby’s met uitsluitend Nederlandssprekende ouders? In het Roermonds kan een woord als knien enkelvoud of meervoud uitdrukken: met dalend-stijgende toon (sleeptoon of accent 2) uitgesproken betekent knien ’n konijn (enkelvoud), met een dalende toon (val- of stoottoon of accent 1) meerdere konijnen (meervoud). Dit tooncontrast werkt ook betekenis onderscheidend in een woord als haas: met een dalende toon bedoelt de spreker het snelle dier, met dalend-stijgende toon een handschoen. In een woord met twee lettergrepen wordt het nog complexer omdat het woordtooncontrast dan interfereert met zinsintonatie: zeeve met een dalende toon op de eerste lettergreep refereert aan het werkwoord zeven maar met een volledig vlakke toon op de eerste lettergreep aan het cijfer zeven. De complexiteit van dit tooncontrast stelt hoge eisen aan baby’s als toekomstige sprekers van het dialect.

Ramachers heeft voor haar onderzoek een kinderlab in Roermond moeten fabriceren. In totaal heeft ze 54 dialectbaby’s in Roermond met 126 eentalige baby’s in Nijmegen tussen ongeveer een half en een jaar oud, 41 dialect- en 40 Nederlandstalige peuters getest en bovendien nog 44 dialectvolwassenen tussen 23 en 72 jaar en 43 Nederlandssprekende volwassenen tussen 18 en 66 jaar met elkaar vergeleken.

Haar bevindingen zijn dat er tussen de dialect en uitsluitend Nederlandstalig opgroeiende baby’s geen verschil te constateren is in hoe zij het tooncontrast waarnemen. Ook de peuters verschillen niet van elkaar in waarneming van het tooncontrast terwijl de volwassenen dialectsprekers dit wel beter doen dan de uitsluitend Nederlandstalige volwassenen. Volgens Ramachers zijn deze resultaten vooral te verklaren uit de complexiteit van het tooncontrast in samenhang met zinsintonatie en het variabele taalaanbod waar baby’s en peuters in Limburg mee te maken krijgen.

Lotte Thissen voerde linguïstisch-antropologisch onderzoek uit om te achterhalen hoe mensen taal gebruiken om, in interactie met anderen, betekenis te geven aan de wereld om hen heen. Haar onderzoeksvraag is cruciaal in de wereld van vandaag waarin mensen houvast zoeken in een wereld die snel, ook talig verandert. Die houvast zoeken mensen in processen van insluiting en dus ook uitsluiting – het een kan niet zonder het ander – door taalgebruik. Mensen bepalen op basis van nuances in uitspraak of keuzes tussen bijvoorbeeld Roermonds of Maasniels of Nederlands of Turks of je erbij hoort of niet. Lotte verrichtte intensief veldwerk om zicht te krijgen op talige identificaties binnen de carnavalsvereniging De Katers en een supermarkt. Zij volgde De Katers vier maanden lang waarin zij gesprekken (44 uur) en videofilms (30 in totaal) opnam, 346 foto’s maakte en 55 pagina’s aan veldwerknotities volschreef. In de supermarkt heeft ze negen maanden lang bij de kassa gewerkt en producten in schappen gespiegeld en gesprekken tussen medewerkers en klanten opgenomen (74 uur).

Het Roermond dat in Thissens proefschrift naar voren komt, is anders dan in de studie van Ramachers, namelijk een zeer divers en onvoorspelbaar talig Roermond. De van origine Turkse slager spreekt Marokkaans-Arabisch om zijn vlees aan te prijzen en de Turkse eigenaar van de supermarkt spreekt dialect. Ook observeert Thissen een man in de trein naar Roermond die Arabisch, Engels, dialect en Nederlands met een zachte-g door elkaar mengt: ‘Wallah, vet grappig, ik steeds snooze, ineens is het tien voor zeven! (…) jalla… safi, Insha’Allah. Ich bin er zoe.’ Hoewel mensen denken dat een bepaalde taal aan een specifieke plek verankerd is, handelen zij daar niet naar in hun dagelijkse taalpraktijken.

Een belangrijke analyse van Thissen is dat mensen die zich uitgesloten voelen door anderen, zich juist in dat buitengesloten worden met elkaar verbinden. De slager van de supermarkt vraagt Lotte of zij ook buitenlander is? Lotte antwoordt met: ‘half’ waarop de slager antwoordt: ‘Half bestaat niet meer, dan ben je buitenlander’. Juist in dat gedeelde buitenlanderschap kunnen mensen elkaar vinden en zich thuis voelen, ook in Roermond en iedereen kan dit gedeelde gevoel ondervinden.

Droom
Zowel de studie van Ramachers als van Thissen maken gebruik van zeer tijdrovende methodes. Het is ongelooflijk knap dat zij hun studies succesvol hebben afgerond, ook in aanmerking genomen dat beiden zeer intensief college hebben gegeven aan de Radboud Universiteit en Universiteit Maastricht.

Soms droom ik van langdurig onderzoek dat gefinancierd kan worden: onderzoek dat zo’n acht tot tien jaar mag duren waarin de verschillende specialismen zoals die van Stefanie en Lotte aan elkaar te koppelen zijn. De methodologie en expertise van Lotte maakt het mogelijk om voor het onderzoek van Stefanie te achterhalen hoe ouders in Roermond het tooncontrast in woorden aanbieden aan hun baby’s en hoe peuters zelf het woordcontrast gaan gebruiken. Hoe vaak en in welke gebruikscontext moeten baby’s het tooncontrast horen om het te verwerven en actief te gebruiken? Hoe groeien baby’s en peuters in dialectsprekende gezinnen in Roermond talig op en wanneer en hoe vaak en in welke gebruikscontext met welke sociale betekenis spreekt de ouder dialect, Nederlands of anders met het kind, met broertjes of zusjes en met de andere ouder(s), grootouders, buren en vrienden?

De taalkundige theoretische kennis van Stefanie maakt het mogelijk om intrigerende vragen in de data van Lotte te beantwoorden: gebruikt de van origine Turkse eigenaar ook het zo complexe tooncontrast in woorden in zijn Limburgs en zinsintonatie in zijn Nederlands; gebruikt de vorst van de Katers in zijn Nederlands naast zinsintonatie ook een woordtooncontrast? Een langere onderzoekstijd met complementaire methoden en specialismen zou nog meer verdieping mogelijk maken maar de financiering ervan zal wel een droom blijven.

Stefanie Ramachers. 2018. Setting the tone. Acquisition and processing of lexical tone in East-Limburgian dialects of Dutch. Proefschrift Radboud Universiteit Nijmegen, Faculteit Letteren.

Lotte Thissen 2018 Talking in and out of Place. Ethnographic reflections on language, place and belonging. Proefschrift Universiteit Maastricht, Faculteit Cultuur- en Maatschappijwetenschappen.

Verschenen op Neerlandistiek.nl, op 18 februari 2018.
Verschenen op Veldeke.net in het Thoears, op 9 maart 2018.

Interculturele communicatie

Een droomstage voor student en begeleider is het beantwoorden van vragen die de overheid stelt zoals het politieteam Horst aan de Maas en de gemeenten Horst en Peel aan de Maas. Zij willen weten of hun informatie Poolse arbeidsmigranten bereikt? De regio Noord-Limburg herbergt immers meer dan elders in Nederland, Poolse en andere Oost-Europese arbeidskrachten.

Paulina Wołoszyn, MA-student Interculturele Communicatie aan de Universiteit van Utrecht, studeerde Neerlandistiek aan de Universiteit van Wrocław en Wenen. Zij voerde stageonderzoek uit aan het Meertens Instituut om antwoorden te zoeken op de vraag of de interculturele communicatie tussen de gemeenten en Polen efficiënter kan? Ze observeerde daartoe in Horst aan de Maas en Peel en Maas, hield interviews met Polen en nam hen schriftelijke enquêtes af in winkels en supermarkten. Sommige Polen vonden Paulina maar een vreemde Poolse. De winkelmedewerker van ‘Polo-Smak’ in Horst zei, toen Paulina groetend binnenkwam met dzień dobry (goedendag): ‘Je ziet er niet uit als een Pools meisje. Je draagt andere kleren, je hebt een ander gezicht, je gedraagt je ook anders.’ Voor anderen was Paulina niet vreemd: een Poolse vrouw met haar vriendinnen nodigde haar uit om mee te gaan naar het café en de discotheek The Shuffle in Horst.

Voortdurend ontstaan er misverstanden onder (Poolse) arbeidsmigranten. De gemeente heeft daarom een informatiepunt opgericht zoals het Service Point in Meterik en geeft ook informatiebrochures uit in het Pools die Polen nodig hebben om in Nederland te kunnen functioneren. Een brochure legt bijvoorbeeld het onderwijssysteem in Nederland uit zodat ouders weten wanneer en welke school zij voor hun kind moeten kiezen. Voor Poolse ouder(s) is het volslagen nieuw dat zij de school moeten bellen als hun kind ziek is. ‘Mijn kind was een beetje ziek (…). Na een uur kreeg ik telefoontjes van de school van bezorgde leraren met vragen of ik wist waar mijn kind was. Ik wist niet dat ik al op die dag de school moest opbellen’, vertelt een jonge Poolse moeder in Sevenum. Andere brochures informeren over de Nederlandse gezondheidszorg en hoe het Poolse rijbewijs in te wisselen voor een Nederlandse. De gemeenten kunnen ook tolken leveren en zelfhulporganisaties ondersteunen. De workshop Kiwaczek ‘iemand die twijfelt’ adviseert Polen hoe en waar ze hun toekomst kunnen opbouwen. Er zijn eveneens brochures over taalcursussen Nederlands of ambtenaren leren zelf Pools om de communicatie te versoepelen zoals sommige teamleden van de politie in Horst aan de Maas.

Paulina kan door haar grondig onderzoek de gemeente inderdaad adviseren hoe de communicatie met Poolse arbeidsmigranten te verbeteren. Poolse arbeidsmigranten vragen vooral om concrete informatie hoe ze iets moeten regelen. Een Poolse vrouw in het adviesbureau in Horst vertelt: ‘Ik zou graag ergens informatie willen vinden maar dan in korte stappen, bondig en duidelijk’. Sommige brochures zijn te lang en overladen met tekst. Door de tekst in te korten en te ondersteunen met plaatjes wordt de informatie begrijpelijk. Sommige brochures hebben een betere vertaling in het Pools nodig en zouden moeten liggen waar Polen vaak komen: winkels, adviesbureaus, uitzendbureaus en campings. De informatiewebsite van de gemeente in het Pools zit nu te diep onder Nederlandstalige pagina’s verstopt; informatie in het Pools zou met een muisklik zichtbaar moeten zijn. Uit de interviews blijkt dat vaste migranten graag willen integreren in de Nederlandse samenleving en relaties met hun buren willen opbouwen. Maar ze weten niet hoe en schamen zich voor hun gebrekkige Nederlands en onkunde over de Nederlandse cultuur. Een intercultureel specialist zoals Paulina die het Poolse en Nederlandse perspectief beheerst kan deze culturele onzekerheden oplossen.

Column 105 in De Limburger/Limburgs Dagblad, 27 november 2017.