Rowwen Hèze gaat digitaal

In diepe stilte werken we hard aan het Limburgportaal in de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren die iedereen de DBNL noemt. De DBNL was altijd zelfstandig maar is met ingang van 1 januari 2015 onderdeel geworden van de Koninklijke Bibliotheek. De DBNL digitaliseert de Nederlandse literatuur snel, betrouwbaar en in zeer hoge kwaliteit. Iedereen, waar ook ter wereld, kan zonder ingewikkelde poespas, zonder wachtwoorden en gratis op de website van de DBNL de meest relevante Nederlandse literatuur lezen.

In het Limburgportaal zijn teksten van Henric van Veldeke te vinden die zijn Servaaslegende in het Maaslands dialect rond 1180 schreef en van vele schrijvers na hem tot op de dag van vandaag. Het Limburgportaal is sinds 2012 in opbouw en raakt met literatuur uit/van/over Limburg behoorlijk gevuld dankzij de onvermoeibare inzet van een deskundige werkgroep en dankzij subsidie van vooral de Provincie Limburg en het Winand Roukens Fonds. Subsidie of sponsoring blijft nodig want het kost één euro om een gedrukte pagina te digitaliseren en op te nemen in het Limburgportaal.

Waarom vonden de initiatiefnemers Joep Leerssen, Wiel Kusters en de leerstoel ‘Taalcultuur in Limburg’ dat er in de DBNL een Limburgportaal moest komen? In het Nederlandse taalgebied en in de literatuur van de Lage Landen neemt het Limburgse gebied een bijzondere plaats in. De Limburgse literatuur is een kruispunt tussen Noord- en Zuid-Nederlandse, Waalse en Rijnlandse invloeden. Auteurs schrijven door de tijd heen in het Nederlands maar ook in Latijn, Frans, Duits of dialect. Er zijn auteurs zoals Marie Koenen met veel aandacht voor de eigen regio, auteurs uit de negentiende eeuw die naar België verhuisd zijn (Weustenraad en Ecrevisse) en auteurs zoals Jo Erens en Ger Bertholet met een bijzondere liedcultuur. Bovendien zijn auteurs aan de randen van het Nederlands taalgebied niet zo zichtbaar vanuit nationaal perspectief. Het Limburgportaal toont daardoor een onverwachtse selectie en onvermoede aspecten van de Nederlandse literatuur en verrijkt de DBNL cultureel en wetenschappelijk.

Natuurlijk is het enorm lastig om te bepalen wat nu ‘Limburgse’ literatuur is. Wat als literatuur beschouwd wordt, verschilt door de tijd. Bovendien is de provincie geen afgesloten gebied, zeker niet vóór 1839 toen het nog helemaal niet bestond. Daarnaast overschrijden auteurs altijd provinciegrenzen. Hun literaire producten behoren tot de Nederlandse (internationale) letteren (Pierre Kemp, Conny Palmen). Definities gaan hier dus niet werken maar de literaire teksten in het Limburgportaal zijn geselecteerd als ‘Limburgs’ door hun talige of thematische kenmerken en/of op basis van het belang dat de auteur hecht(te) aan herkomst of woonplaats.

En vanzelfsprekend behoren de liedteksten van Rowwen Hèze tot het Limburgportaal! Op 21 mei zal een beredeneerde bloemlezing door Tim Neutelings in het Limburgportaal verschijnen. Tim schrijft in zijn bloemlezing dat het na 30 jaar Rowwen Hèze en 135 uitgegeven nummers tijd is voor bezinning. In zijn bloemlezing probeert hij te verklaren hoe het kan dat dat bandje uit de Peel muziek maakt waar vele Nederlandse harten (ondanks het zingen in dialect) sneller van gaan kloppen. Dat kan door goed naar een tekst als Dichter bij Ow te kijken (Ik loep dor ’n groete stroat, in enne gruwlijk groete stad, ik hoap dat niemand met meej proat, Poels 1993). Rowwen Hèze zingt hier over een ‘ik’ die een geliefde mist zonder het woord missen te noemen. En hoewel de tekst lijkt te gaan over iemand die gewoon zijn lief mist, er ver van verwijderd is en er simpelweg naar terug wil, kunnen de tranen net zo goed in je ogen staan als je bij het horen van dit lied net je (schoon)vader verloren hebt. Het gaat er bij poëzie niet om wat de schrijver precies bedoelt maar om wat de luisteraar eruit kan halen. Het lied raakt omdat het je gevoel een plek kan geven. Een boodschap komt paradoxaal genoeg harder aan wanneer het bedoelde (net) niet gezegd wordt en dit is typisch voor de liedteksten van Jack Poels. En die teksten zijn nu voor iedereen te vinden in het Limburgportaal.

Zie (ook voor de bloemlezing).

Column 57 in De Limburger/Limburgs Dagblad, 16 mei 2015.

Taalcultuur = economie

Taalkundigen onderzoeken de grammatica van een taal maar bestuderen taal ook als een cultureel of sociaal verschijnsel. Maar ‘taal’ is daarnaast ook een economisch product. Onderzoek naar hoe ‘taal’ zich in harde euro’s vertaalt, is behoorlijk in opkomst en geïnspireerd door de Franse socioloog Pierre Bourdieu. Bourdieu schreef vooral tussen 1970 en 1980 over specifieke sociale en politieke condities van taal en taalgebruik. Volgens hem creëren we met zijn allen een symbolische ‘markt’ waar sprekers en hun talige producten ongelijk zijn aan elkaar. De wijze waarop iemand spreekt, is immers niet neutraal. Tussen de zinnen door horen we (on)bewust allerlei ‘sociale’ informatie. Het verraadt voor een deel iemands herkomst, opleiding, type werk, met wie hij zich identificeert en wat hij doet in zijn vrije tijd.

Die sociale informatie valt in economische waarde uit te drukken. Een persoon die toegang tot de hoogst betaalde posities wil krijgen en wil participeren in elitaire kringen, zal de meest prestigieuze taalvariëteit moeten spreken en schrijven. Het meest prestigieuze in Nederland is dat wat we als het meest goede, correcte, mooie, grammaticale en verzorgde Nederlands beschouwen. Degenen die dat Nederlands van huis uit niet meekrijgen, zullen later in hun leven voor het leren ervan (veel) moeten betalen in wat voor een vorm dan ook (scholing, tijd en moeite). Talige competenties hebben dus handelswaarde. Leerlingen die hun school niet afmaken, geen werk kunnen vinden vanwege gebrek aan juist geachte taalvaardigheden zijn duur.

Dat we het eens zijn over de waarde van allerlei soorten Nederlands, is het resultaat van een historisch proces waarin we oordelen en normen over het goede Nederlands ontwikkelen, onze emoties erover, en hoe we naar die normen handelen door dat soort Nederlands te onderwijzen en voor examens te eisen. Op deze wijze houdt een samenleving de ‘markt’ van Bourdieu in stand waarin verschillende manieren van spreken en schrijven ongelijkwaardig zijn en als handelswaar verschillen.

Een cabaretier verdient zijn inkomen omdat mensen graag voor zijn talige buitelingen willen betalen, een advocaat omdat hij goed mondeling kan pleiten, een docent omdat hij het goede Nederlands doceert en voorlichters omdat zij de betaalde spreekbuizen zijn. Deze beroepen hebben sociaal aanzien door het optimaal gebruik van de ‘goede’ taal en staan hoog op de economische ladder.

Bourdieu’s visie geldt niet alleen voor de machtsongelijkheid tussen verschillende soorten Nederlands maar natuurlijk ook voor dialecten. Het ene dialect waarderen we meer dan het andere. Iemand die zijn dialect zogenoemd ‘zuiver’ spreekt of een jongere die in zijn vriendengroep virtuoos diverse talen mengt, vertegenwoordigt lokaal in bepaalde situaties een hogere economische waarde dan anderen die in die context het goede Nederlands spreken.

Minderheidstalen hebben dus zeker economische waarde. Ze zijn belangrijk in de toeristenindustrie en in het promoten van producten. Een menukaart in het dialect verwijst naar de authenticiteit van wat er te eten valt. Een kleinschalig geproduceerd kaasje in Canada, in het Frans (een minderheidstaal daar) vermarkt, associeert de koper met ambachtelijkheid. De Bretonse uitdrukking be Breizh is volgens de toeristenwebsite een uitnodiging om de lokale producten te proeven en informeert dat inwoners van Bretagne open, moedig en krachtig zijn. Het gebruik van een minderheidstaal roept romantische gevoelens op en de onbedorven landelijkheid van een regio.

Naast het vermarkten en promoten van regio’s en lokale producten zouden we in deze tijd van cultureel ondernemerschap ook de gevoelswaarde van ‘taal’ in euro’s moeten zien te vertalen. Gedichten, literatuur en liedteksten verwonderen, ontroeren, emotioneren en zetten ons op andere gedachten net als schilderijen, muziek, films, dans en musicals. Door die verwondering stijgen we boven het alledaagse uit. We kunnen met nieuwe ogen naar onszelf en anderen kijken; onze denkbeelden, meningen en bijbehorende gevoelens toetsen en veranderen. Ons verwonderen over de reden van ons bestaan, waar we mee bezig zijn, over het hoe en waarom en hoe we met anderen willen omgaan. Alleen daardoor heeft taalcultuur en kunst een hoge economisch waarde. Nu alleen nog met z’n allen vaststellen in hoeveel euro’s dit uit te drukken.

Column 56 in De Limburger/Limburgs Dagblad, 2 mei 2015.

Tweetaligheidscampagne

Vaak hoor ik dat spreken van dialect door jonge kinderen een goede taalbeheersing van het Nederlands belemmert. Taalachterstand in het Nederlands wordt dus vanzelfsprekend gekoppeld aan tweetaligheid. Toch is dat niet zo. Jonge kinderen kunnen moedertaalspreker van twee talen worden zoals van dialect, Pools, Engels, Turks en Nederlands. Het dialect geldt, net als het Engels, als een taal en het doet er niet toe welke twee talen het kind van huis uit meekrijgt. De gedachte dat tweetaligheid taalachterstand oplevert klopt nog meer niet omdat kinderen die van huis uit alleen Nederlands spreken net zo goed met een taalachterstand in groep 1 kunnen beginnen.

Waarom pleit ik voor het opvoeden van jongs af aan in twee talen? De reden is dat taalkundig onderzoek voorzichtig uitwijst dat kinderen cognitief voordeel van hun tweetaligheid ondervinden, vooral als ze regelmatig beide talen moeten spreken. Jonge tweetalige kinderen lijken problemen beter op te lossen, sneller andere talen te leren, laten zich minder afleiden, lijken hoofd- en bijzaken beter te kunnen onderscheiden, leren eerder dat anderen een verschillend perspectief hebben, weten dat hun talen niet aangeboren zijn en het verbreedt hun horizon op het hele palet aan culturele en talige diversiteit in Nederland en daarbuiten. Dit zijn allerlei vaardigheden die ze later goed in school en op de arbeidsmarkt kunnen gebruiken.

Het idee dat een jong kind door het leren van twee talen in de war raakt en beide talen niet goed leert beheersen of per ongeluk gaat mengen, is ouderwets. Ook de gedachte dat een kind maar één taal goed kan leren is onterecht.

Maar er zijn wel een aantal voorwaarden waaraan ouders en omgeving moet voldoen om jonge kinderen hun twee talen goed te leren beheersen. Laat ik als voorbeeld het dialect en Nederlands nemen.

Een eerste voorwaarde is dat een van de ouders of beide of broers en zussen of andere familieleden, het Nederlands en dialect thuis spreken en dat zij zich gemakkelijk voelen in beide talen. Zo krijgt het kind naast dialect ook Nederlands thuis te horen, ook tijdens telefoongesprekken en het luisteren naar radio en tv. Dialectsprekende gezinnen in Limburg zijn tweetalig; er zijn nauwelijks meer jonge ouders die alleen maar dialect kunnen spreken zoals vroeger in de jaren zestig en daarvoor. Limburg is een tweetalige regio geworden waarin naast het dialect ook Nederlands in de openbare ruimte vanzelfsprekend is.

Daarnaast is de leeftijd van het kind van belang. Onderzoek wijst uit dat ieder kind tussen geboorte en een aantal jaren oud een gevoelige periode kent voor grammaticale ontwikkeling. Komt het kind ná die periode in aanraking met een tweede taal, dan kan de eerste taal invloed uitoefenen op die tweede taal. Deze invloed hoeft niet blijvend te zijn. Komt het kind vanaf de geboorte al in aanraking met twee talen, dan beïnvloedt de eerste taal nauwelijks de andere eerste taal. Maar voor dat laatste is ook cruciaal hoelang, intensief en gevarieerd kinderen beide talen thuis horen. Het is voor de taalontwikkeling perfect als ouders voorlezen, tellen en rekenen, verhalen vertellen, spelletjes doen, luisteren naar radio en televisie in beide talen. Dit alles geldt overigens voor ouders en overige familieleden die zich gemakkelijk in het Nederlands kunnen uiten. Is dat niet zo, spreek dan thuis dialect. Dat is beter dan ‘krom’ Nederlands. Ten slotte zijn kinderen zeer gevoelig voor oordelen die personen over talen hebben. Ze weten snel wanneer ouders en leerkrachten een van beide talen zoals het dialect onbelangrijk of lelijk vinden. Het onderwaarderen leidt ertoe dat het kind met het dialect kan stoppen. En dat is jammer omdat het kind volop met haar taalontwikkeling bezig is en die tweetaligheid juist bepaalde cognitieve voordelen kan opleveren. Dit geldt trouwens voor alle talen. Zo twitterde Mostafa dat de directrice van de basisschool van zijn kind hem vertelde dat hij thuis niet in een andere taal mocht spreken. Mostafa twittert in perfect Nederlands dus hij zal dat ook thuis zeker spreken. Dat hij thuis dan niet in een andere taal mag spreken, gaat lijnrecht in tegen recente onderzoeksresultaten en de voordelen die de tweetaligheid zijn kind kan bieden.

Column 55 in De Limburger/Limburgs Dagblad, 18 april 2015.