Wat betekent erkenning van het Limburgs?

De Rijksoverheid erkent het Limburgs als volwaardige streektaal. Dat heeft minister van Binnenlandse Zaken Ollongren op 15 maart 2019 bekendgemaakt. Het is in feite een bevestiging van een eerdere erkenning. Wat betekent dit in de praktijk voor het Limburgs?
De vraag wordt beantwoord door Leonie Cornips, onderzoeker Taalvariatie aan het Meertens Instituut en hoogleraar Taalcultuur in Limburg aan de Universiteit Maastricht.
15 maart heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koningsrelaties Kajsa Ollongren aangegeven positief te staan tegenover een Convenant voor het Limburgs. Met dit Convenant bevestigt de Nederlandse overheid nogmaals dat het Limburgs in 1997 als officiële regionale taal onder het Europees Handvest voor Regionale Talen en Minderheidstalen erkend is. Het Europees Handvest is opgesteld door de Raad van Europa dat 47 lidstaten kent. De Belgische overheid heeft in tegenstelling tot de Nederlandse overheid het Europees Handvest niet ondertekend waardoor het Limburgs in Belgisch-Limburg geen regionale taal mag heten.

Limburgs stimuleren
De Nederlandse overheid wijst de uitvoering van het regionale taalbeleid toe aan de Provincie Limburg maar blijft zelf eindverantwoordelijk. De Nederlandse overheid stuurt om de drie jaar een rapport aan de Raad van Europa, bijvoorbeeld over de hoeveelheid uren die leerkrachten in het onderwijs aan het Limburgs besteden, en hoeveel Limburgs er in de media te beluisteren valt. Tot nu toe zijn er geen eenduidige regelingen hoe de nationale, regionale en lokale overheden het gebruik van het Limburgs zouden moeten ondersteunen en stimuleren. De Raod veur ’t Limburgs, het Huis voor de Kunsten in Limburg inclusief de streektaalfunctionaris en Veldeke, de oudste (sinds 1926) en grootste dialectvereniging in Limburg adviseren de Provincie. Zij organiseren activiteiten om het Limburgs in beweging te houden, waarbij de Provincie faciliteert.

Nieuwe kansen
Al met al zou een kniesoor zeggen dat er met het Convenant niets wezenlijks verandert aan de positie van het Limburgs. Een optimist ziet echter nieuwe kansen, afhankelijk van de manier waarop het Convenant na de zomer vorm en inhoud zal krijgen in de samenwerking tussen het Ministerie, Provincie Limburg en betrokken partners.
Het Convenant krijgt nu al positieve aandacht in de nationale media en het genereert hernieuwde belangstelling voor de meertaligheid van Limburg, waar inwoners naast vele andere talen ook het Nederlands en Limburgs als afzonderlijke talen spreken. Natuurlijk heeft een brede groep van streektaal- en letterenorganisaties in Limburg al eerder wensen geformuleerd. Hopelijk zijn die nu samen met het Rijk en culturele en onderwijspartners te realiseren. Men wil graag verjongen en feminiseren, het Limburgs vernieuwen door digitale media, het imago versterken door Limburgs aan te bieden in het onderwijs, op radio en televisie en het te horen brengen op allerlei theater, muziek- en poppodia.

Tweetaligheid
Vanuit het wetenschappelijk onderzoek van de leerstoel Taalcultuur in Limburg aan de Universiteit van Maastricht leven er drie wensen. De eerste is het stimuleren van tweetalig opgroeien van peuters, dus ook in het Limburgs naast het Nederlands en kennisverspreiding van de cognitieve voordelen ervan. De tweede is dat iedereen in Limburg, werkend in bedrijfsleven of bij de overheid, voor de klas of in het ziekenhuis, oud- of nieuwkomer, jong of oud, man of vrouw, immigrant of van elders in Nederland, expat of niet het Limburgs als Tweede Taal (LT2) kan leren van professionals die weten hoe het leren van een tweede taal succesvol verloopt.Het zou een taak voor de provincie kunnen zijn deze LT2-taalverwerving te stimuleren en eventueel te institutionaliseren. Ten derde ligt er in navolging van het KNAW-rapport ‘Talen in Nederland – Talen voor Nederland’ (2018) een mogelijke taak voor de provincie en gemeenten. Zij zouden professionals in de zorg, het onderwijs, bij politie en justitie bewust kunnen maken van het belang om in de thuistaal van hun patiënten, leerlingen of cliënten te communiceren en kennis over te dragen.

Het alledaagse maar zo complexeverschijnsel meertaligheid

In 2018 verscheen het rapport Talen in Nederland – Talen voor Nederland. In dat rapport stelde de KNAW vast dat Nederland een meertalige samenleving is geworden en dat het tijd wordt om verstandiger en efficiënter om te gaan met de talen die binnen onze landsgrenzen worden gesproken. Dat het rapport meertaligheid signaleert als kenmerk van een moderne samenleving is belangrijk, maar niet nieuw. Hoe wij ons neigen te verhouden tot meertaligheid echter, is wel een thema.

Meertaligheid is een verschijnsel van alle tijden. Iedere samenleving is meertalig, zo ook Nederland. Nu en vroeger: naast het Nederlands is het Fries als tweede officiële taal in de provincie Fryslân en zijn het Limburgs/Nedersaksisch en Jiddisch/Sinti-Romanes via Europese afspraken als regionale en niet-territoriale talen officieel erkend. Bovendien spreken mensen makkelijk twee- of meerdere dialecten en talen naast elkaar in Nederland.

In de Middeleeuwen was meertaligheid geen punt van discussie: iedereen binnen of buiten de Lage Landen sprak het dialect of dialecten van zijn dorp, stad of regio. In de laatste decennia ligt meertaligheid echter wel onder vuur. Een voorbeeld daarvan is de gedragscode van de toenmalige burgemeester Opstelten van Rotterdam die in 2006 voorschrijft: ‘Nederlands is de gemeenschappelijke taal van Rotterdam. In het openbaar spreken we Nederlands – op school, op het werk, op straat en in het buurthuis’. Zo’n oproep is onzinnig voor meertalige sprekers in Nederland van het Fries, dialect, Turks, Berber, Italiaans, Frans of Engels.

Eén land-één volk-één taal
Meertaligheid is van alle tijden maar wordt pas aan het eind van de negentiende eeuw een probleem. Na 1848 streeft men naar taaleenheid als symbool van politieke eenheid wanneer in Europa de moderne natiestaten ontstaan: Duitsland en Italië en centralisatie van Nederland en Frankrijk. Een van de belangrijkste argumenten in die tijd voor een eigen staat was (en is) dat taal het volkskarakter of de volksziel weerspiegelt en dat men zich door ‘eigen’ taal van andere volken kan onderscheiden. De taalkundige Matthias de Vries roemde het Nederlands in 1853 als een ‘afspiegeling van ons vaderlandsch karakter, merkteeken van ons volksbestaan, band en pacht onzer nationaliteit’. Iedereen die één taal deelt, deelt dus ook een vaststaande verzameling van culturele normen en waarden. Volgens cultuurhistoricus Joep Leerssen refereert het concept nationale identiteit aan een unieke en onverwisselbare eigen plek onder de zon; het behelst het idee dat de natiestaat van nu dezelfde identiteit manifesteert als die van onze ouders en eerdere generaties.

Wanneer de Europese natiestaten zich in een identiteitscrisis wanen, wordt meertaligheid een probleem. Socioloog en publicist Dick Pels verwoordt die paniekreactie in De Groene Amsterdammer: ‘Taalverdediging wordt opnieuw als een vorm van landsverdediging gezien’. Vanuit die gedachte verbeeldt een ander soort taalgebruik afwijkend sociaal gedrag, als het niet willen of kunnen aanpassen aan de Nederlandse samenleving. In het extreme geval beoordeelt men het anders spreken dan het normatieve Nederlands of het spreken van een andere taal als: niet-goed burgerschap. Het idee: iemand die wel in Nederland woont maar geen (gewoon) Nederlands of anders spreekt, houdt zich niet aan de regels en voelt zich ook niet echt verbonden met Nederland.

De gedachte dat het succes van een natiestaat afhangt van ééntaligheid boven meertaligheid creëren we echter zelf. Groepen en relaties door taal en identiteit (nationaal, etnisch) zijn immers niet onveranderlijk, statisch, eendimensionaal en voorspelbaar. Hoe het Nederlands nu geschreven en gesproken moet worden, verschilt met dertig jaar geleden. Veel van onze opvattingen hierover zijn het resultaat van het met elkaar uitwisselen van ideeën, gevoelens en meningen en het beïnvloeden van elkaar door de tijd heen. Deze opvattingen kunnen telkens opnieuw vormgegeven worden en een andere inhoud krijgen.

Het KNAW rapport (2018): Talen in Nederland – Talen voor Nederland
Intussen neemt de talenkennis in Nederland af in een alsmaar meertaliger wereld. Eurostat verkondigde dat een op de zeven personen in Nederland geen vreemde taal spreekt en als we het wel doen, dan alleen Engels. Volgens de Europese Unie kregen in 2013 ruim 16,5 miljoen leerlingen in de basisschool in Europa Engels gedoceerd. Dat heel Europa voor het Engels kiest, betekent een enorme versmalling in het taalaanbod. Dat baart zorgen. Volgens de KNAW commissie heeft het onderwijs in een Nederland waarin meer dan 2,5 miljoen mensen leven met een andere taal naast het Nederlands te maken met achterstallig onderhoud. Het onderwijs speelt niet in op de toename van het aantal en diversiteit anderstaligen, op processen van globalisering en digitalisering en op de groeiende rol van het Engels. De beleidsmatige aandacht voor andere talen bij de Nederlandse overheid en in het Nederlandse onderwijs blijft achter bij de stijgende vraag naar talige competenties. De commissie schrijft dat een meertalig Nederland “zeker bij bedrijven en instellingen zoals musea of gemeentes, maar ook op veel scholen niet geleid [heeft] tot een duidelijke taalkeuze bij het omgaan met inwoners met een anderstalige achtergrond. Dat geldt noch voor de streektalen noch voor de migrantentalen. De overheid zelf heeft hier geen visie op geformuleerd en er wordt niet bijgehouden welke talen de inwoners van Nederland spreken.” (p.22).
De Commissie roept de overheid daarom op een taalbeleid passend voor alle onderwijstypen te formuleren om ten eerste de Nederlandse taalvaardigheid van alle leerlingen zo goed mogelijk aan de toekomstige arbeidsmarkt te koppelen (p.8). Ten tweede hoort in de doorlopende leerlijn het taalonderwijs binnen elk schooltype op elkaar aan te sluiten. Ten derde hoort meertaligheid per schooltype vanzelfsprekend te worden door taallessen zo in te richten dat zij naadloos aansluiten bij de taalkennis en het niveau die voor een bepaald beroep gewenst zijn. Ten slotte hoort de culturele diversiteit en de taalvaardigheid van de leerlingen in hun thuistalen – Arabisch, Turks, Spaans, Chinees – ingezet en versterkt te worden door bijvoorbeeld in de les aandacht te besteden aan vertalingen van bepaalde terminologie. Die thuistalen zijn een hulpbron voor internationalisering.
De commissie spreekt de wens uit dat door een adequaat taalbeleid “Nederland beter [kan] inspelen op de veranderingen in de demografische samenstelling van onze bevolking, in de internationale machtsverhoudingen en in de economische relaties.”

Taal als identiteit en/of instrument
De KNAW commissie verwoordt een relevante maar voornamelijk een instrumentele en rationele visie op meertaligheid. Ik zou dat nog willen aanvullen met het volgende. Taal is cruciaal in identiteitsformaties en het is juist dit gegeven dat de meeste emoties oproept. Identiteit is een dynamisch, meervoudig en ambigu resultaat van het voelen, denken en handelen van individuen of groepen. Identiteitsformatie speelt zich af binnen tegenstellingen die door mensen zelf geconstrueerd en beleefd worden. Voorbeelden daarvan zijn tegenstellingen als ‘Nederlander’ versus ‘asielzoeker’. In dit proces gaat het zowel om ideeën die mensen over zichzelf hebben, als om ideeën die anderen over hen hebben. Dat leerlingen, net als volwassenen, anders spreken dan de norm voorschrijft of dat zij hun thuistaal ook willen blijven gebruiken, heeft alles te maken met de identiteit(en) die ze beleven en (willen) uitdragen. Het al dan niet spreken van een ander soort Nederlands of een andere taal kan een gevolg zijn dat binnen de eigen groep(en) of regio een bepaald talig kenmerk of taal meer gewaardeerd wordt.

Taal en emoties
Een nieuwe visie op meertaligheid brengt diepe emoties met zich mee. De instrumentele visie van de KNAW commissie plaatst op de achtergrond dat individuen en hun talen niet op dezelfde wijze beoordeeld worden. De talige markt in Nederland is, als overal ter wereld, een symbolische markt. Meertaligheid is een verrijking als het om het Engels en zijn sprekers gaat, maar een verarming als het sprekers van Berber of Turks betreft. De overheid stimuleert en financiert Engels op de basisschool maar beëindigt op diezelfde basisschool het onderwijs in het Turks en Limburgs. Respect en waardering voor de taal van de ander speelt zich altijd af binnen een context van maatschappelijke ongelijkheid die onmiddellijk de vraag oproept wie erbij hoort en wie niet? Ondanks dat taalkundig en cognitieonderzoek laat zien dat kinderen en volwassenen prima twee talen als moedertalen kunnen beheersen, denken velen dat meertalige kinderen eerder taalachterstandskinderen zullen worden. Het overgeleverde natiestaat één land-één volk-één taal ideaal laat ons ook vastroesten in de mening dat de ideale Nederlandse burger een eentalig Nederlandssprekende burger is en dat iedereen die Nederlands spreekt zich thuis voelt in Nederland en verwelkomd wordt in Nederland.

Het verschijnsel meertaligheid in Nederland van nu en vroeger is en was alledaags maar is sinds de negentiende eeuw ook zeer complex en gelaagd. Om meningen over taal en meertaligheid te kunnen nuanceren zou er in de samenleving meer begrip en kennis, en in alle lagen van het onderwijs meer aandacht moeten komen voor talige en sociale aspecten van meertaligheid: de samenhang tussen maatschappelijke ongelijkheid en de aandacht voor achterstandsdenken en de roep om de eentalige burger die alleen Nederlands spreekt, de beleving en talige vormgeving van nationale en sociale identiteit(en) en de daarmee gepaard gaande processen van in- en uitsluiting door diverse actoren zoals school, media en de sprekers zelf.

Download hier het KNAW rapport.

Dit is een ingekorte versie die in het taalnummer van het onderwijsblad Van twaalf tot achttien verschenen is.

Gepubliceerd op Neerlandistiek.nl op 14 februari 2019.

Platform Menselijke en niet-menselijke dierrelaties en interacties (HARI)

Wij (Leonie Cornips en Pim Martens) nodigen UM-medewerkers en studenten van alle faculteiten uit om deel te nemen aan het nieuwe interfacultaire en interdisciplinaire UM-platform over menselijke en niet-menselijke relaties en interacties. Dit platform brengt onderzoekers, docenten en studenten samen op het gebied van antrozoologie en andere onderzoeksgebieden die betrekking hebben op onze relaties en interacties met dieren.
Er is een gebrek aan wetenschappelijke aandacht voor onze relatie met niet-menselijke dieren, b.v. in culturele, maatschappelijke, linguïstische, juridische, ontologische, cognitieve, psychische, psychologische, interactieve, duurzame, politieke, gezondheid en zorg, wetenschappen en engineering, zakelijke en economische, filosofische verbanden. In plaats van een uniforme aanpak, bestaat het veld momenteel uit verschillende methoden die zijn aangepast vanuit de verschillende deelnemende disciplines om mens-niet-menselijke dierrelaties te omvatten. Het is een interdisciplinair veld dat overlapt met andere disciplines.

De doelstellingen van dit platform zijn gericht op vier pijlers, namelijk onderzoek, onderwijs, externe financiering en internationale inbedding, met name:
• Een inspirerende omgeving creëren voor UM-medewerkers en studenten die ernaar streven om met dit thema te werken, of dit al doen;
• Een overzicht creëren van de huidige activiteiten in dier-gerelateerd werk bij MU, met betrekking tot zowel onderzoek als onderwijs
• Een gemeenschap van mensen met vergelijkbare onderzoeksinteresses initiëren, die kan fungeren als een kennisbasis bij UM voor het indienen van projecten, het ontwikkelen van onderwijsmodules, voor het intern verbinden en om te reageren op relevante maatschappelijke kwesties.

Vergaderfrequenties en verdere vorm van het platform zullen tijdens de eerste vergadering worden besproken.

De eerste bijeenkomst is 28 maart, 15.00-17.00 uur in FASoS (locatie wordt nog aangekondigd).

Om deel te nemen aan dit Platform, kunt u een e-mail sturen naar: p.martens@maastrichtuniversity.nl

Platform Human- and non-human Animal Relations, and Interactions (HARI)

We (Leonie Cornips and Pim Martens) invite MU staff and students of all faculties to join the new interfaculty and interdisciplinary MU Platform on Human- and Non-Human Relations, and Interactions. This Platform will bring together researchers, teachers and students in the domain of anthrozoology and other research areas that relate to our relations and interactions with animals.
There is a lack of scholarly attention given to our relation with non-human animals, e.g. in cultural, societal, linguistic, legal, ontological, cognitive, psychic, psychological, interactional, sustainable, political, health and care, science and engineering, business and economical, philosophical connections. Rather than a unified approach, the field currently consists of several methods adapted from the several participating disciplines to encompass human-nonhuman animal relationships. It is an interdisciplinary field that overlaps with other disciplines.

Aims of this Platform are targeted to four pillars i.e. research, education, external funding and international embedding, in particular:
• To create an inspiring environment for MU staff and students that work or aspires to work with this theme;
• To create an overview of current activities in animal related work at MU, regarding both research and education
• To initiate a community of people with similar research interests, that can act as a knowledge base at MU for submitting projects, developing teaching modules, for connecting internally, and to react to relevant societal issues.
• Meeting frequencies and further setup of the platform will be discussed in the first meeting.

The first meeting will be March 28th, 15.00-17.00 at FASoS (location to be announced)

To participate in this Platform, please email: p.martens@maastrichtuniversity.nl

“Kind moet over op het ‘plat’”

“Kind moet over op ‘plat’”, kopt De Limburger afgelopen week boven een artikel van verslaggever Jule Peeters. Waarom besteedt De Limburger juist nu aandacht aan Limburgs op de peuterspeelzaal en waarom op deze wijze? Waarom ik namens de leerstoel Taalcultuur in Limburg pleit voor meertalige peuterspeelzalen schreef ik in twee eerdere columns (hier en hier), en over de urgentie om aandacht te besteden aan de toekomst van het Limburgs (het Limburgs is de officiële benaming volgens het Europees Handvest voor regionale talen of minderheidstalen hoewel de Provincie Limburg de noemer streektaal hanteert en sprekers in Limburg dialect of plat) schreef ik hier en hier.

Het verslag in De Limburger bevat dus niets nieuws. De Gedeputeerde van Cultuur van de Provincie Limburg zei in november 2017 al toe op basis van onderzoek door mijn leerstoel een taalbeleid te ontwikkelen voor de peuterspeelzalen in Limburg. De organisaties in Limburg die zich bekommeren om de toekomstige vitaliteit van het Limburgs delen in oktober 2015 dit pleidooi in het visiestuk ‘Sjiek is miech dat!’ dat als belangrijke input diende voor de Erfgoednota van de Provincie Limburg.

Expertise
Er is dus niets nieuws onder de zon behalve dat dezelfde Limburgse organisaties samen met het Huis van de Kunsten op verzoek van de Provincie Limburg afgelopen juni de kadernota ’n Laeve lank Limburgs hebben ingediend met daarin een herhaalde oproep voor taalbeleid op de peuterspeelzaal. De organisaties in Limburg staan hierin niet alleen. De groei van meertalige sprekers in Nederland dwingt schoolbestuurders langzamerhand na te denken en te investeren in oude en nieuwe vormen van tweetaligheid. De samenstellers van het onlangs verschenen KNAW rapport “Verkenning Talen in Nederland – Talen voor Nederland” geven zelfs toe dat onderwijs in Nederland naast bestuur en politiek de grote veranderingen in talen en culturen en de groeiende meertaligheid in Nederland niet meer kan bijbenen. Om het taalbeleid op de peuterspeelzalen in Limburg in het kader van toekomstige beleidslijnen in Nederland te zien is ook in Limburg een mentaliteitsomslag nodig om taaldiversiteit niet als achterstand maar als rijkdom te zien.

De kadernota ’n laeve lank Limburgs met daarin een pleidooi voor taalbeleid voor de Limburgse peuterspeelzalen roept nu reacties op, ook omdat het verslag van Jule Peeters in De Limburger wel erg bezijden de waarheid is. Het kind op de peuterspeelzaal moet helemaal niet “over op het plat” en het Nederlands wordt zeker niet ingeruild voor het Limburgs. De bedoeling van een taalbeleid is dat de peuterspeelzalen die dat willen en zich daarmee in kwaliteit gaan onderscheiden het Limburgs gelijkwaardig aan het Nederlands aanbieden.

Voor de benodigde expertise heb ik gesprekken gevoerd met collega’s van de Sintrum Frysktalige Berne-opfang (SFBO) in Friesland die sinds de jaren tachtig leidsters in de voorschoolse opvang ondersteunen bij het vormgeven van beleid en praktijk van Fries-Nederlandse tweetaligheid in de peuterspeelzalen. Voor een dergelijk beleid is betrokkenheid van ouders en leidsters cruciaal evenals budget van de Provincie om kwaliteitscertificeringen voor de peuterspeelzaal/kinderopvang uit te kunnen reiken en educatiemateriaal te ontwikkelen. Bovendien zal in het curriculum voor kinderopvang/peuterspeelzaalleidsters kennisontwikkeling over meertaligheid aangeboden moeten worden met aandacht voor Limburgs als regionale taal.

Hokje van achterstandsdenken
Uit het redactioneel commentaar van De Limburger blijkt dat ook de journalistiek een mentaliteitsomslag zal moeten doormaken. “Kinderen plat leren praten” is een zaak van hun ouders stelt de redactie. Ja dat is zo, maar kinderen gaan heel jong naar de kinderopvang/peuterspeelzaal waar leidsters en vrijwilligers, hoewel met liefde voor de kinderen en hun werk, niet geschoold zijn in talige en meertalige ontwikkelingen van peuters. Als uit onderzoek blijkt dat in heel Europa de peuterspeelzalen/kinderdagverblijven de doorgifte van lokale minderheidstalen de das om doen (De Houwer 2017) door onkunde over meertaligheid moet iemand ingrijpen. Bovendien valt een peuterspeelzaal niet onder het Ministerie van Onderwijs maar onder de gemeente.

Bovendien is De Limburger niet echt op de hoogte van actuele bevindingen van taalwetenschappelijk onderzoek. In 2015 legt dezelfde redactie een onjuist verband tussen dialectspreken, achterstandgezinnen (!) en laaggeletterdheid en in het commentaar van deze week lees ik: “Met enige regelmaat constateren onderzoekers taalachterstand bij kinderen in Zuid-Limburg.” Maar het tegendeel is het geval! Recent onderzoek toont dat dialectsprekende kinderen even snel of langzaam de Nederlandse woordenschat leren als eentalig Nederlandssprekende kinderen (Francot e.a. 2017), dialectsprekende kinderen laten hogere CITO-scores zien voor het spellen in Nederlands dan eentalige Nederlandstalige kinderen, dialectsprekende kinderen scoren significant hoger op taken die selectieve aandacht meten dan eentalig Nederlandssprekende kinderen in Utrecht (Blom e.a. 2018) en kinderen in Limburg uit groep 8 scoren sowieso hoger op de CITO-toets dan leerlingen uit de andere provincies (Hemker 2016).

Beste journalisten, kom uit het hokje van achterstandsdenken vandaan en ben bereid met frisse ogen over de talige ontwikkeling van dialectsprekende kinderen te schrijven.

Verwijzingen
• Blom, Elma, Tessel Boerma, Evelyn Bosma, Leonie Cornips, Emma Everaert. 2017. Cognitive advantages of bilingual children in different sociolinguistic contexts. Frontiers in Psychology: Cognition. 8:552, 1-12. Open-access article, doi: 10.3389/fpsyg.2017.00552
De Houwer, Annick. 2017. Minority language parenting in Europe and children’s well-being. In N. Cabrera & B. Leyendecker (Eds.), Handbook of Positive Development in Minority Children (pp. 231-246). Berlin: Springer.
• Francot, R.J., Kirsten van den Heuij, Elma Blom, Wilbert Heeringa and Leonie Cornips. 2017. Inter-individual variation among young children growing up in a bidialectal community: The acquisition of dialect and standard Dutch vocabulary. In Language Variation – European Perspectives VI. Isabelle Buchstaller and Beat Siebenhaar (eds.). Studies in Language Variation 19, pp. 85–98.
• Hemker, B. 2016. Jaarlijke meting Taal en Rekenen 2016: Peiling van de taalvaardigeid en rekenvaardigheid in jaargroep 8 van het basisonderwijs. Ongepubliceerd, CITO Arnhem.

Verschenen op Neerlandistiek.nl op 23 juli 2018.

Marianne van der Heijden

Voordat ik het proefschrift van kunsthistorica Lies Netel las, had ik nog nooit van de Limburgse kunstenares Marianne van der Heijden gehoord. Toch moet ik haar kunstwerken ongetwijfeld in gebouwen in de voormalige Oostelijke Mijnstreek tegengekomen zijn. Marianne van der Heijden is van de generatie van mijn ouders (geboren in 1922) en groeit op in Kerkrade. Ze volgt een opleiding aan de Rijksakademie van Beeldende Kunst in Amsterdam en maakt in de jaren vijftig en zestig in Limburg furore met haar monumentale wandkunstwerken voor de katholieke kerk. Wat ze maakt is zeer divers: van glas-in-lood ramen voor de Onze-Lieve-Vrouw van Lourdeskerk in de Kerkraadse wijk Gracht tot kleine houtsneden, wandkleden, grafiek en papiercollages.

Lies Netel probeert een antwoord te geven op de vraag waarom Marianne van der Heijden, in tegenstelling tot haar Limburgse generatiegenoten Jef Diederen, Ger Lataster en Frans Nols onzichtbaar is (gebleven) in overzichtsboeken van Nederlandse kunstenaars. Een reden is, volgens Lies Netel, dat Marianne een te veelzijdig kunstenaar was voor canonvorming. Het hielp waarschijnlijk ook niet dat Marianne in Zuid-Limburg woonde en werkte, zich niet volledig identificeerde met het kunstcircuit van toen en een vrouw was.

Het bijzondere aan het proefschrift van Lies Netel is dat zij in egodocumenten, dus in ‘ik’-gerichte teksten zoals brieven, reisverslagen en dagboeken heeft proberen te achterhalen in welke tijdgeest Marianne als zelfstandig kunstenares kon en moest werken. Zo zag zij bewust af van een huwelijk en moederschap omdat zij anders haar kunstenaarschap zou moeten opgeven. In 1970 schrijft zij met een rietpen met inkt en aquarelverf op papier de zinnen:

‘Ik zou zo graag
een zwerver willen
zijn
Maar ik heb
twee dingen tegen:
Ik ben een vrouw
en bovendien ..
ben ik te verlegen.’

En over het ongetrouwd zijn:

‘Een juffrouw is nog steeds niet met zekerheid thuis te brengen
Arme ziel of vrije vogel?
Dat is ons wel een zorg (of niet) soms.’

Lies Netel gaat uitgebreid in op de briefwisseling tussen Marianne en pater-karmeliet Bruno Borchert met wie ze later zal samenwonen. Die briefwisseling is voor mij als lezer vaak te intiem maar het laat wel goed zien hoe gelovige katholieken in het Limburg van de tweede helft van de twintigste eeuw dachten en voelden over de kerk, seksualiteit, huwelijk en maatschappelijke veranderingen. Die egodocumenten inspireren tot onderzoek. Volgens Jos Perry laten egodocumenten een historicus twijfelen over de betrouwbaarheid van wat er te lezen valt maar geven zij wel een goed inzicht in de belevingen van de ‘ik’-persoon. Zo komt de lezer te weten hoe Marianne haar tijd beleeft, interpreteert en welke kansen en hindernissen ze als kunstenares en vrouw tegenkomt.

Lies Netel stelt dat ‘Marianne zich niet met Limburg identificeert, ze spreekt geen dialect en had geen Limburgse vrienden’. Dat ben ik niet met haar eens. Vriendschappen met uitsluitend Limburgse vrienden zal in elk geval moeilijk geweest zijn in een tijd waarin de explosieve groei van de mijnindustrie ontelbare migranten van buiten Limburg en Nederland en grensarbeiders naar de Oostelijke Mijnstreek lokte. Bovendien verdrongen nieuwe vormen van meertaligheid het dialect uit de publieke ruimte.

Een van de reden waarom Marianne als kunstenaar van haar werk kon leven is dat de katholieke kerk grote sommen subsidies van de steenkoolmijnen ontving waardoor diezelfde kerk opdrachten verzorgde aan kunstenaars als Marianne. Volgens historicus Ad Knotter riepen de kerk en de geestelijkheid in Marianne’s bloeiperiode als kunstenaar vrome katholieken op om zich in denken en levensstijl af te keren van het moderne leven dat de Limburgse cultuur en tradities zou verdringen. In haar identificaties met de kerk als vrome katholiek, ook zichtbaar in haar religieuze werk heeft Marianne zich wel degelijk met Limburg geïdentificeerd.

Verschenen op Neerlandistiek.nl, 7 februari 2018.
Verschenen op Veldeke.net in het Kirchröadsj, op 1 maart 2018.

Nieuw Limburgs taalbeleid: Een convenant is drijfzand voor het Limburgs

Door Yuri Michielsen-Tallman

Sinds enkele maanden is er weer volop discussie over een nieuw Limburgs taalbeleid. De Provincie Limburg heeft de Raod van ’t Limburgs gevraagd een nieuwe visienota voor te leggen. De vraag is of er een verdere erkenning voor het Limburgs naar Fries model moet komen óf een taalbeleid op basis van een door de Nederlandse overheid aangeboden convenant? Welke weg biedt de meeste zekerheid voor een volwaardig taalbeleid voor het Limburgs?

Het Limburgs is sinds 1997 door de nationale overheid erkend als regionale taal onder het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden. Die erkenning geldt ook voor het Fries en het Nedersaksisch. De nadruk zal hier echter liggen op het Fries en het Limburgs.

Het Handvest is door de Raad van Europa in het leven geroepen om regionale talen te beschermen. Regionale talen zijn vaak in een achterstandspositie ten opzichte van nationale talen gekomen. Door wettelijke maatregelen, taalbeleid en financiering voor gebruik in het openbare leven, in het onderwijs en de media hebben nationale talen (zoals het Nederlands) een dominante positie verworven. Dat heeft onder andere geleid tot een afname in het gebruik van regionale talen en vaak een stigma voor de sprekers ervan. Er bestaan vooral ook wettelijke en financiële hindernissen, die het gebruik en de aanpassing van de regionale taal aan de moderne tijd belemmeren. Het Handvest beoogt regionale talen te beschermen door deze veel van de rechten en mogelijkheden te bieden die ook aan nationale talen ter beschikking staan.

Onder het Handvest is het Limburgs evenzeer een regionale taal als het Fries, zij het met minder rechten. Deel II Handvest met doelstellingen en beginselen is op beide talen van toepassing verklaard. Echter, alleen voor het Fries heeft de Nederlandse overheid zich gebonden aan de rechten en verplichtingen voortvloeiend uit Deel III ter bevordering van het gebruik in het openbare leven.

De Nederlandse overheid heeft vanaf het begin geweigerd haar verplichtingen voor het Limburgs onder het Handvest na te komen, terwijl zij die voor het Fries wel nakomt. De Raad van Europa, toezichthouder op de naleving van het Handvest, is het niet eens met de ongelijke behandeling van het Limburgs ten opzichte van het Fries. Alleen Deel II toepassen staat trouwens ook op gespannen voet met de geest van het Handvest, omdat Deel III de essentie van de bescherming biedt. In de praktijk hebben zeer weinig verdragspartijen voor alleen toepassing van Deel II gekozen en is de Nederlandse Staat hiermee een buitenbeentje binnen Europa.

Na twintig jaar druk door de Raad van Europa is de Nederlandse overheid nu wel bereid haar houding te veranderen, omdat Nederland is geïsoleerd binnen Europa. De nationale overheid schendt het Handvest door haar verplichtingen voor het Limburgs (en het Nedersaksisch) niet na te komen. Den Haag onderhandelt daarom met vertegenwoordigers van het Nedersaksisch over een ‘convenant’, een soort juridisch niet-bindende bestuursafspraak voor steun aan die regionale taal.

Sommigen binnen het Limburgse zien zo’n convenant ook voor het Limburgs wel zitten. Een zelfde wettelijke regeling zoals voor het Fries zou voor het Limburgs niet nodig zijn. Als jurist kan ik daarvoor alleen maar voor waarschuwen.
Zo’n convenant zet het Limburgse taalbeleid nog eens 20 jaar in de ijskast. Zonder juridische afspraken ontbreekt het bij zo’n convenant aan een afdwingmogelijkheid via het nationale recht om te zorgen dat de nationale overheid zich eraan houdt. Dit convenant is drijfzand, omdat Limburgs taalbeleid daarmee afhankelijk wordt van de politieke wil van wisselende regeringscoalities en de onvoorspelbare houding van de rijksoverheid en haar ambtenaren ten opzichte van het Limburgs.

Desastreus is dat zo’n convenant de Nederlandse overheid een argument verschaft om de Raad van Europa buiten spel te zetten. Een convenant is een puur binnenlandse afspraak. Over naleving ervan kan de Raad geen controle en druk op de nationale overheid uitoefenen. Een Limburgs taalbeleid heeft dan geen internationale bondgenoot en geen poot om op te staan.

De steeds grotere druk de afgelopen twintig jaar van de Raad van Europa werkt. Hiervan getuigen recente intitiatieven van de nationale overheid: het Streektalensymposium in Deventer in november van 2017, georganiseerd door het Ministerie van Binnenlandse Zaken, én de wil van BiZa te onderhandelen over een convenant. Een wettelijke regeling voor een regionale taal werkt ook. Het Fries heeft, juist door een juridische verankering in Deel III Handvest en nationaal recht, een duurzaam taalbeleid met de rijksoverheid kunnen ontwikkelen met miljoenen euros steun.
Zo’n juridisch kader voor het Limburgs is ook wettelijk vereist. De verschillende behandeling van Limburgs en Fries schendt enkele belangrijke juridische normen: het gelijkheidsbeginsel van de Grondwet, de geest van het Handvest en verschillende voor Nederland geldende internationale verdragen met een discriminatieverbod op grond van taal.
De Nederlandse overheid staat in het ongelijk. De juridische weg is een lange, maar de aanhouder wint. Vraag dat maar aan de Friezen. Een wettelijke basis gelijk aan die van het Fries is mogelijk. Zo’n wettelijke basis geeft de enige solide fundering voor een duurzaam taalbeleid voor het Limburgs.

Verschenen op Neerlandistiek.nl, 7 februari 2018.

Erbij horen of niet?

Column van mijn Ph.D Lotte Thissen, Taalcultuur in Limburg, die bij mij op 11 januari 2018 promoveerde:

“Waar kom je vandaan?” Wie deze vraag te horen krijgt, wordt gezien en bestempeld als ‘anders’ of afwijkend van een bepaalde norm. Mijn etnografische onderzoek in de Limburgse stad Roermond ontmoedigt de vraag “waar kom je vandaan?” en termen als ‘autochtoon’ en ‘allochtoon’.

De provincie Limburg wordt vaak geassocieerd met carnaval, katholieken en het gebruik van dialect en de zachte g. Mijn studie naar dagelijkse taalpraktijken van mensen in Roermond laat echter zien dat ‘de provincie’, net als de Randstad, een gebied is waar meertaligheid en culturele diversiteit bestaat. In Roermond vinden er interessante ontmoetingen en combinaties plaats tussen sprekers van wat we zien als dialect, Nederlands, een mondiale taal als Engels en migratie- en mobiliteitstalen als Arabisch en Turks. Daarbij is er een groot verschil tussen wat mensen zeggen dat ze doen en wat zij in werkelijkheid doen; de mede-eigenaar van een supermarkt vond dat het voor hem, als Turk, blöd is om plat (dialect) te praten, maar tijdens mijn veldwerk heb ik hem dagelijks dialect horen spreken met klanten, naast allerlei andere talen.

Mijn onderzoek geeft zo inzicht in de manieren waarop mensen talig met elkaar omgaan in het dagelijks leven in Limburg. Welke talige middelen gebruiken zij om elkaar aan te spreken en het gevoel te hebben er wel of niet bij te horen in een bepaalde plek? Deze kwesties zijn belangrijk in een meertalige en cultureel diverse wereld waarin we elkaar dagelijks bevragen op basis van taal en cultuur over wie dé Nederlander of dé Limburger is en wie niet. Mensen zijn in alledaagse en, op het eerste gezicht, onschuldige ontmoetingen voortdurend grenzen aan het trekken tussen ‘wij’ en ‘zij’ door talige gebruiken. De beschrijvingen van deze dagelijkse ontmoetingen leren ons dat iedereen zich buitenlands of out of place kan voelen, ongeacht of iemand (al generaties lang) uit Roermond komt, uit Den Haag of Marokko. Zo zouden twee mannen in mijn onderzoek, oorspronkelijk geboren in ‘Holland’, ‘autochtoon’ zijn, maar ze blijken zich ‘allochtoon’ te voelen in hun eigen land, in Limburg. Mensen zijn voortdurend bezig met talking in and out of place van zichzelf en anderen, ongeacht hun geboorteplek of achtergrond en wat en hoe ze spreken.

De vraag “waar kom je vandaan?” is daarom nietszeggend en zet een persoon weg als buitenstaander die er niet bij hoort, ook al voelt deze persoon juist het tegenovergestelde. De veldwerkbevindingen uit Roermond tonen dat gevoelens van er wel of niet bij horen sterk afhankelijk zijn van de plekken waarin we ons begeven. Dit maakt termen als autochtoon en allochtoon willekeurige containerbegrippen die mensen beperken en geen inzicht geven in de daadwerkelijke ervaringen en praktijken van mensen.

Het feit dat iemand er ‘anders’ uit ziet of buiten Limburg geboren is, wil niet zeggen dat deze persoon geen dialect spreekt. De vraag “waar kom je vandaan?” of het label “allochtoon” kan dan ook een pijnlijke ervaring opleveren. Ik pleit er daarom voor dat we tijdens ontmoetingen met nieuwe mensen open zijn door eerst te vragen welke taal we kunnen spreken in plaats van meteen Nederlands, Engels, dialect of welke taal dan ook te kiezen.

Verschenen op Neerlandistiek.nl op 25 januari 2018.

Nieuwjaarsboodschap Taalunie

Illustratie: Jochem Galama

Onder de ‘beste-wensen’-boodschappen kreeg ik ook de nieuwjaarsfolder Tal van Talen. In en Om het Nederlands van de Taalunie onder ogen. De folder visualiseert en verwoordt de boodschap van de Taalunie anno 2018: Nederland is rijk aan variatie en meertaligheid. Een strip, zoals op de voorkant van de folder te zien is, bevat noodgedwongen een dosis versimpeling in de poging om de complexiteiten van taalvariatie en meertaligheid als een soort netwerk van knooppunten in kaart te brengen.

Meer precies beeldt de strip uit dat talen aan plekken en zelfs heel expliciet aan gebouwen in Nederland en België verankerd zijn. Nederlands, Duits, Engels en Frans vormen een talig knooppunt binnen de schoolmuren; Nederlands, Arabisch, Turks, Hebreeuws en Tamazight (plus een hokje met daarop ‘andere talen’) in moskee- en kerkgebouwen; streektalen vormen een talig knooppunt binnen een veestal met koeien ervoor; Engels, Fries en Nederlands verkeren in een monumentaal schoolpand; Fryslân is ‘het land van taal’ en ‘meng-variëteiten’ (?) verkeren in wolkenkrabbers. In het knooppunt sociale media is Tamazight, Nederlands, Russisch, Italiaans en Turks geplaatst; op een cv mag Nederlands, Frans, Duits en Hindi; in de bouw en in het modevak is Nederlands toereikend.

Nu kan een bijbehorende tekst de stereotypen in de strip – taal als een statisch verschijnsel verankerd aan plekken/gebouwen – zo loszingen dat hij de noodzakelijke verwondering bij de lezer oproept. Deze verwondering biedt dan ruimte om de visie van de Taalunie over taalvariatie en meertaligheid anno 2018 uit te dragen en welk beleid zij gaat inzetten. Maar de kabbelende tekst vermijdt hete hangijzers voor dat beleid. Zo’n heet hangijzer is of het Nederlands in Nederland en Vlaanderen wel bij uitstek de voertaal is in sociaal verkeer zoals de folder suggereert. Ik zou de schrijver graag willen uitnodigen in mijn huizenblok waar Tamazight de dagelijkse voertaal is, de Oude Hoogstraat in Amsterdam waar Engels de voertaal in de horeca is en in Geulle waar het Limburgs de voertaal is. Is het Tamazight dan nog wel een vreemde taal?

Nog een heet hangijzer: de folder informeert uitvoerig in welke landen het Nederlands over de wereld voorkomt, waar het wel of geen erkenning heeft, en hoe belangrijk zo’n erkenning is voor de sprekers ervan. Welnu, dit Nederlands elders divergeert in taalkundig opzicht aanzienlijk, maar wat onduidelijk blijft, is hoe de Taalunie de spanning tussen het label Nederlands en de aanzienlijke taalkundige verschillen ziet. Want het zijn juist die ongedefinieerde ‘varianten’ waar de Taalunie het moeilijk mee heeft. Hoewel de folder met graagte informeert over de erkenning van het Nederlands elders, kan het niet uit de pen krijgen dat de Nederlandse overheid eind jaren negentig het Fries, het Nedersaksisch en het Limburgs als streektalen onder het Europees Handvest voor Regionale Talen en Minderheidstalen erkend heeft. Deze politieke erkenning betekent dat de Taalunie het Limburgs in Nederland niet als quasi-Nederlands mag wegcijferen; in België mag dat echter wel, omdat België dit handvest nooit heeft willen ratificeren. In Nederland zijn sprekers van Limburgs niet alleen in hun eigen taalbeleving, maar ook wettelijk meertalig; in België ligt dat minder duidelijk: wettelijk gezien is hun Limburgs gewoonweg (afwijkend) Nederlands. Dat is voor een bi-nationale instantie als de Taalunie lastig maar de werkelijkheid is nu eenmaal niet anders. In zijn poging om verhullend met die problematiek om te gaan, is de folder krampachtig en inaccuraat. Het Brabants wordt een streektaal genoemd, Fries als taal lijkt los te staan van erkenning onder datzelfde Europese Handvest en het Limburgs krijgt hoogstens de status van dialect mee.

Anderzijds suggereert de folder dat stileringen in het Nederlands zoals omgangstaal, straattaal en etnolecten aparte talen zijn, want anders dan de streektaal-koeienstal krijgen zij ieder een knooppunt in de strip.

De internationale sociolinguïstiek beziet taal al lang niet meer als een bezit van een land of van een plek of van een groep sprekers maar als een praktijk, een activiteit tussen taalgebruikers waarin dingen gebeuren zoals taalkeuze, code-mixen, luistertalen, het gebruik van een lingua franca, de taal van de ander of wat dan ook om een bepaald iets te bereiken en/of om sociale betekenis aan de wereld om ons heen te geven zoals vriendschap, autoriteit, legitimiteit, authenticiteit, herkomst, familie, erbij horen, gender, leeftijd, intimiteit, sociale klasse, ontwikkeling kennis. Bij deze analyse hoort het inzicht dat ‘taal’ gekoppeld aan nationale, provinciale of gemeentelijke administratieve grenzen een politiek construct is en dat taal daarnaast ook een taalkundig, cognitief, sociaal en cultureel construct is. In die visie zou het geen enkele verwondering wekken om Tamazight in een veestal te horen en een streektaal in een wolkenkrabber. Het afbakenen van taalvariatie en van meertaligheid is afhankelijk van de actoren en de context en het doel waarbinnen dit gebeurt en de identificaties die sprekers beogen. De gelegenheid om de relaties van de Taalunie te informeren over deze gangbare inzichten in taalvariatie en meertaligheid is hier jammer genoeg niet benut.

Verschenen op Neerlandistiek.nl, 2 januari 2018,
en in het Mestreechs op Veldeke.net

Gebarentaal

Mijn laatste column in De Limburger wijd ik graag aan meertalige kinderen die extra zorg in het onderwijs nodig hebben. Dove en slechthorende kinderen, net als kinderen met autisme of kinderen met een taalontwikkelingsstoornis (TOS) communiceren op meerdere manieren om hun boodschap over te brengen. Vaak ontbreekt een perspectief op deze manieren, evenals op de kwetsbaarheid en cognitieve, sociale en emotionele ontwikkeling van deze kinderen.

Met Anja van Schijndel, docent Opleidingscentrum Speciale Onderwijszorg, en nog vele andere collega’s van Fontys, Campus Sittard en LBRT organiseerden we begin november een interactieve taalthemamiddag waarin we actief in gesprek gingen met ouders, kinderen en jongeren zelf, opvoedings- en onderwijsprofessionals, studenten en onderzoekers. Het doel van de workshop was ideeën als ‘kinderen met autisme hebben geen gevoelens’ of ‘communicatie vindt altijd plaats door gesproken taal’ de wereld uit te helpen en onderzoekers uit te dagen de dagelijkse leefwereld van kinderen die zij bestuderen in te stappen.

Beppie van de Bogaerde, Hoogleraar Nederlandse Gebarentaal, benadrukt dat dove en slechthorende kinderen vaker leerkrachten aanraken en dat dit voor hen een overlevingsstrategie is. Met aanraken krijgt een leerling de visuele aandacht die noodzakelijk is om te kunnen communiceren in gebarentaal. Gebarentalen zijn net als het Limburgs of Engels echte talen met een eigen woordenschat en grammatica, alleen zijn bij deze taal ook je handen, en ook de stand van je hoofd en gezichtsuitdrukking cruciaal.

95 procent van dove kinderen is geboren in gezinnen met horende ouders en dove kinderen komen nooit of pas later, vaak na of rond de leeftijd van vier in aanraking met gebarentaal. Deze kinderen zijn dus extra kwetsbaar in hun taalontwikkeling omdat zij meestal geen gebarentaal en gesproken taal (door hun doofheid) goed aangeboden krijgen tot hun vierde. Ouders kunnen best gebarentaal leren maar zij neigen, net als professionals, toch naar gesproken taal om met dove kinderen te communiceren.

Volgens Beppie zijn er 125 tot 135 gebarentalen in de wereld gevonden. Taal is een expressie van een gemeenschap en gebarentaal verschilt dus ook per gemeenschap. Meestal ontstaan dovengemeenschappen daar waar kinderen langere tijd bij elkaar moeten verblijven voor hun onderwijs zoals in internaten. In Nederland zijn er vijf dovenscholen geweest waarvan drie internaten in Voorburg, Groningen en st. Michielsgestel en daar is inderdaad een specifieke gebarentaalcultuur ontstaan. In Voorburg stond het internaat positief tegenover gebarentaal, in st. Michielsgestel kreeg vooral het spreken en liplezen de voorkeur terwijl Groningen meer voor een meertalige communicatie was.

Gebarentaal is net zo rijk als gesproken taal: er bestaan dialecten, er is onderscheid in formele en informele gebarentaal en er is jongerengebarentaal. Een kind dat met gebarentaal in Hong Kong opgegroeid is, moet zeker hier de Nederlandse Gebarentaal leren. De Nederlandse gebarentaal kent dialectverschillen in woorden en in het equivalent van klanken, de kleinste samenstellende delen van gebaren, zoals handvorm en plaats in de ruimte. Het Groningse gebaar voor jarig vindt plaats door een gebaar op de bovenarm te maken omdat kinderen daar vroeger koek opgebonden kregen als zij jarig waren; elders in Nederland wordt het gebaar voor jarig voor de buik gemaakt. Alleen in Amsterdam is het werkwoord verhuizen uit te drukken door een takelbeweging te maken.
Het wordt tijd dat de Nederlandse Gebarentaal ook door de Nederlandse overheid erkenning krijgt onder het Europees Handvest voor Regionale talen en Minderheidstalen.

In deze laatste column bedank ik iedereen die mij de afgelopen jaren geschreven, gebeld of gesproken heeft om mij kennis, ideeën, gevoelens, wensen en meningen over dialect en meertaligheid in Limburg duidelijk te maken. Ik hoop dat iedereen me straks nog kan vinden, of via mijn UM e-mail adres of via mijn Nederlandstalige website waar alle activiteiten die de leerstoel voor Limburg organiseert, te vinden zijn.

Column 106 in De Limburger/Limburgs Dagblad, 11 december 2017.