Horst aan de Maas

Als onderzoekers zien we vooral de Randstad als de kosmopolitische plek waar veel nieuwkomers zich vestigen, maar niets is minder waar. Horst aan de Maas staat bekend om grote aantallen Polen die er tijdelijk of permanent wonen en merendeels in de tuinbouw werken. Deze gemeente herbergt volgens het CBS het hoogste aandeel Poolse migranten van Limburg, ongeveer drieduizend op een bevolkingsaantal van krap 40 duizend.

Daria Boruta – zelf Poolse die Nederlands gestudeerd heeft aan de Universiteit van Poznan en afgestudeerd studente aan de Universiteit Utrecht – voerde voor de Universiteit Maastricht en het Meertens Instituut een drie maanden durend onderzoek uit met een lange veldwerkperiode in Horst aan de Maas. Haar specialisatie is interculturele communicatie en zij onderzoekt onbedoelde misverstanden die door talige en culturele diversiteit ontstaan. Een van haar bevindingen: Daria woont een barbecue bij, georganiseerd door een woningcorporatie, zodat de Poolse en lokale bewoners elkaar beter leren kennen. Tijdens de barbecue speelt een accordeonist en de bewoners zingen. Later, zingen zij samen spontaan in canon ‘Vader Jacob’ en ‘Panie Janie’; de Polen in het Pools, de Nederlanders in het Nederlands. Maar het zingen van het gevraagde volkslied levert problemen op. Terwijl het voor de Nederlanders geen enkel probleem is om het Wilhelmus te zingen, ligt dat voor de Polen anders. Polen associëren hun volkslied ‘Jeszcze Polska nie zginęła…’ met een formele, feestelijke sfeer dat niet bij het informele karakter van de avond past en het zingen ervan tijdens een barbecue zou van disrespect getuigen.

Een andere bevinding: opvallend is het bord met belangrijke posters dat in het midden van het plein bij het gemeentehuis staat. Tijdens de veldwerkperiode hangen drie posters over een collecte, en een poster die informeert over het fietsverbod voor het plein op dinsdag vanwege de markt. De derde poster van de politie beschrijft in het Pools en Nederlands de regels voor de inwoners van de gemeente over autorijden en het gedrag in het openbaar. Daria merkt op hoe zeer de Poolse en Nederlandse tekst verschillen. Vanuit haar perspectief is de poster in het Pools best aanstootgevend omdat het ervan getuigt dat Nederlanders alle Polen als lawaaierige mensen zien die zich in het openbaar niet kunnen gedragen en problemen met alcohol hebben.

In de publieke ruimte was het voor Daria lastig vast te stellen wie nu precies de Polen zijn in Horst. Ze zijn wel herkenbaar aan hun roodgele fietsen die een uitzendbureau in Tienray aan Poolse arbeidskrachten uitleent. Zij doen hun boodschappen in de Poolse winkel en supermarktketens zoals Action, Plus en Lidl waar Daria regelmatig Pools hoort. De Polen reageren meestal niet op kassamedewerkers omdat in de ogen kijken onbeleefd is. Sommigen antwoorden wel met thank you aan de kassa.

De jonge Poolse kinderen die op de basisschool zitten, spreken in de publieke ruimte Nederlands en zijn dus niet herkenbaar als Pools. Zij dienen als tolk en vertaler voor hun ouders in het contact met school, doen boodschappen en vertalen officiële brieven. Tijdens een ongestructureerd interview in het Pools vertellen de kinderen dat ze liever met elkaar in het Nederlands spreken als hun ouders er niet bij zijn. Ook verhalen zij dat ze op school meer Nederlandse en ‘internationale’ vrienden hebben uit Somalië of Afghanistan dan Poolse vrienden. Een meisje zegt dat zij in het Nederlands denkt als zij alleen is.

De conclusie van Daria’s veldwerk luidt dan ook dat de kinderen die van jongs af aan meegekomen zijn naar Horst beter Nederlands dan Pools beheersen, dat de Polen die besloten hebben in Nederland te blijven, er alles aan doen om Nederlands te leren en dat voor degenen die zich op Polen (blijven) oriënteren het Pools de belangrijkste taal blijft.

Column 67 in De Limburger/Limburgs Dagblad, 14 december 2015.

Slim met dialect

Lopen basisschoolleerlingen die in Limburg van huis uit dialect spreken achter in hun kennis van de Nederlandse woordenschat vergeleken met hun eentalig Nederlands sprekende leeftijdgenootjes? Dankzij verschillende subsidies en samenwerking met Elma Blom van de Universiteit Utrecht proberen we (met Kirsten van den Heuij en Ryanne Francot) deze vraag te beantwoorden.

In 2014 zijn 128 kinderen (73 jongens en 55 meisjes) tussen de vijf en acht jaar oud voor ons aan het werk gegaan na toestemming van hun ouders en scholen in Elsloo, Stein, Geleen, Schinnen, Puth en Doenrade. De kinderen deden hun best op de Nederlandse versie van een internationale taak die de Nederlandse woordenschatkennis van een kind bepaalt. Een studente noemt een woord in het Nederlands en het kind kiest een afbeelding uit een reeks van vier die bij het woord hoort. Deze test bestaat uit reeksen van twaalf woorden in het Nederlands waarbij de woorden per reeks steeds moeilijker worden. Daarnaast zijn dezelfde kinderen op school met een door ons ontwikkelde dialecttaak aan de slag gegaan. Deze methode bepaalt hun woordenschatkennis in het dialect. De kinderen zien een plaatje en dezelfde studente vraagt in het dialect aan het kind om de afbeelding op het plaatje in het dialect te benoemen. De dialectwoorden verschillen duidelijk van het Nederlands zoals versjet, brook, zjwaegel en veugelke. De selectie van de dertig plaatjes voor de Limburgse Woordtaak is gebaseerd op de Basiswoordenlijst Amsterdamse Kleuters die in opdracht van gemeente Amsterdam is samengesteld. Deze woordenlijst telt drieduizend woorden en is gebaseerd op overzichten van de meest gebruikte woorden in bestaande peuter- en kleutermethodes en lesmateriaal. Verondersteld wordt dat kleuters deze woorden aan het eind van groep 2 kennen.

Op de Nederlandse Woordenschattaak scoren de 128 kinderen als groep gemiddeld hoger (schaal woordbegripsquotiënt (WBQ) van 106.58) dan het landelijk gemiddelde (WBQ van 100). Er is met de kinderen als groep dus helemaal niets ‘mis’ wat betreft hun kennis van de Nederlandse woordenschat. Ze vertonen op nationaal niveau zelfs een kleine voorsprong. Meer resultaten uit ons onderzoek zijn dat kinderen die meer woorden in de Limburgse woordtaak in het dialect benoemen, in hun Nederlandse woordenschat niet van de kinderen verschillen die veel meer plaatjes in dezelfde woordtaak in het Nederlands benoemen. Hoe we de 128 kinderen ook indelen, er is geen verschil te vinden in Nederlandse woordenschatkennis tussen kinderen die thuis meer Nederlands versus kinderen die thuis meer dialect spreken.

Wellicht zijn leerkrachten in Limburg kritischer op hun dialectsprekende leerlingen dan op hun eentalige Nederlandssprekende leerlingen. Die kritische blik is er vanwege allerlei ideeën die in de samenleving over dialectsprekers leven. Het spreken van een dialect en het hebben van een regionaal accent is van invloed op de beoordeling in status van de spreker. Mijn collega’s aan de Radboud Universiteit (Britt Latour, Roeland van Hout en Stef Grondelaers) tonen aan dat beoordelaars uit het hele land hoogopgeleide leerkrachten uit Limburg (Sittard en Maastricht) strenger afrekenen op hun accent dan hoogopgeleide leerkrachten met een Randstedelijk accent.

Dat leerkrachten hun dialectsprekende leerlingen scherp in de gaten houden, was al een van de conclusies uit het sociolinguïstisch onderzoek dat de taalkundigen Toon Hagen, Sjef Stijnen en Ton Vallen tussen 1973 en 1979 op verschillende basisscholen in Kerkrade hebben verricht. Er bestonden (negatieve) verwachtingen en oordelen van leerkrachten waardoor dialectsprekende kinderen vaker doubleerden en lagere adviezen voor vervolgonderwijs kregen dan hun eentalige klasgenoten. Maar net zo goed als ons onderzoek laat zien dat taalvaardigheid in het dialect niet ten koste gaat van de woordenschat in het Nederlands, toonden de uitslagen van de Cito-toetsen in het Kerkrade-project dat dialect- en eentalige Nederlands sprekende leerlingen nauwelijks van elkaar verschillen.

Column 66 in De Limburger/Limburgs Dagblad, 30 november 2015.

Mijntaal

In het Jaar van de Mijnen is tot nu toe weinig aandacht besteed aan hoe de Oostelijke Mijnstreek talig veranderde door de vele mijnwerkers van elders. Een journalist van het socialistisch Dagblad Het Volk noteert in 1917 over Heerlen: ‘De huizen, de menschen, heel de sfeer doet on-Hollandsch aan… Allerlei vreemde typen loopen er rond en men hoort een mengelmoes van talen en dialecten om zich heen’.

Die talen zijn naast Duits zeker Pools, Sloveens en Italiaans omdat deze nieuwkomers hun eigen scholen stichtten. De onderwijzeres Maria Azman onderwees in 1929 het Sloveens aan 329 kinderen in elf verschillende plaatsen in de Mijnstreek. Op de Poolse school, opgericht in 1929, gebruikten Poolse onderwijzers Pools in alle vakken en de lessen in het Italiaans op de Italiaanse school (vanaf 1932) waren volledig op Italië gericht. De bevolkingssamenstelling van Heerlen laat in 1930 dan ook relatief veel Polen en Slovenen zien: Nederlanders (36.563), Duitsers (6.253), Polen (1.209), Slovenen (789) en Italianen (226).

Hoe de mijnwerkers in de voormalige Oostelijke Mijnstreek ondergronds spraken, is wat giswerk. Er was geen taalbeleid voor het ondergrondse werk. Gek genoeg heb ik tijdens de vele gesprekken met ex-mijnwerkers eind jaren tachtig nooit gevraagd wat zij nu ondergronds spraken. Zij vertelden wel spontaan dat ze een Limburgs dialect gebruikten. Een beambte die verantwoordelijk was voor het wervingsbeleid van de mijn in het buitenland vertelt in 1989: “Nou we hadden wel verschillende nationaliteiten (…) en dat gaf ook wel problemen. Ja eh taalcursusjes werden gegeven, ik geloof zelfs van de arbeidsbureaus uit ook, dat weet ik niet. Maar ik weet zeker van de bedrijven uit werden taalcursussen [gegeven] voor die mensen die werden opgevangen in die gezellenhuizen dat ze zich niet al te veel verveelden”.

De mijnwerkersterminologie is volgens de dialectologen Ton van de Wijngaard en Herman Crompvoets uit een mengelmoes van Frans, Waals, Nederlands en Duits ontstaan waarin later vooral het Duits overheersend was. In het begin leerden opzichters hun vakterminologie aan de mijnschool in het Duitse Bardenburg die later naar Aken verhuisde. Heerlen kreeg pas een eigen mijnbouwschool in 1913. Alleen in Kerkrade met zijn Domaniale mijn waar al veel eerder Limburgers in de mijn werkten, is de mijnwerkersterminologie wat meer door het dialect beïnvloed. Zo geeft Jo Bischoff in 1986 een woordenlijst uit die gebaseerd is op de kennis van een Kerkraadse mijnwerker M.J. Busch die op de Dominiaal werkte. Smering van de luchtkokers heette ‘kiette’, springstof ‘jesjos’, de lengte van de gotentoer ‘roetsje-toeër en als je ontslag kreeg, was er sprake van ‘der püs krieje’. ‘Boots’ was de Kerkraadse benaming voor meester-houwer.

Maar het Duits verloor meer terrein, vooral na de Tweede Wereldoorlog toen men de mijnwerkersgroet ‘glück auf’ op verschillende mijnen wilden boycotten. In 1952 stelde de Centrale Taalcommissie voor de Techniek een woordenlijst samen over de mijnbouwkunde waarin zij de mijntaal van germanismen probeerden te
zuiveren: ‘dak’ in plaats van het ‘hangende’ en ‘winning’ in plaats van ‘afbouw’. In 1963 komt ongeveer 90 procent van de ingenieurs niet uit Limburg en velen daarvan uit Holland. Het Duits en dialect heeft toen nog meer plaatsgemaakt voor het Hollands. Maar veel vroeger in die eeuw was de toon al gezet voor een manier van spreken die men Koelhollendsj noemt: ‘Sjen, ga eens met de pietsjlamp kijken of de tankeldraad nog op de sjurgskar ligt en vergeet niet het veke toe te maken’. Dat Koelhollendsj leent zich nu na zoveel jaren mijnsluiting uitstekend voor carnavalesk plezier en lokale saamhorigheid. De Heerlense Demi-Sec zegt het zo op Facebook: ‘Tuupe, we gaan morge middag een clipje opneeme voor op Jijtuup te zette. Beetje zeik bouwe in de sjtad, in de Sarool of zoo.’

Column 65 in De Limburger/Limburgs Dagblad, 16 november 2015.

Peutertalen

Het voordeel van hoogleraar ‘Taalcultuur in Limburg’ zijn, is dat veel mensen me bellen en vooral e-mailen over allerlei zaken die zij van belang vinden. Die correspondentie levert een mooie wisselwerking op. Ik krijg te horen wat er in Limburg leeft en vooral wat er talig speelt en ik geef informatie of advies terug. Toen ik net aangesteld was bij de Universiteit Maastricht belde een aantal jonge moeders mij op om te vertellen dat sommige leerkrachten het spreken van dialect van hun kind op het kinderdagverblijf ontmoedigden. Ze maakten zich zorgen omdat hun kind daardoor thuis opeens ook geen dialect meer wilde spreken hoewel vader, moeder, opa en oma dat wel wilden. Nadien heb ik dit verhaal vaker gehoord.

Peuters die naar een kinderdagverblijf gaan, zijn nog in een leeftijd waarop de leerkracht een absoluut rolmodel is en zij imiteren het (taal)gedrag van die leerkracht. Een kind van die leeftijd heeft waardering nodig voor zijn of haar manier van spreken ongeacht welke taal dat is (dialect, Turks of Farsi). Als de leerkracht het dialectspreken (in)direct ontmoedigt en uitsluitend Nederlands spreekt, raakt de peuter zo onder de indruk dat hij thuis geen dialect meer wil gebruiken. Op die leeftijd bekommert hij zich verder niet meer om andere situaties waarin hij wel dialect zou kunnen spreken. Oudere kinderen die naar de basisschool gaan, zijn cognitief verder en kunnen het onderscheid tussen thuis- en schoolcontext wel maken en passen daar hun taalgebruik – dialect/andere taal of Nederlands – op aan.

Ik ben nieuwsgierig waarom sommige leerkrachten niet willen dat het kind op het kinderdagverblijf dialect spreekt. Die wens heeft niets te maken met regels die zijn opgelegd door de landelijke overheid. Die overheid schrijft in artikel 2.12 van de Wet Kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen: ‘In een peuterspeelzaal wordt de Nederlandse taal als voertaal gebruikt. Daar waar naast de Nederlandse taal, de Friese taal of een streektaal in levend gebruik is, kan de Friese taal of de streektaal mede als voertaal worden gebruikt.’ De Limburgse streektaal is levend en mag dus als voertaal op de kinderopvang en peuterspeelplaatsen.

Ik denk dat leerkrachten liever niet willen dat peuters dialect spreken uit angst dat zij met het leren van de Nederlandse woordenschat achterop zouden kunnen raken. Maar dat het dialect het Nederlands zou hinderen, is een achterhaalde gedachte. Keer op keer laat onderzoek zien dat dialectsprekende kinderen, indien gecontroleerd voor opleiding van hun ouders, dezelfde leerprestaties vertonen als hun eentalige Nederlandssprekende leeftijdsgenootjes. Kinderen die van jongs af aan twee of meertalig opgroeien, kunnen hun talen juist heel erg goed inzetten. Zo spreekt Pim (bijna zes jaar oud) thuis als hij na het knutselen een uurtje op de Nintendo DS mag spelen tegen zichzelf meestal dialect: ‘Ich goa noa dat land’, ‘Hie kumt Lava noa boven’. Een enkele keer hoor je Engels: ‘Let’s go, Let’s go’. En als hij de rol van kapitein op zich neemt, hoor je Nederlands: ‘Pas op mannen, jullie hebben een missie!’ Pim combineert dus stukjes talen die we nu om ons heen horen.

De zorg van leerkrachten in de kinderopvang is onterecht. Sterker nog, kinderen hebben de eerste vier jaar van hun leven nodig om de grammatica van een taal goed te verwerven. Het ontmoedigen van dialect op peuterleeftijd betekent taalontwikkeling afremmen in plaats van bevorderen. Een leerkracht kan beter aandacht besteden aan die tweede moedertaal om (taal)kennis bij de peuter over het Nederlands te ontsluiten en daardoor zijn zelfvertrouwen te vergroten en hoge verwachtingen van het dialectsprekend kind te hebben.

Het wordt tijd dat we beseffen dat steeds meer (jonge) kinderen meertalig zullen opgroeien en dat die talen voor hun ontwikkeling belangrijk zijn. Onze samenleving verandert door mobiliteit en immigratie. In het onderwijs, ook in de kinderopvang en in onze samenleving kunnen we het talent van meertalige kinderen goed gebruiken. Jonge kinderen in Limburg zijn immers prima in staat om een goede woordenschat te leren van twee talen, ook van het Nederlands!

Zie voor dit onderwerp, Fontys Hogescholen Sittard.

Column 64 in De Limburger/Limburgs Dagblad, 2 november 2015.

Taalkabaal

Op de Facebook-pagina van L1 was op 30 september deze stelling te lezen: ‘Dialect heeft geen functie; laat het maar uitsterven’. De begeleidende tekst luidde: ‘Dialect wordt met uitsterven bedreigd, dat zeggen taaldeskundigen. Steeds minder mensen “kalle plat”’. Deze stelling leverde in twee dagen tijd 271 grappige, verontwaardigde, boze, ongeruste, vragende en lieve reacties op. Zestig mensen deelden deze stelling op hun eigen Facebook-pagina.

Taaldeskundigen zullen niet zeggen dat het dialect uitsterft. Zij zullen zeggen dat het dialect net als elke andere taal voortdurend in verandering is. Het dialect kan alleen uitsterven als iedereen tegelijkertijd zou beslissen om het niet te spreken. Daar is nu geen sprake van.

De stelling van L1 komt voort uit het taalkabaal van de afgelopen maand. Eind augustus nodigde de gedeputeerde Koopmans samen met de streektaalfunctionaris, de consulent literatuur van het Huis voor de Kunsten en organisaties betrokken bij (streek)taal én literatuur uit op het Gouvernement. De boodschap tijdens de bijeenkomst Taal in Limburg was dat de Provincie belang hecht aan de (streek)taal in Limburg en aan samenwerking tussen streektaal en literatuurorganisaties in Limburg. Bovendien zocht de gedeputeerde naar invulling voor het onderdeel (streek)taal binnen de te ontwikkelen Provinciale erfgoednota. Die erfgoednota agendeert voor later wie wel en wie niet voor welke activiteit subsidie ontvangt. De aanwezigen besloten tijdens die bijeenkomst een visie te schrijven die taal en literatuur een plek geven in de toekomstige erfgoednota. Binnen drie weken was de visie geschreven, commentaren van de organisaties verwerkt en klaar voor bespreking met de beleidsambtenaren. Het bijzondere is dat iedereen – op details na – zich in deze visie kan vinden vanuit een betrokken hart voor het dialect en literatuur in Limburg. Voor het eerst vergaderden vertegenwoordigers van meerdere organisaties met elkaar om een gemeenschappelijk doel te bereiken: provinciale subsidie voor (streek)taal en literatuur in Limburg.

Voor degenen die bij het erfgoedcentrum van de Universiteit Maastricht betrokken zijn en voor mijzelf vanuit de leerstoel Taalcultuur in Limburg is dit debat zeer interessant omdat we processen rondom sociale betekenisgeving van (im)materieel erfgoed onderzoeken die normaliter onzichtbaar blijven. Als onderzoeker streef ik bovendien niet naar het behoud van dialect vanwege dat behoud op zich maar omdat jonge kinderen cognitieve voordelen lijken te ondervinden van het opgroeien in twee talen (dialect-Nederlands of een ander taalpaar).

Elk debat rondom erfgoed roept veel emoties op, denk maar aan het behoud van het sinterklaasfeest. Ook taal als erfgoed doet dat. Het kabaal op L1 en in de sociale media kwam daar terecht na terugrapportage van de initiatiefnemers van een tussentijds gesprek met de beleidsambtenaren op het Gouvernement. Al dit taalkabaal van Provincie, organisaties en de ‘Limburger’ informeert het onderzoek naar emoties rondom erfgoeddiscussies. De Provincie wil ‘stippen aan de horizon zien’ oftewel ‘wat willen de organisaties bereiken over vier jaar’ en weten de organisaties wel ‘wat de “Limburger” nu precies wil’? Vanuit de context dat al veel subsidies gestopt zijn, toonden organisaties hun emoties op L1 en in de sociale media.

Vanaf nu kan iedere bestuurder die wil weten waarom het dialect voor veel mensen in Limburg belangrijk is terecht op de L1-Facebook-pagina. Een greep aan uitspraken op de L1 stelling is: ‘Dialect is een deel van wie iemand is. Ik zeg behouden’, ‘Dialect in dieng eege sproach kens ze diech ’t beste oes-drukke. Mot Blieve’, ‘Het Limburgs dialect vind ik een mooi goed. Maar ik vind wel dat dit in leven moet blijven als de mensen het zelf in leven houden.’, ‘Es iech gifteg bin kin iech neet in ’t Nederlands sodemietere. (…) De sociaal media zien e good instrumint um de jäög “debij” te hawwe.’ en ‘Versta alles, en kan het niet spreken ik vind dat juist wel jammer.’ En ‘Sjtraks kenne ze gee plat mieë en gee Hollendsch!’. Deze meningen laten zien dat het spreken van dialect leeft in Limburg, dat sommigen zich het beste in dialect kunnen uitdrukken en dat anderen het graag willen leren. Ondertussen is de definitieve versie van de visie aan de gedeputeerde overhandigd. Nu maar afwachten welke plek (streek)taal én literatuur in Limburg in de erfgoednota zullen krijgen.

Column 63 in De Limburger/Limburgs Dagblad, 19 oktober 2015.

Taalversmalling

In zijn recente column schetst Frans Pollux hoe het dialect sluipenderwijs in Limburg verdwijnt. Mensen zijn mobieler en partners komen van verder weg dan eigen dorp, stad of provincie. Nederlands wordt dan de voertaal in het gezin, zeker met kinderen. ‘Opvoeding schakelt elke generatie meer dialectsprekers uit dan dat er nieuwe bijkomen,’ schrijft hij. Cijfers lijken dit beeld te ondersteunen.

Tussen 1995 en 2011 hebben leerlingen uit groep 2 en 4 van 400 basisscholen door heel Nederland de volgende vragen van onderwijskundig onderzoeker Driessen beantwoord: welke taal spreek je met je vader, je moeder en je vriendjes? In Nederland heeft Limburg samen met Friesland de hoogste scores in dialectgebruik (hoewel het Fries op de basisschool thuishoort). In 1995 spreekt ongeveer de helft van de moeders en vaders in Limburg dialect met hun kind; in 2011 is dat met elf procent geslonken. 42 procent van de kinderen zeggen in 1995 dialect met hun vriendjes te spreken; in 2011 is dat tien procent minder. Deze cijfers zeggen overigens niets over de betekenis die de kinderen hechten aan hun dialect, wat zij precies onder ‘dialect’ verstaan en of zij hierin van elkaar verschillen in de provincie.

In het meest negatieve scenario geven ouders van nu het dialect niet meer door aan hun kinderen, en toekomstige ouders geven het Nederlands niet meer door maar het Engels (vernederlandst Engels eigenlijk). Het wonderlijke aan dit scenario is dat we eentaligheid nog steeds vanzelfsprekend vinden terwijl onze wereld verbreedt. Waarom niet tweetaligheid? Vaders kunnen immers prima dialect met hun kind spreken en moeder Nederlands (of omgekeerd) en beide ouders met elkaar in het Nederlands en kinderen in dialect. Ik ben dus heel nieuwsgierig waarom de ouders over wie Pollux schrijft en die in Limburg wonen, niet voor een tweetalige optie gekozen hebben. Vaak verzekeren mensen me dat het dialect spreken een hoge emotionele waarde heeft en tussen mensen in Limburg een speciale binding bewerkstelligt. Vanuit die beleving valt er dus iets weg in gezinnen waar een dialectsprekende ouder voor het Nederlands in de opvoeding kiest. Of geldt die emotionele waarde en binding alleen voor de ouderen in Limburg?

Wat dus wonderlijk is, is dat onze talenkennis in een alsmaar meertaliger wereld afneemt. We verliezen dialect en spreken hooguit één vreemde taal. Eurostat verkondigde afgelopen week dat een op de zeven personen in Nederland geen vreemde taal spreekt. Als we in Nederland dat wel doen, dan is dat overwegend Engels. Dat geldt voor heel Europa want volgens de Europese Unie is Engels de meest gesproken taal in Europa. In 2013 kregen ruim 16,5 miljoen leerlingen in de basisschool in Europa Engels gedoceerd. Dat heel Europa voor het Engels kiest, betekent een enorme versmalling in het taalaanbod. Dat geldt zeker voor Limburg met zijn buurtalen Duits en Frans. Waar ouderen vroeger het Duits via Duitse televisieprogramma’s van huis uit met de paplepel meekregen (Bonanza), beheersen jongere sprekers die buurtaal nauwelijks meer, laat staan het Frans. Laatst vertelde een oudere fotograaf me dat hij een jongere journalist vaak op reportage vergezelt naar Luik. Niet om foto’s te maken maar om als tolk te dienen.

Ik vraag me bij onderzoeken als Eurostat wel altijd af wie zij precies meten en hoe? Dialectsprekers beschouwen zich niet echt als tweetalig dus hoe omschrijven zij zichzelf in een dergelijk type onderzoek. De rapportages van Eurostat reppen ook niet over andere talen die veel kinderen in Europa thuis spreken zoals het Turks of Arabisch. Dit is heel goed te zien voor Luxemburg. Luxemburg staat volgens meting van Eurostat nummer een in de lijst van meertalige landen in Europa want het is officieel drietalig (leerlingen krijgen onderwijs in het Lëtzebuergesch, Duits, en Frans op de basisschool). Maar Luxemburg is ook een land met een hoog percentage immigranten, namelijk ruim veertig procent. Van die veertig procent is ongeveer eenderde deel van Portugese herkomst en dus Portugeestalig. Toch verdwijnen deze thuistalen -immigrantentalen en dialecten – uit de statistieken van Eurostat en dat terwijl die diversiteit aan thuistalen in een globaliserende wereld aan het toenemen is.

Column 62 in De Limburger/Limburgs Dagblad, 3 oktober 2015.

Leidse corpsstuko

Het universitaire leven is weer begonnen. Verse studenten dwalen door hun universiteit en stad en proberen zich aan het nieuwe aan te passen, ook in hun manier van spreken. Het woord ‘student’ roept veel stereotyperingen op. Een KNO-arts werkzaam bij het VU Medisch Centrum vertelde dit jaar in de Volkskrant: ‘Ik zie veel stemproblemen bij studerende vrouwen van begin twintig. Ik kan niet bewijzen dat het door het verenigingsleven komt, daar vragen we niet standaard naar, maar het is een herkenbare populatie. Ze zijn hees na het stappen of hebben helemaal geen stem als ze opstaan.’ Auteurs die over het studentenleven in het verleden schreven, typeerden de student als iemand die veel tijd besteedde ‘aan tabak, wijn, aan de jol, maar ook aan het dispuut, doch minder aan de colleges’ of ‘feesten, slempen, vrijen, uitslapen, en tussen de bedrijven door een beetje studeren’.

Voor haar stage aan het Meertens Instituut heeft Tess van der Zanden (Universiteit Leiden) onderzoek verricht naar hoe studenten, die in Leiden lid zijn van de vijf grootste studentenverenigingen (Minerva, Augustinus, SSR, Catena, Quintus), spreken en hoe zij zelf hun manier van spreken omschrijven. Ze heeft in het bijzonder gekeken naar studenten die corpsleden zijn. Minerva is het oudste en meest elitaire studentencorps, telt 1600 leden en is voor iedere student toegankelijk. Dat was vroeger nogal anders omdat de kosten van lidmaatschap voor velen te hoog waren. Minerva staat bekend als een ontmoetingsplaats voor adel en patriciaat omdat leden van het koningshuis – Beatrix en Willem-Alexander – corpslid waren. In 2015 blijkt uit een onderzoek van NRC Handelsblad onder 189 Nederlandse topbestuurders dat nagenoeg een derde van hen lid is geweest van een studentencorps, waaronder velen van Minerva.

Studenten zeggen dat zij onderling stuko spreken dat een afkorting is voor studentikoos. Van Dale omschrijft stuko als: ‘zoals past bij of op de wijze van (echte) studenten, (gewild) ongedwongen, los’. Studenten laten Tess in hun antwoorden op haar schriftelijke vragenlijst weten dat zij graag afkortingen gebruiken zoals afstubo ‘afstudeerborrel’, AVG ‘maaltijd met Aardappel, Vlees en Groente’, biba ‘bitterbal’, kwarrel ‘kwalitatieve scharrel’, prela ‘pre-relatie periode, bijna relatie’ en VVV ‘Vriendin Van Vroeger’. Een kwarrel is iemand van wie je meer wil dan seks alleen maar nog net geen relatie.

De studenten informeren Tess ook dat een aantal woorden een nieuwe betekenis heeft gekregen. Regelen betekent ‘met iemand zoenen of seks hebben’; opschalen ‘keihard zuipen’; thuisthuis is het ouderlijk huis; als je uitbrakt dan doe je na een avond drinken net zo lang niets totdat je weer aanspreekbaar bent, en als je gnerkt – dat geek, nerd en dork combineert – dan ben je iemand die om zijn eigen gemene grapjes lacht. Een half 6je verwijst naar twee mensen die het aan het eind van de avond in beschonken toestand met elkaar doen.

Het effect van zo’n vragenlijst is duidelijk: studenten noteren de meest spectaculaire woorden; het liefst de woorden die met eten, drinken en seks te maken hebben. Maar uit de urenlange opnames die Tess en studenten van elkaar gemaakt hebben, blijkt dat deze woorden in hun conversaties sporadisch voorkomen. Wat de opnamen wel laten horen, is dat de corpsleden van Minerva, en dan vooral de prominente studenten die veel aan commissies doen en activiteiten organiseren, een ‘r’ spreken die zowel op de Gooise als de Leidse ‘r’ lijkt, een woord als ‘mooi’ ook als ‘meui’ uitspreken en ‘ofzo’ als ‘ofzouw’.

In de interviews zeggen de corpsstudenten dat ze – in hun ogen – elitaire en dure woorden gebruiken zoals affiniteit en acceptatie of woorden uit het Engels als in ‘dat maakt sense’ en ‘pretty good geregeld’ maar deze voor het ironisch effect afwisselen met woorden die zij met jongeren uit de volksbuurten associëren zoals ‘yo what the fuck’, ‘jullie shit’ en ‘gewoon fucking irritant’. Hoewel ze zelf vooral overdreven en bekakt spreken om zo een hogere sociale status te verwerven, zijn ze ondertussen gefascineerd door de spraak van jongeren onderaan de maatschappelijke ladder en die proberen ze te imiteren. Of ze daarin succesvol zijn, is maar de vraag.

Column 61 in De Limburger/Limburgs Dagblad, 19 september 2015.

Functiewoorden

Woorden in een zin zijn ruwweg te verdelen in twee soorten. Er zijn inhoudswoorden die naar iets in de werkelijkheid verwijzen en waarbij onmiddellijk een beeld opdoemt, zoals bij de woorden ‘boom’, ‘hond’ en ‘rennen’. In principe zijn inhoudswoorden onbeperkt in aantal; we verliezen woorden omdat we ze niet meer (willen) gebruiken of omdat waarnaar ze verwijzen, verdwenen is. Maar er komen ook gestaag nieuwe inhoudswoorden bij zoals ‘selfie’ en ‘participatiesamenleving’.

Daarentegen zijn er ook woorden die niet naar iets verwijzen en alleen een functie binnen de zin hebben. Voorzetsels zoals op, tot, in, onder, te en naar en lidwoorden zoals de, het, een zijn goede voorbeelden. Deze functiewoorden verwijzen niet naar iets in de wereld buiten ons; er is geen beeld te bedenken bij een voorzetsel zoals ’te’ of lidwoord ‘de’. Bovendien is de reeks van voorzetsels heel beperkt; er komen door de jaren heen geen nieuwe voorzetsels bij en er verdwijnen nauwelijks voorzetsels hoewel we wel steeds meer voorzetsels uit het Engels gaan gebruiken. Nu lijkt het lidwoord ‘het’ in de Randstad te verdwijnen maar er komen geen nieuwe lidwoorden bij.

Functiewoorden zijn dus beperkt in aantal en belangrijk om inhoudswoorden zoals ‘Roger’ en ‘kast’ in een bepaalde volgorde aan elkaar te plakken in een zin: Roger staat in/op/naast de kast. Ze kunnen in gebruik en in vorm in diverse talen enorm verschillen. Het Gronsvelds digitaal woordenboek noteert het verschil voor het voorzetsel op tussen het Nederlands en het dialect: ‘op woensdag’ is ‘e Goonstig’; ‘in het ziekenhuis’ is ‘op ’t hospetaol’; ‘op straat’ is ‘oppe sjtraot’; ‘de zondag erna’ is ‘de zoondig drop’. Een voorzetsel als ‘te’ komt noch in het digitale woordenboek van Gronsveld (http://woordenboek.gronsveld.com/) noch in dat van het Maastrichts (http://www.mestreechtertaol.nl/) voor. Dit is vaak zo omdat woordenboeken zich meer concentreren op inhoudswoorden. Toch varieert het gebruik van functiewoorden aanzienlijk. Een voorbeeld hiervan is zin 1 en zin 2. In zin 1 combineert het hulpwerkwoord komen met het hele werkwoord ‘wonen’ en het voorzetsel ‘te’ gaat vooraf aan ‘wonen’, in zin 2 komt het functiewoord ‘te’ niet voor:

Zin 1. Ella komt in deze buurt te wonen
Zin 2. Ella komt in deze buurt wonen

De variatie tussen zin 1 en zin 2 komt overal in Nederland voor. Het hulpwerkwoord komen is een wonderlijk werkwoord, want het is het enige hulpwerkwoord dat zowel met als zonder ‘te’ kan optreden. Niemand zegt zin 3 met ‘te’ met het hulpwerkwoord ‘gaan’ maar wel zin 4 zonder ‘te’:

Zin 3. Hij gaat hier te wonen
Zin 4. Hij gaat hier wonen

Nog een verschil is dat in zin 1 met ‘te’ alleen hele werkwoorden voorkomen die net als ‘wonen’ iets onveranderlijks of iets statisch uitdrukken zoals ‘logeren’ of ‘zitten’ maar niet iets beweeglijks of veranderlijks zoals ‘praten’, ‘fietsen’, ‘rennen’. Zin 5 is een prima zin maar zin 6 is raar. Zin 6 is alleen prima als ‘te’ er niet staat.

Zin 5. Ella komt in deze buurt te logeren of te zitten
Zin 6. Ella komt in deze buurt te praten of te fietsen of te rennen of te zingen

Bovendien is er een duidelijk betekenisverschil tussen zin 1 met en zin 2 zonder te. Ella in zin 2 neemt het initiatief om te verhuizen, maar bij zin 1 zonder ‘te’ verhuist Ella door omstandigheden buiten haar om, bijvoorbeeld omdat de woningbouwvereniging haar die woning in die buurt toewijst. Een tweede verschil is dat Ella in zin 2 zich al bij wijze van spreken al voorbereidt om te verhuizen terwijl er bij zin 1 nog niets ingepakt hoeft te zijn. Zo’n klein, functiewoord als ‘te’ veroorzaakt dus een behoorlijk betekenisverschil. Het verschil ontstaat omdat in zin 2 zonder ‘te’ de activiteiten ‘komen’ en ‘wonen’ één tijdsmoment delen maar in zin 1 vinden ‘komen’ en ‘wonen’ op twee tijdsmomenten plaats.

In dialectwoordenboeken zie ik geen voorbeeldzinnen staan als zin 1 en zin 2 met en zonder ‘te’ bij het hulpwerkwoord ‘komen’. Geldt het verschil tussen zin 1 en zin 2 nu ook voor het dialect?

Column 60 in De Limburger/Limburgs Dagblad, 27 juni 2015.

Taalgevoel

Frans Timmermans plaatste op 10 april een berichtje op zijn Facebook-pagina dat het een hardnekkig vooroordeel is dat dialectspreken door kinderen ‘ten koste zou gaan van hun kennis van het Nederlands’. Dat juist hij die uitspraak doet, betekent veel. Hij is het grote tegenvoorbeeld van het idee dat opgroeien in dialect, naast Nederlands, een goede taalvaardigheid in het Nederlands belemmert en dat dialectspreken niet samen kan gaan met een succesvolle carrière.

Uit onderzoek blijkt dat pasgeboren baby’s die opgroeien in een tweetalig gezin, talen die veel op elkaar lijken prima van elkaar kunnen onderscheiden terwijl dat niet zo is voor baby’s in een eentalig gezin. Zij onderscheiden ‘slechts’ talen die veel van elkaar verschillen. Jonge kinderen in tweetalige gezinnen zijn gevoelig voor kleine verschillen tussen talen en merken deze op. Zo schrijft een lezer me: ‘Wim Daniëls zei, dat het (zijn) dialect veel rijker is aan klanken dan het ABN. Naar aanleiding hiervan zei mijn dochter toen, dat zij blij was dialect te spreken en had gemerkt, toen zij indertijd als bijvak met Zweeds bezig was, met typische Zweedse klanken minder moeite had dan Nederlandssprekenden.’ Door dit taalgevoel lijken tweetalige kinderen op latere leeftijd ook andere talen sneller te verwerven dan eentalige kinderen. Ook hier is Timmermans een goed voorbeeld van. Hij spreekt immers Italiaans, Frans, Duits zeer vloeiend en op hoog niveau.

Timmermans schrijft eveneens op zijn website: ‘Meertaligheid is juist goed voor taalbeheersing. Mits de verschillende talen ook goed worden geleerd. En ze worden het beste geleerd als kinderen de talen leren van mensen die hun moedertaal spreken. Ouders die een taal die zij zelf niet goed beheersen met hun kinderen gaan spreken, doen de kinderen daarmee geen plezier. Wie een eerste taal goed leert, kan een tweede taal makkelijker aan dan iemand die z’n eerste taal niet eens goed leert. Met je kinderen spreek je toch de taal die het dichtst bij je hart zit en ik neem zomaar aan dat dat meestal de taal is die je zelf ook vanuit het hart van je ouders als eerste hebt gehoord. Een leuke test is altijd om aan meertalige ouders te vragen welke taal zij vanaf de geboorte van de kinderen met hen spraken als ze getroost moesten worden of als diepste gevoelens aan bod kwamen. Noch mijn oma’s, noch mijn moeder konden dat anders dan in het dialect. Hetgeen niet wegneemt dat al hun (klein)kinderen perfect Nederlands spreken (en overigens lang niet allemaal dialect)’.

Deze post op Facebook lokt diverse reacties uit. Sommige lezers zijn het met hem eens. Elly Schuurman schrijft: ‘Dialect, gelukkig, als je plat kunt praoten moa jet niet loaten! Jammer, ik noem het tweetalig, en heb gelukkig geen moeite met Engels en Duits! Mijn kids gaan verder en pakken Frans, Spaans en Portugees er nog bij! Gelukkig en ze kunnen het dialect ook goed verstaan en spreken!!’. Voor Anna Rika Houtstra is het aanleiding om te vertellen dat zij inderdaad in een andere taal rekent: ‘Spreek Nederlands met mijn kinderen, maar rekenen/tellen gaat toch écht alleen in het Fries!’

Maar ja, die tweetaligheid en het spreken van dialect onder elkaar kan ook aan eentalige sprekers van het Nederlands een gevoel geven dat zij buitengesloten worden (ook al verstaan zij de diverse dialecten goed). Of en hoe iemand zich buitengesloten voelt, is vaak een resultaat van de individuele levensloop en eerdere ervaringen, herinneringen en emoties van iemand. Een lezer laat mij weten dat hij met zijn dialect juist het tegenovergestelde wil bewerkstelligen: ‘Vanuit mijn diepe overtuiging dat respect voor elkaar een taalverschil kan overbruggen, praat ik dialect met mensen ook al praten zij Nederlands-Limburgs. Vanuit deze overtuiging ging ik een keer een gesprek aan met iemand in het miljoenenlijntje. Deze mevrouw keek me verrast aan en meldde mij dat dit de eerste keer in 25 jaar was dat zij in Zuid-Limburg woonde dat iemand dit deed en dat zij het heel mooi vond, omdat ze zich hiermee geïntegreerder voelde’.

Column 59 in De Limburger/Limburgs Dagblad, 13 juni 2015.

Succes in dialect

In de jaren vijftig zou het voor Rowwen Hèze, Ivo Rosbeek, Normaal of Nynke Laverman onmogelijk geweest zijn om in het Nederlands, dialect of Fries te zingen. Nederlandstalige muziek was toen oubollig en dialecttalige muziek te eenvoudig en uitermate braaf. Maar volgens Hans op de Coul en Ine Sijben kantelt ‘het beeld van dialect als museumstuk’ in de jaren zeventig volledig. De Worried Men Skiffle Group uit Wenen als eerste muziekgroep verbindt in 1970 dialect aan popmuziek.

Uitgerekend de babyboomers gaan dialect in popmuziek gebruiken waardoor een absurdistisch, ironisch en humoristisch effect ontstaat. Het dialect, zo schrijven Op de Coul en Sijben, is immers de taal van de gewone man die de babyboomers in gaan zetten tegen die van de culturele elite. Zo begint in 1973 ook Normaal (Bennie Jolink, student kunstacademie en Jan Manschot, student sociale academie): ‘bereik de gewone man, met kritische liedteksten, in zijn eigen dialect.’ De groep heet Normaal, een sneer naar de oudere generatie waarvan ze steeds te horen kregen: ‘Doe toch eens normaal man!’

De culturele en talige invloed van de populaire muziek op onze samenleving sinds de jaren vijftig is overweldigend. Elvis Presley, The Beatles, The Rolling Stones en Bob Dylan raken met hun teksten en muziek. Zij zingen over de fundamentele menselijke thema’s: over romantische liefde, de zoektocht ernaar of liefdesverdriet, in de put zitten en extase, verdriet en rouw, hoop en geloof, triomf en seks, vrijheid, verzet en oorlog.

Menigeen denkt dat het zingen in dialect onontkoombaar aan een kleine regio verbonden is. Maar de gedachte dat fans, liefhebbers en luisteraars zich automatisch met America, de Peel of (Noord)Limburg identificeren doordat Jack Poels in het dialect van America zingt, is te gemakkelijk. De fans van Rowwen Hèze zingen dit dialect tot ver buiten America en zelfs tot in de verste uithoeken in Nederland. Sociale identificaties met de muziek van Rowwen Hèze zijn cruciaal. Hollandse fans identificeren zich niet zozeer met America of de Peel maar met de stereotype beelden waar Limburg voor hen staat: voor warmte, gezelligheid bourgondische sfeer, onderlinge verbondenheid en een positief levensgevoel.

Er zijn coverbands van Rowwen Hèze die op Ameland zongen in het dialect van Jack Poels. Een van deze coverbands met de naam Gang is alles (gang is het Amelandse dialectwoord voor ‘vaart’ of ‘snelheid’) is door Mathilde Jansen geïnterviewd. De zanger Daniël Metz kijkt met veel plezier terug: ‘Toen we gingen soundchecken, wilden er fans door de deur heen komen omdat ze dachten dat Rowwen Hèze aan het spelen was. Die wisten niet dat daar vier Amelanders stonden: noordelijker kan niet. Onze g was absoluut niet zacht genoeg, maar we zongen toch alles in het Limburgs. We wisten eigenlijk ook niet precies wat we zongen.’

Daniël Metz geeft een inkijk waarom zingen in een dialect toch succesvol buiten de lokale regio kan worden: ‘Als je als muzikant wilt doorbreken, moet je zorgen dat je een eigen geluid hebt.’ Dat eigen geluid is belangrijk want voor succes behoor je als band dus authentiek over te komen. Die authenticiteit is nog belangrijker dan de taal waarin je zingt. Een authentieke Rembrandt is immers ook veel waardevoller dan een nabootsing. Authentieke muziek en teksten vinden we puur, echt, origineel en van grote waarde. Zoals ex-bassist Jan Philipsen van Rowwen Hèze het formuleert: ‘Straal je uit wie of wat je bent? Dat is de toets waaraan het publiek ons keurt’ en ‘authenticiteit (is) de noodzakelijke brug op weg naar succes. Met de identiteit van de Peel als basis.’ Als er eenmaal een goede formule gevonden is voor authenticiteit dan kan die werken voor alle regio’s waar liefde voor de eigen streek heerst, zoals ook op Ameland. En het overbrugt sociale en regionale verschillen. Maar succes is onlosmakelijk verbonden met de kwaliteit van de muziek en de poëtische schoonheid van de liedteksten. Succes komt niet zomaar uit de lucht vallen.

Meer te lezen in: Cornips, L. & B. Beckers (red.). 2015. Het dorp en de wereld. Over dertig jaar Rowwen Hèze. Uitgeverij Vantilt, Nijmegen.

Column 58 in De Limburger/Limburgs Dagblad, 30 mei 2015.